Woordenlijst:
hier zijn de woorden verzameld die in de Vahini's op deze
site door Sai Baba zijn uitgelegd aangevuld met
woordbetekenissen uit het S'rîmad Bhâgavatam
en Bhagavad Gîtâ.
|A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|QR|S|T|U|V|W|XYZ|
Deze
lijst in het Engels
V
- Vajra:
Bliksemschicht, speciaal die van
Indra,
gevormd uit de beenderen van de wijze
Dadhîci.
- Vairagya:
Onthechting (PV-9);
zij die zich niet aan de wereld hechten
(PV-24)
- Vaijayantî:
Naam van de bloemenslinger gedragen door
Vishnu, de Allerhoogste
Persoonlijkheid.
- Vaishnava's:
toegewijden van Heer Vishnu
- personen die de vidhi's volgen: geen vlees,
vis, eieren, intoxicatie, illegitieme sex of
gokken met geld, en dagelijks zestien ronden
japa chanten. (zie ook Caitanya)
-
Persoon die het materiële leven heeft
opgegeven en leeft in volledige overgave aan
Vishnu
- Krishna
als de Allerhoogste en Zijn
vertegenwoordiger, de geestelijk leraar,
leeft. (zie ook bhakti)
- Een ieder die zijn leven aan Krishna wijdt
en in Hem de God van het Behoud, Heer
Vishnu
herkent.
-
Andere naam voor bhakta
of toegewijde.
- Bijvoeglijk gebruikt: aan de
vaishnava eigen.
- Vaishnava
voedselmantra:
Een van de mantra's die de Vaishnava's
gebruiken om hun voedsel te offeren voor
Krishna luidt:
namo
brahmanya-devâya
go-brâhmana-hitâya ca
jagad-dhitâya krishnâya
govindâya namo namah
'Mijn eerbetuigingen voor de godheid der
brahmanen altijd bezorgd om de koeien, de
brahmanen en het ganse universum, voor
Krishna, Govinda, mijn respektbetoon.'
[Zie ook: Prasâda
Sevâya,
de mantra die opgezegd of gezongen wordt
voordat men gaat eten]
- Vais'ya:
landbouwers
en handelaren.
Ze
voorzien in de levensbehoeften van de
samenleving en waken over het welzijn van de
dieren, met name van de koe.
Een
van de varna's
[zie varnas'rama]
- Vakya:
Goddelijke uitspraak (PV-26)
-
Vallabhacarya:
Indiase
filosoof en heilige ñ 15e eeuw.
[zie extra info over Vallabhacarya's
leven en
werk
& Sri
Vallabha
Acarya]
- Vâlmîki:
De
wijze die Sîtâ opving na haar
verbanning. Schrijver van de Ramâyana,
het epos over Râma
die de demon Râvana
verslaat;
[de grote yogî werd [uit het
zaad van Varuna] geboren uit een
mierenheuvel [vandaar zijn naam] en
inderdaad waren de twee wijzen Agastya en
Vasistha [als hun gemeenschappelijke
zoons] er ook uit Mitra [de tiende
zoon] en Varuna. (SB
6:18-5)]
- Vâmana
(-deva):
de Heer die incarneerde in de gedaante van
een dwerg, een brahmaanse jongen. (zie ook
Bali
Mahârâja
en
SB
8.18)
Een Vishnu-âvatara
die met het bedingen van een paar stappen
grond de hele wereld voor zich
opeiste.
- Vanaprastha:
De teruggetrokken levenshouding, doorgaans
derde levensfase tussen de 40 en 60 jaar.
Derde âsrama
van het varnâsrama-stelsel: het stelsel
van klassen (roepingen van dienstbaarheid en
geestelijke afdelingen; vormen van civiele
status). De term wordt veelal gereserveerd
voor zuivere toegewijden
(geÔnitieerden) die niet meer in de
tempel leven en hun nageslacht al verwekt
hebben of daar niet meer op uit zijn.
Levensfase van bezinning en voorbereiding op
de onthechte staat
(sannyâsa).
