A
- Abhyâsa:
standvastigheid, gestadigheid, volhouden,
doorzetten, discipline, geregelde praktijk,
herhaling, herhaald lezen, studie; gebruik,
gewoonte, zede, de poging van de geest om te
verwijlen in zijn onveranderde conditie van
zuiverheid (sattva).
- Abhimata:
'God
is de meest verheven bron van vreugde.'
Daaruit bestaat de dierbaarste en meest
vreugdevolle grondslag van het geloof, het
hoogste verlangen (SSV-2)
- Âcârya
(letterlijk: die onderricht door het voorbeeld
te geven): Bona fide geestelijk leraar.
Bonafide, controleerbare, weerlegbare,
zelfgerealiseerde, geestelijk leraar
(goeroe)
die onderricht door voorbeeld te geven en de
leer van de paramparâ
vertegenwoordigt.
- Achara:
Eredienst
(PV-31)
- Acintya:
Datgene
wat onvoorstelbaar is, of wat ons begrip te
boven gaat, wat de grenzen van het stoffelijk
universum overschrijdt.
- Acinthya-bhedâbheda-tattva:
De leer der "onvoorstelbare eenheid in
verscheidenheid", welke door Caitanya Mahaprabhu
verkondigd werd om het verschil en de
gelijktijdige afwezigheid van verschil te
verklaren tussen de Absolute Waarheid en al wat
is, en ook om de onvoorstelbare existentie van
deze Absolute Waarheid op het persoonlijke en
gelijktijdig op het onpersoonlijke vlak aan te
duiden. Krishna is de onvoorstelbare eenheid
in
de verscheidenheid.
- De heuristiek, de vuistregel van de
Caitanya-vaishnava
die stelt: Hij is Mij, maar ik niet Hem; Hij is
de eenheid in de veelheid der slechts
kwalitatief aan Hem gelijke delen en gehelen;
Hij de Godpersoon die het universum is, waar ik
slechts een deel kalâ
van ben.
(ekatvena prthaktvena bahudhâ
B.G.
9.15).
- Acyuta:
(letterlijk:
iemand die nooit ten val komt); Onfeilbare,
gezegd van Krishna.
- Adharma
(in vijf
vormen):
Goddeloosheid [vidharma],
religieuze principes waarvoor men niet geschikt
is [para-dharma],
zogenaamde religie
[âbhâsa],
imitatie-religie
[upadharma]
en bedrog [chala-dharma].
De
oorspronkelijke bedoeling in de weg staan is
vidharma
[ook onwettig genoemd]; doen alsof
[ofwel verkeerd opgevat] is het
paradharma
en ketters of bekokstooft als iets anders is het
upadharma;
het is [âbhâsa,
pretentieus of hypocriet] valse trots en met
chala,
bedrog, verdraait men de
betekenis.
(SB,
7:15-12&13).
Goddeloosheid, plichtsverzaking
(PV-11)
- Âdi-s'esha:
('het secundaire vanaf het begin') ook wel
S'esha-nâga of Ananta-s'esha: het
slangenbed van Garbhodakas'âyî
Vishnu. Vertegenwoordigt het bijkomend
materiële van de dienst aan Krishna.
Deelaspekt vanSankarshana en wordt soms ook zo
genoemd (S.B.
5.25).
- Adhikâri:
Toegewijde; term voor overgegeven toegewijden in
de tempel. Drie soorten:
- Kanistha: beginners (bhakta's)
- Madhyama: gevorderden
(geÔnitieerden)
- Uttama: zuivere toegewijden die stabiel zijn
in bovenzinnelijkheid. (zie ook bhakta)
- Adhoksaja:
'de Heer in het Voorbije'
- Adhyatmika:
Van het
zijn als de persoonlijkheid in het bezit van
zijn zinnen [adhyatmika]
is Hij zowel de beheersende Godheid
[adhidaivika]
als de persoon daarvan onderscheiden als een
ander belichaamd levend wezen
[adhibhautika].
