ramkatha-titel.gif (4275 bytes) 




 

 

 

 

Hoofdstuk 18
De sandalen op de troon
[
in het Engels]

 

ramaklein.jpg (51576 bytes)Op de zesde dag van hun verblijf riep Bharata zijn broer Shatrughna, zijn eigen adjudanten en zijn volgelingen bijeen nadat de ochtendriten - de rituele wassing, de gebeden en de eredienst voor de dageraad - waren voltooid. Hij wachtte op een gunstig ogenblik om Rama aan te spreken, en toen dat was aangebroken, verrees hij plotseling van zijn zitplaats en verzamelde voldoende moed om zich aan Rama's voeten te werpen. Daarna stond Bharata met de handpalmen tegen elkaar en sprak met diepe eerbied: 'O, teken van belofte op het voorhoofd van het koninklijk geslacht van Ikshvaku! U hebt al mijn wensen in ieder opzicht vervuld. U hebt om mijnentwil besloten velerlei ellende te ondergaan en moet nu vele ongemakken verduren. Heer! Ik wacht op Uw bevelen. Ik zal de komende veertien jaar doorbrengen wachtend op Uw terugkeer en U dienend in Ayodhya. Toon mij welk pad ik moet volgen om mij aan het einde van die periode te kunnen verlustigen in de aanblik van Uw lotusvoeten. Leer mij hoe ik de moed zal kunnen vinden om veertien jaar lang Uw afwezigheid te overleven. 

Rama! Uw onderdanen, hun familie, de bevolking van dit enorme keizerrijk, de brahmanen, de schriftgeleerden - zij zijn allen oprechte zoekers op het spirituele pad. Zij zijn met U verbonden door hun gevoelens van eerbiedige toewijding. Zij ontlenen de kracht om hun leed te dragen aan de liefde die U voor hen koestert. Zelfs het bereiken van de zelfverwerkelijking laat mij onverschillig als de prijs die ik ervoor moet betalen is dat ik van U gescheiden ben. U weet wat er in het innerlijk van Uw dienaren leeft en U kent hun diepste verlangens. Van nu af aan zult U mijn gids zijn en mij leiden naar het doel. Het is deze overtuiging die mij schraagt en mij de kracht schenkt om te leven. Het is deze innerlijke zekerheid die mij alle pijn en verdriet doen beschouwen als dorre bladeren die verwaaien in de wind. Totnutoe heb ik tegen U uitgeweid over mijn smart alsof ik er zwaar onder gebukt ging. Dat was een tekortkoming mijnerzijds; aarzel niet mij om deze fout te berispen.' 

Toen zij Bharata aldus hoorden spreken, prezen de aanwezigen hem om deze getuigenis en gaven blijk van hun bewondering. Zoals Hamsa, de hemelse Zwaan, in staat is de melk te scheiden van het water waarmee het vermengd is en slechts de melk drinkt, zeiden zij, zo had Bharata de waarheid van de onwaarheid gescheiden en niets dan de waarheid gesproken. 

Rama, die vol mededogen is jegens hen die bedroefd zijn, hoorde deze woorden aan die recht uit het zuivere hart van zijn broer kwamen. Rama antwoordde overeenkomstig de omstandigheden, de tijd en de plaats. 'Broer! Voor jou die in Ayodhya woont en voor ons die in het woud verblijven, is er de Ene die ons aller hoeder is, die ons beschermt en koestert. In het wereldse leven van alledag kun je je verlaten op Vasishtha, je goeroe, en op keizer Janaka; zij zullen je steunen en leiden. Geen zorgen kunnen jou of mij deren, zelfs niet in onze dromen; neen, dat is onmogelijk. Het is onze hoogste plicht de bevelen van onze vader nauwgezet op te volgen; slechts dan zal ons al het goede waarop wij hopen deelachtig worden; alleen dan kunnen wij eeuwige roem oogsten. Dat is de weg die ons door de Veda's is gewezen. De Veda's verklaren dat hij die de bevelen gehoorzaamt van zijn goeroe, zijn vader en zijn moeder en het juiste pad volgt, voor allen een nobel voorbeeld is. 