- Vanaprasthavratha:
Gelofte voor de derde levensfase
(PV-26)
- Vandanam:
Eerbied koesteren voor de natuur en
alles wat leeft (PV-24)
- Vântâsî:
['iemand die zijn eigen kots
opeet'] Als een verzaakte persoon van de
rivierbedding van het eeuwige weer opnieuw
raapt van het veld, opnieuw voorrang zou
geven aan de burgerlijke waarden van de
materialistische bezigheden van het
huishoudelijk leven, is zo een persoon
inderdaad een schaamteloze
vântâsî. (SB,
7:15-36)
- Vardhamana:
Plaats van ontwikkeling en
ontplooing (RRV-11a)
- Varna:
elk van de vier afdelingen van de samenleving
verdeeld naar de natuurlijke
funktieverrichting van haar leden.
- beroepsoriëntaties, beroepen,
roepingen.
- kleur.
In vieren:
- brahmana's: brahmanen, geestelijken en
intellectuelen.
- kshatriya's: bestuurders, officieren.
- vais'ya's: handelaren, en boeren.
- s'ûdra's: arbeiders en
handwerkslieden (zie ook vedische
samenleving).
Eerbiedigen van dit systeem geeft harmonie en
evenwicht in de samenleving. Als
kastenstelsel is het echter onderworpen door
Heer Caitanya die de liefde voor Krishna
voorop stelde (zie ook
SB 3.6:30-34
en
B.G.
4:13)
- Zie ook SB
11.23:
43
waar Krishna
deze klassen in verband brengt met de
verschillende geaardheden en kleuren.
- De
stam
vr
betekent 'beschrijving',
'zorgvuldige uitwerking' en ook het
proces van 'tellen'. De stamklanken
r en rn waaruit woorden
worden gevormd zoals 'ramana',
betekenen vreugde, plezier, enzovoort. Daarom
betekent 'varna':
na zorgvuldige overweging met blijdschap
aanvaarden. (SSV-17)
- Varnâs'rama:
systeem van de vier varna's
en asrama's
tezamen dat vÛÛr Heer Caitanya
nederdaalde werd gepredikt als de juiste
benadering om Krishna te dienen, maar daarna
voor de bhakti niet langer gold als het
uiteindelijk criterium van
onderscheid.
- Varnâs'rama-dharma:
ieders
plichtsvervulling naar geboorte en
geestelijke ontwikkeling (roeping en status).
[zie ook: vedische
samenleving
en vier
geestelijke
orden]
- Varsha
(varsa):
gebied, landstreek, land afgebakend door
bergketens. Er is een - galactisch,
universeel, bovenzinnelijk, holistisch -
centraal gebied genaamd
Ilâvrta-varsha waar Heer
Brahmâ
op de berg Meru
zit en waar Heer Shiva als enige de Hoogste
Persoonlijkheid verblijt. Daarnaast zijn er
nog acht varsha's naar alle kanten
zich uitstrekkend waarvan Bharata-varsha ook
de naam voor India is. (zie ook Srîmad
Bhâgavatam canto
5 hoofdstuk 16 en
17)
- Varuna:
De God van zeeën en wateren. De
alomvattende Heer van het universum, met
duizend ogen die de ganse wereld overzien; de
Heer der morele wetten. Later heeft Hij zijn
plaats van koning der Goden afgestaan aan
Indra en Prajapati (RRV-8)
en (SB,
10:28)
De halfgod die de oceanen
bestuurt.
- Vâsanâ:
geneigdheid
op basis van het karma. Hindernis in de eigen
konditionering en ervaring van mogelijk ook
vorige levens. Ook het huidige bewustzijn van
voorgaande waarnemingen. Dus ook trauma's,
herinneringen e.d. [SB
10.51: 60]
- Vasat:'voor
het Levend Wezen': Aldus verzocht voerde de
rtvik priester de ceremonie uit, met grote
aandacht met de ghee aan de slag om een begin
te maken met de offerande waarbij de brahmaan
de mantra 'vasat' ['voor het Levend
Wezen'] opzei (SB,
9:1-15)
- Vâsudeva:
Letterlijk: Onze Lieve Heer, de genadige God,
of Heer Krishna als de zoon van Vasudeva.
(SB,
C5-12-11)
- Vatsalya:
Moederliefde (PV-19)
- Veda:
(kennis) geestelijke kennis, zie
ook
sruti.
- De oorspronkelijke Veda, in vieren
verdeeld (zie Veda's).