Het
individu in het bezit van de verschillende
zintuigen wordt de adhyâtmische
persoon genoemd en de individuele godheid die de
zinnen bestuurt wordt de adhidaivische
persoon genoemd, terwijl de belichaming welke
met het oog wordt waargenomen de
adhibhautische persoon genoemd wordt.
[SB
2:10-8]
- Âdhyâtma-yoga:
de hoogst verheven yoga waarin men een ziener
wordt die in staat is de materiële knopen
in het hart door te snijden. (SB
6:12-3,4)
- Advaitha:
De aanhanger van het non-dualisme (het
adwaitha-standpunt) gelooft in de
uitspraak "aham Brahmasmi" - "ik ben God"
(PV-15)
(PV-19)
Zonder dualiteit, hetgeen met betrekking tot de
Heer wil zeggen dat er geen verschil bestaat
tussen Zijn lichaam en Hemzelf.
- Adwaitha
siddantha: De
leer van het nondualisme (PV-27)
- Agami-
en
sanchitkarma:
Zowel karma dat in de toekomst moet worden
uitgewerkt als karma dat nu wordt uitgewerkt
(prarabdhakarma) (PV-15)
- Âgastya:
'hij wiens zinnen niet onafhankelijk zijn': een
grote wijze, een ziener, de zoon van Kumbha, de
pot. Verblijvend in de Malaya heuvels aanbad hij
de Heer (S.B. 6.3:35). Kwam met Vasishthha voort
uit het zaad dat Mitra en Varuna deponeerden in
een aarden pot toen ze Urvas'î zagen. Hij
huwde met de eerste dochter van Malayadhvaja en
uit haar werd een zoon geboren genaamd
Dridhacyuta. (S.B. 4.28: 32). Hij vervloekte de
koning van Pândya een olifant te worden
omdat hij hem niet naar behoren ontving toen hij
met zijn discipelen rondtrekkend in het Malaya
gebergte onverwacht opzocht. Die olifant staat
bekend als Gajendra. [RRV2:1]
- Agni:
God van het vuur (RRV-11a)
- Aham(n)kara:
Egoïsme, eigendunk berustend op
identificatie met het lichaam, zelfzucht,
ik-gevoel (PV-10)
(PV-13)
(PV-20)
(PV-30)
In de Vaishnava-bijbel', het Srîmad
Bhâgavatam
(11-2-37) staat:
- bhayam_dvitîyâbhini
vesatah_syâd
isâd apatasya viparayo 'smrtih
tan-mâyayâto budha âbhajet
tam
bhaktiyaikayesam_guru-devâtâmâ
Dit betekent:
'Er doet zich angst voor als een levend wezen
zichzelf mis-identificeert als het
materiële lichaam vanwege de absorptie in
de uitwendige, illusoire energie van de Heer.
Deze verbijsterende, angstwekkende gesteldheid
wordt teweeggebracht door het begoochelend
vermogen genaamd mâyâ (illusie).
Daarom behoort een intelligent persoon zich
zonder terughoudendheid bezig te houden met de
zuivere toegewijde dienst van de Heer, onder
leiding van een bona-fide geestelijk leraar, die
hij moet aanvaarden als zijn aanbiddelijke
Godheid en als zijn eigen leven en ziel.'
De reden dat identificatie met angst
gepaard gaat ligt aan de tijd-faktor:
'De tijdfaktor, die de transformatie
veroorzaakt van de verschillende materiële
manifestaties, is een ander aspekt van de
Hoogste Persoonlijkheid van God. Wie dan ook
niet weet dat de tijd dezelfde Hoogste
Persoonlijkheid is, is bang vanwege de
tijdfaktor' (S.B.
3.29:37).
Lichaamsbewustzijn (dehatma), het uiterlijke
'ik'.
- Ahara:
Voedsel
(Prasn-4)
- Ahimsa:
Geweldloosheid.