 

 

Wees je immer van deze waarheid bewust; werp je rouwkleed af; aanvaard de last van het bewind; regeer de komende veertien jaar over het keizerrijk met rechtvaardigheid en oprechtheid als je hoogste idealen. De koning is het gezicht van de staat, want dat lichaamsdeel is de ingang voor het eten en drinken dat alle ledematen van energie voorziet en tot leven wekt. De koning voedt en sterkt alle geledingen van zijn volk. In de geest van de mens ligt alles besloten waarvan hij houdt en alles waarvan hij een afkeer heeft. Evenzo is de koning het centrum van alle stromingen en strategieën in het politieke leven.' Rama zette velerlei nuttige doctrines uiteen van de politieke ethiek. Doch Bharata was te onrustig om door Rama's raadgevingen zijn innerlijke vrede te hervinden. De moeders, de pundits en de ministers stonden erbij alsof zij verdoofd waren, want ook zij werden beheerst door de gedachte dat het ogenblik was aangebroken om afscheid te nemen. Plotseling maakte Rama, in zijn oneindige barmhartigheid, zijn sandalen los en gaf ze aan Bharata. Deze nam de sandalen vol eerbied aan en zette ze op zijn hoofd. De tranen stroomden uit zijn ogen zo overvloedig als waren het de Ganges en de Yamuna. 

Bharata kon geen woorden vinden om zijn vreugde te uiten. 'Dit zijn niet louter sandalen zoals ze gedragen worden door de Oceaan van Genade! Dit zijn de hoeders van leven en voorspoed van het ganse mensdom. Dit zijn schatkisten die alle juwelen van Rama's broederliefde in zich bergen. Zij zijn de zware deuren die de toegang beveiligen tot het fort waarin de koninklijke roem van het Raghu-geslacht wordt bewaard. Zij zijn de twee handen die voortdurend louter goede daden verrichten. Dit zijn waarlijk de ogen van het universum. Zij vertegenwoordigen Rama en Sita die ons vergezellen in deze vorm.' 

Aldus prees Bharata de 'sandalen'; hij danste eromheen uit pure vreugde en dankbaarheid. Alle aanwezigen vielen aan Rama's voeten uit erkenning voor zijn verheven genade. 

Bharata wierp zich voor Rama ter aarde en bad Hem om toestemming om te vertrekken. Rama was ermee ingenomen dat Bharata de sandalen met zoveel voldoening had aanvaard. Hij trok zijn broer naar zich toe en hield hem vol liefde en vreugde in een korte, stevige omhelzing. Ook Shatrughna wierp zich aan Rama's voeten; Rama omhelsde hem eveneens vol warme genegenheid en gaf hem tevens allerlei richtlijnen voor het landsbestuur en het uitvoeren van de vele taken die hij op zich zou moeten nemen. 'Beschouw Bharata als Rama zelf' sprak Hij tot Shatrughna. 'Sta hem bij met raad en daad en help hem in het hele rijk vrede en voorspoed te brengen.' Toen omhelsden Bharata en Shatrughna Lakshmana vol broederlijke liefde, zeggend: 'Broer! Jij hebt het wel bijzonder gelukkig getroffen. Fortuinlijker dan jij kan men niet zijn. In alle werelden is er niemand die zo door het lot gezegend is.' Zij prezen Lakshmana naar hartelust en vroegen daarna te mogen vertrekken. Lakshmana omhelsde zijn broers hartelijk en zei dat de 'sandalen' van Rama de bron zijn van alle gouden beloften en dat zij zich door het ontvangen van dit geschenk gelukkiger mochten prijzen dan wie ook. Hij ried hun aan zich het geschenk waardig te tonen en zo Rama's eeuwige genade te verwerven. 'Beschouw dit van nu af aan als jullie opdracht', bond hij hen op het hart. 