- Veda's:
[zie ook Vedas]
De oudste heilige Geschriften van de Hindoes.
Zij bevatten de Sanathana Dharma, de tijdloze
geestelijke wet, die leert dat de eeuwige
plicht van ieder levend wezen is, om God te
dienen. (RRV-1)
(PV-14)
Veda's:
omvatten de vier Veda's (de Rik,
Yajus, Sâma en Atharva) en
de honderdacht
Upanisads,
die het filosofische gedeelte behelzen, en de
aanvulling daarop: de achttien Purana's met
het Srîmad Bhâgavatam als de
Bhagavata Purâna, het
Mahâbhârata (waarvan de
Bhagavad-gîtâ deel uitmaakt), de
Vedânta- sûtra. De avatâra
Vyâsadeva
stelde hierin vijfduizend jaar geleden de
hele geestelijke kennis te boek, welke
oorspronkelijk door Krishna Zelf werd
overgeleverd langs de mondelinge weg. (Tot de
Vedische Schriften behoren verder alle
paramparâ-geschriften,
zoals het Râmâyana,
de Bhakti-rasâmrta-sindhu, de
Caitanya-caritâmrita
enz.).
- Oorspronkelijk door
Vyâsa
in vieren gedeelde geestelijke erfgoed van de
vedische cultuur:
- Rk of
Rigveda: 1028 verzen over offers brengen
aan goden en de schepping van de mens uit de
Purusha;
- Sâma:
liederen ter begeleiding van de offers;
- Yajus:
mantra's in de maancultuur, en de
-
Atharva-veda:
mystieke hymnen.
Latere literatuur, de purâna's
(Gîtâ,
Bhâgavatam,
Mahâbhârata)
wordt tot de vijfde Veda gerekend.
- Er wordt ook wel eens gesproken van de
drie Veda's met weglating van de
laatste primaire oorspronkelijke Atharva veda
over de mystieke hymen. De driedeling in
vedische principes in deze samenhang verwijst
naar upâsanâ: offers, lied en
gebed; karma: vruchtdragende arbeid,
jnana: spirituele kennis.
De stam
van het woord 'Veda' is 'vid',
ofwel 'weten'. Toen het 'weten'
begon, maakten ook de Veda's zich
bekend. (SSV-10)
'Vidana thu anena ithi Vedah': 'Dat
wat ons alle kennis openbaart en verklaart is
Veda' (SSV-22)
- Vedânta:
(kennis-einde):
de conclusies van de vedische kennis zoals
neergelegd in de Bhagavad
Gîtâ,
Vedânta-sûtra en de
Upanishads
en vervolgens in het Srîmad
Bhâgavatam,
die de hoogste realisatie onderrichten van de
Absolute Waarheid: overgave aan
Krishna;
de essentie van de vedische filosofie.
Gedurende de "scholastische periode"
(700-1700), werden er drie hoofdvariaties van
de klassieke vedanta ontwikkeld:
1) Advaita Vedanta, of zuiver nondualisme,
vertegenwoordigd door Shankara
(788-820);
2) Vishishtadvaita Vedanta, of gekwalificeerd
nondualisme, in zijn volheid uitgedrukt in de
vaishnavadoctrine van Ramanuja's.
(1017-1137);
3) Dvaita Vedanta, voorgestaan door de
Vaishnava heilige Madhva
(1197-1278).
In totaal onderscheidt men zes scholen
gegrondvest door:
- Ramanuja 1017-1127 Visistadvaita de
aangepaste, of gekwalificeerde
Niet-dualistische school. Wel eenheid, maar
de individuele zielen verschillen.
- Madhva 1197-1273 dvaita de dualistische
school.
- Nimbarka laat C13? dvaitadvaita de
dualistische- non- dualistische school.
- Vallabha c1480-c1530 Shudda Advaita de
zuivere advaita school.
- Caitanya 1485-1533 acintya bhedabheda
tattva: ondoorgrondelijke eenheid in
verscheidenheid. [deze school is de
school van
Prabhupâda]
-
Baladeva vroeg C18th Acintya Bhedabheda
volgeling van Caitanya.