- Aikyam:
Een toegewijde die streeft naar vereniging
met God (PV-27)
- Aja:
(de Ongeborene) naam van Krishna duidend op Zijn
eeuwige bovenzinnelijke aard.
- Ajita:
naam voor Krishna
als de Onoverwinnelijke.
- Naam van de Allerhoogste Godspersoon, "Hij die
ongeboren is".
- Akasha:
Ruimte, ether, (hemel, lucht, firmament)
(SSV-7)
Sky, space, ether.
- Akarma
of
naiskarma:
Aktie
welke niet onderworpen is aan de wet van
karma.
- Akartha:
niet
ontworpen; zonder menselijke tussenkomst
(SSV-16)
- Akhanda
Bhajan:
Het 24 uur lang ononderbroken zingen van bhajans
over de hele wereld.
- Amanaska:
In een staat van opperste verrukking zijn als
men zich realiseert dat de gehele schepping is
geschapen door het Zelf, vrij van alle mentale
activiteit (Prasn-5).
- Ambikâ:
een van de verschijningsvormen van de
moedergodin, Devi of Pârvati,
de gemalin van Shiva of Pashupati, de heer der
dieren.
- Amrit(a),
Amritam:
Onsterfelijkheid; goddelijke nectar,
godendrank.
- Amrithaswarupa:
In zo iemand heeft onsterfelijkheid gestalte
aangenomen (PV-20)
- Anadi:
Zonder begin (SSV-22)
- Ananda(m):
Vreugde, gelukzaligheid (PV-26)
- Ananta
Shesha
(oneindige (over)blijvende): Godsdeel van
Balarama in de vorm van een veelkoppige Slang,
op wie Vishnu neerligt in het hart van het
heelal.
- Ananya
bhaktha:
Gods kind (PV-24)
- Anartha's:
(niet-doelen) ongewenste eigenschappen, in zes
verdeeld: kâma: lust, krodha: woede,
lobha: bezitsdrang, mada: trots, mâtsarya:
jalouzie en moha: misvatting.
- Anasûyantah:
leven zonder afgunst.
- Anga:
Ledemaat, feit, kenmerk (SSV-23)
- Aniruddha:
(ongehinderd,
niet te overheersen,
eigenwillig)
een
van de vier oorspronkelijke expansies van Heer
Krishna
in de geestelijke wereld heersend over de geest
(ook Vyûhas, Sankarshana - van het ego,
Pradyumna - van de intelligentie en
Vâsudeva van het bewustzijn, zie ook S.B.
4.24:35-37
en pan'catattva). - Aniruddha, de zoon van
Pradyumna die een zoon van Krishna was, werd
door de dochter van Bânâsura verleid
tot buitenechtelijke sex, waarop een oorlog
volgde waarin Bâna werd verslagen (zie
10.62).
- Een nazaat van
Vrishni.
-
Het touw om vee mee vast te binden.
- Anna-prâsana:
ritueel waarbij een kind voor het eerst vast
voedsel te eten wordt gegeven. Een van de tien
samskâra's
- Anthakharana:
Diepste bewustzijn (PV-13)
anthah-karana:
ononderbroken, bij alles wat je doet, met
een zuiver innerlijk op God richten, en leven in
het besef dat alles Gods schepping is en daarom
één is, en dat je voor iedereen
dezelfde liefde koestert en vastbesloten bent de
waarheid te spreken (PV-31)
- Apollinische
waarden: eng:
luciditeit, rust en rationele, intellectuele
onthechting. Uitgebreid (spiritueel/vedisch):
waarheid, eeuwigheid, gelukzaligheid,
schoonheid, goedheid en bewustzijn. Eveneens
geassociëerd met ordelijk en zonder te
wedijveren bestaan. Filosofisch: de
samenvattende term voor al hetgeen in
wereldbeschouwing, levensleer en kunst de
kenmerken draagt van het stabiele en
evenwichtige intellect, voor al wat streeft naar
orde en harmonie. Waarden geassocieerd met de
griekse god Apollo.