- Vedânta-sûtra
of Brahma-sûtra:
Filosofische verhandeling van
Vyâsadeva,
bestaande uit aforismen (sutra's)
betreffende het wezen van de Absolute
Waarheid, door hem geboekstaafd als konklusie
van de Vedische kennis.
- Verlichting:
zie
bevrijding.
- Vermogens
van de Heer verdeeld in de samvit,
sandhinî and
âhlâdinî vermogens -
Krishna's
vermogen tot existeren, Zijn vermogen tot
kennis en Zijn vermogen tot plezier - zijn
verschillend van yogamâyâ. Ieder
is een apart vermogen.
- De Allerhoogste Heer Zijn (vrouwelijke)
interne vermogens van het geluk (S'rî),
de voorspoed (Pushthi, of ook wel kracht), de
spraak (Gîr of kennis), de schoonheid
(Kânti), de roem (Kîrti),
tevredenheid (Tushthi of verzaking - deze
eersten zijn Zijn zes vermogens), comfort
(Ilâ, bhu-s'akti, het aarde-element of
sandhinî) en macht (ûrjâ
expanderend als Tulasî); Zijn vermogens
van weten en niet weten (vidya and avidya,
leidend tot bevrijding en gebondenheid); Zijn
inwendig vermogen tot plezier (S'akti or
hlâdinî), Zijn marginaal
vermogen (of jiva-s'akti) en Zijn creatief
vermogen (Mâyâ). (zie
10.39:
53-55)
- Spirituele vermogen van de Heer, welk kan
worden verdeeld in drie categorieën -
hlâdinî, het vermogen van de
verrukking; sandhinî, het vermogen van
het eeuwigdurend bestaan; en samvit, het
vermogen der alwetendheid.'Dit is een andere
formulering van de goddelijkheid in de termen
van sat-cit-ânanda;
Krishna als zijnde eeuwigheid, bewustzijn en
gelukzaligheid.
- Vibhuti:
Heilige as. Deze is het symbool van het Atma,
namelijk dat wat overblijft, wanneer al het
vergankelijke is verbrand. Het betekent ook:
het vermogen waarmee God de gehele schepping
bestuurt, bovennatuurlijk vermogen; de
bescherming van de mensheid door de
Heer.
- Vidhâta:
Heer
der Regulatie (SB,
9:4-62)
- Vidhi(-'s):
(van vidha, in orde brengen) regulerende
beginselen: geen vlees eten [zie e.g,
10.1:
4],
geen illegitieme sexualiteit en geen
intoxicatie of gokken. Ze zijn afgeleid van
de eeuwige waarden resp. dayâ, sauca,
satya, tapa; mededogen, zuiverheid of trouw,
waarheid, en soberheid of boete. (SB.
1.
17: 24).
- Vidya:
Kennis (tijdloze) (PV-14)
- Vidyâdhara's:
'zij die zich baseren op kennis'.
- Vidyamaya:
Streven naar inzicht in de innerlijke
werkelijkheid (PV-30)
- Vigata-jvara:
zonder luiheid, opwinding of lafheid; wakker
zijn: Krishna's pleidooi tegen het
pragmatisme (gemakzucht).
- Vigraha:
gedaante. Arca-vigraha:
Zijn beeltenis (zie ook murti)
- Vi-jnana:
Over
een diep inzicht beschikken (PV-24)
Hoogste wijsheid; onderscheidingsvermogen van
het intellect; spirituele wijsheid voorbij
het materiële (SSV-20)
- Vijnanin:
Wetenschapper; wijs persoon; iemand die op de
juiste manier spirituele 'macht - vermogen'
heeft ontwikkeld en toegepast. Mensen die
begenadigde, toegewijde gelovigen waren en
die in het dagelijkse leven de goddelijke
kracht spontaan konden demonstreren.
(SSV-22)
- Vikara:
gelijkmoedig blijven, zich geestelijk
niet heen en weer laten slingeren
(PV-22)
- Vikarma:
ongewenste
aktiviteiten. Oorzaak van vallen: verwijderd
raken van Krishna.
- Vikriti:
- Er zijn negen soorten van scheppingen: de
drie geaardheden van de materie [naar
prakriti:
hartstocht, goedheid en onwetendheid], de
drie kwaliteiten naar deze geaardheden
[naar vikriti: beweging, kennis en
onbeweeglijkheid], en de drie soorten van
voleinding welke dan de materiële
verdelingen van de tijd vormen [naar
kâla:
het ten hemel varen van de mensen, het
uitsterven van de diersoorten en het eindigen
van de planten samen met het universum]
S.B.
3.10:14.
- Vimâna:
(van
vi: los van, orde, in toenemende mate,
en mâna: gebouw, altaar,
maatregel, maar ook: mening, notie en idee)
paleis, vliegtuig, hoog in de lucht oprijzend
gebouw, verheven verblijfplaats of
transportmiddel of ook tempel. Ook het idee
van vimâna als zijnde een
afzonderlijk idee of een mening of een
algemeen idee van orde dat op zich staat moet
in overweging worden genomen met het verstaan
van dit begrip dat vaak gebruikt wordt in de
context van het naar de hemel gaan.
- Als transportmiddel of hemels voertuig: zie
SB. 4.3:
12,
4.12:
19,
6.2:
44.
- Als paleis: zie SB, 3.23:
45.
- Als hoog oprijzend gebouw: SB,
2.9:
13.
- Als een tempel in: SB, 11:
10: 24.
-
Als een notie van orde in: SB,
11:
10: 25.
- Als een hogere geest in: SB,
11.30:
40.
- Sommige vertalers spreken ook van vliegende
paleizen en er zijn zelfs speculanten die
verbanden leggen met vliegende
schotels.
- Vimûdha:
verdwaasd, begoocheld, verward,
onbewust
- Vinaya:
Zachtmoedig (PV-24)
- Vipra:
geleerde in vedische
wijsheid.
- Viradha:
Viradha
was als mensenetende reus ter wereld gekomen
ten gevolge van een aan zichzelf te wijten
vervloeking, die zijn goddelijke meester
Kuvera over hem had uitgesproken. In
zijn vorige leven had hij Kuvera gediend, als
een van een schare hemelse engelen, de
Gandharva's. Kuvera had later
medelijden met Viradha gekregen en hem
beloofd dat zijn leven als demon zou eindigen
op hetzelfde ogenblik dat hij door een pijl
uit Râma's boog zou worden gedood. Hij
zou dan wederom in Kuvera's nabijheid mogen
verkeren als Gandharva.
(RRV2-1)
- Virâth-purusha:
het universum als de oorspronkelijke persoon;
de zichtbare persoon van de Heer als het
geheel van alle stoffelijke
openbaringen.
- Virâth-rûpa:
grote (cosmische) gedaante of universele
gedaante van Krishna.
Zijn uitwendige manifestatie zoals in
tweede
canto, eerste
hoofdstuk,
van het S'rîmad
Bhâgavatam
beschreven.
- De gedaante die
Krishna,
Arjuna
op het slagveld toonde, zoals beschreven in
hoofdstuk
elf van de
Gîtâ.
- Virat
svarupa:
De levende vorm van de Heer
(PV-12)
- Vishnoh
smaranam:
Gods beeld voor ogen houden (PV-24)
- Vishnu:
God
de behouder, heerser over de geaardheid
goedheid. Komt voort uit Sankarsana, wordt in
drieën gekend als
purusha-avatâra.
- Mahâ-Vishnu of
Kâranâranavasâyi
Vishnu uit wiens poriën alle
universa verschijnen.
- Garbhodakasâyi Vishnu voor
ieder universum op een slangenbed gelegen en
Heer Brahmâ met de gehele
verscheidenheid voortbrengend.
- Ksirodaksâyi Vishnu: voor iedere
bestaansvorm lokaal aanwezig als het
Paramâtmâ of God in het hart.
- Zie voor een beschrijving van de
Vishnu-avatâra's het
Srîmad Bhâgavatam
Canto
2 hoofdstuk
7.
- Visishtadvaitha:
Gekwalificeerd non-dualisme, waarin de
liefde, de liefhebbende en de geliefde, of de
wereld, de individuele ziel en God weliswaar
als één worden beschouwd, maar
toch te onderscheiden zijn. Maar ze zijn echt
één (PV-19)
- Vis'vakosa:
Een oud Sanskriet
woordenboek.
- Vis'vâmitra
(Kausika):
Rishi.