- Apurna:
Onvolkomen.
- Apurusha:
Onpersoonlijk. (SSV-22)
- Arati:
Lied; lichtceremonie; ritueel met een kamfervlam
ter aanbidding van God.
- Archanam:
God ritueel eer bewijzen (PV-24)
- Ardhangi:
Man en
vrouw zijn elkaars wederhelft; de vrouw is het
halve lichaam van haar man (RRV-11b)
- Arghya:
Het aanbieden van water.
- Arishadvarga:
De innerlijke vijanden, de zes die zich binnenin
de mens roeren (lust, boosheid, hebzucht,
gehechtheid, arrogantie en jaloezie)
(PV-32)
- Arjuna
(Dhananjaya)
& (Kiriti):
Beroemd strijder en een grote held uit de
Mahâbhârata, hij heeft van
Krishna
de kennis van de Bhagavad Gîtâ
ontvangen.
- Artha:
economische aktiviteit, economische
ontwikkeling, gewin. Een van de vier hoofddoelen
van het materiële leven (zie
purushartha's)
- Âryan:
de beschaafde, progressieve, cultuurminnende
mens van geestelijke realisatie (verbasterd:
ariër).
- Âsana
(letterlijk: zetel): Derde fase van de acht
fasen van astânga-yoga, welke
bestaat uit het beoefenen van bepaalde
lichaamshoudingen.
- Asat
(letterlijk: datgene wat geen werkelijkheid
heeft, of wat niet eeuwig is; de tijdelijke
vorm): Gemeenschappelijk kenmerk van het
begoochelende, vergankelijke,
voorbijgaande.
- Ashram:
Plaats waar men gemeenschappelijk naar
Zelfverwerkelijking streeft onder leiding van
een leraar (goeroe).
- Âs'rama:
Toevluchtsoord voor geestelijk zoekenden.
Afdeling van het geestelijk leven. Vier soorten:
brahmacâri: vrijgezel, celibatair,
continent student van bona fide geestelijk
leraar. Grihastha: gehuwd. Vanaprastha:
teruggetrokken. Sannyasa: onthecht (zie ook:
vier
geestelijke
orden).
(varnâs'rama) [SB
7:12]
- Asraya:
bijstand (PrasV-3)
- Ashvinideva's:
Zij
vertegenwoordigen hemel en aarde, zon en maan,
ook wel dag en nacht; zij zijn eeuwig jong en
schoon en weldoeners der mensheid
(RRV-7b)
- Asura:
(letterlijk:
niet van Sûrya, de zonnegod) goddeloze,
een demon, iemand die tegen de regels ingaat,
iemand van de duisternis (RRV-10b).
Een ieder die zich niet aan de regels van de
schriften houdt en wiens enige levensdoel eruit
bestaat voortdurend van werelds vermaak te
genieten. Hoe meer hij zich hecht aan de
materie, hoe demonischer hij wordt en hoe
heviger hij het bestaan van God, de Allerhoogste
Persoon, ontkent.
- Zuiver demonisch wezen dat zich openlijk tegen
de beginselen van de godsdienst verzet.
- Kwaadaardig monster van het soort dat tijdens
Krishna's verblijf op aarde de strijd met
Hem aanbond. (zie ook Sura)
- Âsvina:
De maanden oktober-november
- Atharvaveda:
('mystieke
hymnen')
Deze
veda is reeds door vele mensen op uiteenlopende
wijze beschreven. Er zijn zelfs mensen die het
geschrift niet de status van Veda
willen geven. Anderen zeggen weer dat het resten
zijn die overbleven toen de andere drie waren
samengesteld. In de andere Vedaís
worden de majesteit en het wonderbaarlijke
karakter van de Goden beschreven. In deze
Veda wordt echter melding gemaakt van de
mogelijkheid dat de mens door eigen inspanning
en oefening bepaalde vermogens kan verwerven en
geheimen kan doorgronden. Dat is het bijzondere
van deze Veda. Hatha-yoga, Tritashkarani Vidya,
Ashtangayoga worden alleen in deze Veda
aan de mens gegeven. Natuurlijk kan hij ook door
Gods genade vaardigheden verwerven die hij op
geen andere wijze ooit zou leren.