Een beroemde wijze in de tijd van
Râma
die met een offer Zijn eer verdedigde van het
feitelijk met Lakshmana (broer van
Râma), gedood hebben van de vijand
[zie SB 9.10:
5
en RRV-6b].
'de weldoener van de gehele wereld'
(SSV-17)
- Vitthala:
Een naam voor
Vishnu
en Krishna.
Onder deze naam wordt Krishna vereerd in de
stad Pandharpur.
- Visvaksena:
de Heer wiens machten door het gehele
universum heen worden aangetroffen (zie ook:
SB
C6:8-29)
- Viswaguru:
de
Leraar van alle schepselen (SSV-14)
- Viveka:
Onderscheidingsvermogen, inzicht
(PV-2)
(PV-7);
die het ware van het onware weten te
onderscheiden (PV-24)
- Vlees:
Het is uit gebrek aan geestelijke kennis
dat men vlees eet, terwijl vlees eten van
zijn kant het aannemen van geestelijke kennis
bemoeilijkt.
- Voedsel:
'Het
voedsel dat we gebruiken, behoort smakelijk,
versterkend en aangenaam te zijn. Het moet
niet te heet of te zout zijn. Er moet
harmonie en evenwicht zijn' [Parel van
wijsheid door Sathya Sai
Baba].
- Voedselmantra:
Een
van de mantra's die de Vaishnava's gebruiken
om hun voedsel te offeren voor Krishna
luidt:
- namo
brahmanya-devâya
go-brâhmana-hitâya ca
jagad-dhitâya krishnâya
govindâya namo namah
'Mijn
eerbetuigingen voor de godheid der brahmanen
altijd bezorgd om de koeien, de brahmanen en
het ganse universum; voor Krishna, Govinda,
mijn respektbetoon.'
- zie ook: Brahmârpanam,
lied gezongen voor het nuttigen van voedsel,
Prasâda
Sevâya:
'lied ter verering van het spirituele
voedsel' en Bhoga-ârati,
'lied bij het aanbieden van voedsel'.
- Voorbeelden:
'Men
leert het meest van voorbeelden, niet van
voorschriften' [Parel van wijsheid door
Sathya Sai Baba].
- Vrattha:
Zich aan de juiste gedragsregels houden
(PV-24)
- Vriendschap:
'Vriendschap is de uitdrukking van
onwankelbare liefde - een liefde die
grootmoedig, zuiver en vrij van begeerte of
zelfzucht is.' [Parel van wijsheid door
Sathya Sai Baba]
- Vriksha:
"groeien, voortbrengen, verbouwen" , of
met, " uitgraven, ontwortelen " , of met, als
" dat wat geveld is ", een boom, (esp.) elke
boom die zichtbaar bloemen en fruit
voortbrengt; maar ook gebruikt voor elke boom
en andere planten, vaak = hout; de stam van
een boom; een kar, kist, doodskist; de staf
van een boog; een lijst; een opwekkend
middel, een stimulant. (zie ook
bomen)
- Vrindâvana:
('trosjeswoud') - bedevaartsplaats op de
plaats waar Krishna Zijn jeugd doorbracht. De
bovenzinnelijke verblijfplaats van Heer
Krishna.
Wordt ook wel Goloka Vrindâvana of
Krishnaloka genoemd. Het dorp
Vrindâvana in het Mathurâ
District van Uttar Pradesh, India, waar
Krishna vijfduizend jaar geleden verscheen,
is een manifestatie op aarde van Krishna's
verblijfplaats in de geestelijke
wereld.
- Vyabhichara
bhakthi:
Onzuivere toewijding (PV-31)
- Vyâsa(deva)
(ook
bekendstaand als Krishna -
Dvaipâyana
en ook Bâdarâyana in
SB
10:60-1]:
auteur(s) van
Gîtâ
en
S'rîmad
Bhâgavatam,
Mahâbhârata,
en de
Vedânta-sûtra.
Comprimeerde de vedische kennis. Leraar van
Sanjaya.
Leerling van
Nârada
Muni.
De grootste filosoof van de oude tijd, deelde
de
Veda
in vieren. Wordt gezien als een inkarnatie
van
Vishnu,
gemachtigd tot het verrichten van literaire
aktiviteiten. [zie ook SB
1-7:6]
|