(SSV-11)
- Âtmâ:
ziel, maar ook: lichaam, geest,
zinnen.
- De ziel
is eeuwig, kwijnt niet weg, is zuiver, het
individuele, de kenner van het veld, het
oorspronkelijke vertrekpunt, het
onveranderlijke, zelf-verlichtte, de eigenlijke
oorzaak, de alles doorvarende, onafhankelijke en
onbeweeglijke. Door deze twaalf levenstekenen
van de ziel wordt een bewust persoon er toe
aangezet het valse begrip van 'Ik' en 'Mijn' op
te geven dat zijn oorsprong heeft in de illusie
van alles wat hoort bij het hebben van een
lichaam [7.7:
19-20].
-
Wezen van God en de mens,
- Zelfherinnering in verbondenheid met
Krishna,
- Einde van de ik-illusie (zie ahamkara).
Âtmâ:
Het Goddelijk Zelf (PV-6)
(PV-9),
de ziel (PV-19).
Zie ziel
(het woord heeft nu eens betrekking op het
lichaam, dan weer op de geest en ook op de
zinnen).
- 'Het komt niet en het gaat niet, heeft geen
handen of voeten, geen organen en ledematen; het
is zonder blaam of smet. Onder de kleinsten is
het het kleinste, onder de grootsten is het het
grootste. Het is overal, zoals de ruimte. Het is
alles; daarom is het vrij van 'ik' en 'mijn'.
Het Atma is bewustzijn, zoals vuur hitte is en
de zon het zonlicht - het heeft niets uitstaande
met verdriet of illusie; het is de allerhoogste,
eeuwigdurende verrukking (paramananda).
Het is de kern, het hart van alle wezens, het
bewustzijn in alles wat leeft. Het is de
'ziener' van alles wat te 'zien' is; het ziet
alle dingen die waarneembaar zijn'.
(SSV-22)
- Het Âtmâ, de kern van de mens,
wordt niet geboren. Omdat het niet wordt
geboren, kent het ook geen dood. De dood is iets
dat het lichaam overkomt, het omhulsel waarmee
het Âtmâ is verbonden en waarin het
geheel is opgenomen. De werkelijke dood is de
begoocheling die zegt dat het lichaam je diepste
wezen is, dat het lichaam echt is. Het gebukt
gaan onder die onwaarheid is het stervensproces.
Men bereikt de onsterfelijkheid wanneer men
bevrijd is van die illusie. Wat uiteenvalt is
het lichaam, niet het Âtmâ, de Ziel,
het Zelf. (SSV-22)
- Atmahaya:
Zelfvernietiging
(RRV-14a)
- Âtmâ-jyoti:
'het licht van de ziel'. Geestelijke
kennis.
- Atmananda:
Vrede en vreugde (PV-26)
- Atmarâma-(vers):
Sûta
zei: "De wonderbaarlijke kwaliteiten van de Heer
zijn van een dergelijke aard dat ondanks het
feit dat men behagen schept in de ziel, zowel de
gewone man als de wijzen vrij van alle
materiële bindingen, zuivere toegewijde
dienst verrichten ter wille van Urukrama:( ='de
grote, orde, regeling, gang') de Heer met de
grote stappen, Vâmanadeva, ook genaamd 'de
grote Avonturier'.) (SB, 1:7-10). [of:
"Wanneer door verstandelijke overwegingn
allerlei soorten van verlangens naar
zinsbevrediging zijn opgegeven, o Pritha, en een
gezuiverde staat der ziel door een gezuiverde
geest tot stand is gebracht, dan heet men
bovenzinnelijk gesitueerd te
zijn."]
- Âtmâ-tattva:
De ware
natuur van het Atma,
het atmische principe. De waarheid van het zelf.
Aanduiding
van essentiële kennis omtrent het verschil
tussen lichaam en ziel.
- Volmaakte kennis van de ziel zelf.
- De werkelijkheid van de ziel onder gezag van
regulatie (zie niyama).
- Aswija:
De zevende maan-maand, na de regentijd,
omstreeks september (PV-26)
- Atmanivedanam:
Overgave aan de wil van God, die men kan
kennen door gezuiverde intuÔtie
(PV-24)
- Atreya:
Verwijst naar de grote rishi
Atri, of Atreya. Klassieke Indiase Medische
Wetenschap wordt Ayur-veda genoemd.
(gezondheidswetenschappen en lang leven), de
twee hoofd-tradities van Atreya en Dhanvantari
[zie S.B. 8.8]. Later door
Charaka
gepresenteerd in de Charaka Samhitha (een
tekst voor diagnose en
prognose).
- Atri
Muni:
een van de tien mahârishi's geboren uit
Brahmâ. Ontving van Kardama zijn dochter
Anasûyâ ten huwelijk (S.B. 3.24:
22).
- Mediteerde voor een honderdtal jaren op de
berg genaamd Riksha en bereikte de zegen van de
halfgoden dat ze uit hem geboorte zouden nemen
(S.B. 4.1: 17-28).
- De vrouw van Atri Muni, genaamd
Anasûyâ, baarde drie zeer beroemde
zoons: Dattâtreya, Durvâsâ en
Soma (de maangod), welke (gedeeltelijke)
incarnaties van respectievelijk de Superziel
(Vishnu) zijn, heer S'iva en heer Brahmâ.
(S.B. 4.1: 15 en S.B. 9.14: 2).
- De wijze die betrokken was bij een conflikt
tussen Indra en Prithu over het stelen van een
paard (zie S.B. 4.19). [RRV2:1]
- AUM:
Oergeluid
(RRV-10c)
- Avadhûta:
iemand van volledige verzaking, iemand die zich
niet bezorgd om dingen van de wereld als kleding
of zelfs maar schoon zijn [zie b.v.
Rsabha].
Het sanskrit-woord Avadhûta
betekent letterlijk "afgeschud" en duidt iemand
aan op wie stof of vuil geworpen is; het
verwijst in het bijzonder naar een yogi die
uiterlijk smerig en naakt is als een aap, maar
innerlijk zo rein als een
dauwdruppel.
- 'Avasyam
anubhakthavyam, krtham karma subha
asubham?':
Welke goede of slechte handelingen men ook
verricht, de gevolgen zijn onvermijdelijk en
deze moeten worden gedragen of genoten.
(RRV-17c)
- Avatâr(a)
(Mâhâpurusha):
(letterlijk:
degeen die neerdaalt): God, een van Zijn
volkomen expansies of een van Zijn
vertegenwoordigers, die uit de geestelijke
wereld is "neergedaald" in het stoffelijk
universum om er de beginselen der religie te
herstellen. Goddelijke incarnatie, belichaming
van God (PV-11).
Nederdaling van de Opperheer. Twee soorten:
vibhûti- en aves'a-avatâra's: resp.
meer of minder machtig dan wel
gevolmachtigd.
- Avidyâ:
Onwetendheid,
onbenul.
- Avidyamaya:
Ondergedompeld
zijn in de illusies van de objectieve wereld en
in onwetendheid leven (PV-30)
- Âvritya:
verhulling
(van de ziel
door stoffelijkheid).
- Avyakta:
niet-geopenbaard, voor
onze beperkte blik niet
zichtbaar.
- Avyayam:
onveranderlijk. Eigenschap van de
ziel.
- Ayur-veda:
Klassieke Indiase Medische Wetenschap;
wetenschap van de geneeskunde.
|