Even later begaven de broers zich naar Sita's verblijf en wierpen zich aan haar voeten. Bij de aanblik van Sita werden zij door verdriet overmand en barstten zij in snikken uit. Zacht en teder troostte en bemoedigde zij hen. 'Is er dan niets anders op de wereld dan Rama's wapenrusting om de mens te beschermen? Jullie zijn werkelijk gezegend. Die veertien jaar zullen zo snel verstrijken als veertien seconden en als Rama is teruggekeerd, zal het keizerrijk zich verheugen in vrede en voorspoed. Voer de regeringstaken uit met geduld en toewijding en wijk zelfs geen duimbreed af van de door Rama gegeven richtlijnen. Door deze strikte gehoorzaamheid zullen de vruchten van je streven je in de schoot geworpen worden.' 

Vervolgens begaven de broers Bharata en Shatrughna zich rechtstreeks naar keizer Janaka en wierpen zich met voorbeeldige eerbied aan diens voeten. Zij spraken: 'Heer! Uw medeleven jegens ons is zo groot dat u naar Ayodhya kwam zodra u hoorde dat onze vader was heengegaan en dat Rama naar het woud was verbannen. U hebt met eigen ogen gezien in welk een benarde toestand wij verkeerden en ons in die kritieke tijd met troostende woorden bijgestaan. Uw wijze raad heeft ons geholpen onze geestkracht te hervinden. Om gehoor te geven aan uw diepste verlangen hebt u zich de inspanning getroost hier naar het oerwoud te komen. U hebt gedeeld in onze smart en het uwe bijgedragen toen wij onze smeekbede tot Rama hebben gericht om Hem tot terugkeer te bewegen. Toen ons smeken vergeefs bleek te zijn, hebt u ons getroost en ons geleerd onze teleurstelling en ons verdriet te dragen en ons verrijkt met uw zegen. Wij betuigen u daarvoor onze eerbiedige dank. Wat kunnen wij verder nog zeggen of doen? Uw zegen zal ons meer dan wat ook geven wat wij nodig hebben: bemoediging en kracht.' Janaka luisterde naar deze woorden die met zoveel oprechtheid en dankbaarheid door de twee broers werden uitgesproken. Hij was vol waardering voor hun reacties en hun gevoelens, voor hun karakter en hun gedrag; hij drukte de broers aan zijn borst en streelde hen liefdevol over het hoofd. Hij sprak: 'Zoons! Mogen jullie het pad volgen dat door Rama gewezen is en mogen jullie daarmee zijn genade verwerven. Ik zal mij van hieruit rechtstreeks naar Mithila begeven.' 

De ministers, onderkoningen, brahmanen, wijzen, asceten en anderen die met de broers meegekomen waren, gingen één voor één naar Rama, Lakshmana en Sita en wierpen zich ten afscheid aan hun voeten; toen richtten zij hun schreden huiswaarts, hun hart vol droefenis. 

Sita, Rama en Lakshmana begaven zich naar het verblijf van de moeders en wierpen zich voor hen ter aarde. Zij troostten de koninginnen door te zeggen: 'Maak u niet de minste zorgen. Vul uw dagen met het juist vervullen van uw taken en plichten. Houd steeds de wensen en idealen voor ogen die vader ons heeft voorgehouden.' Zijzelf, zeiden zei, zouden de periode van veertien jaar in geluk en vrede doorbrengen; die tijd zou zo snel overbrugd worden alsof het veertien seconden waren; daarna zouden zij vol blijdschap naar Ayodhya terugkeren. Hun woorden vervulden de koninginnen met nieuwe hoop. 

Zij wierpen zich aan Kaikeyi's voeten en verzekerden haar dat zij niet in het minst verantwoordelijk was voor Rama's verbanning naar het woud en dat zij als voorheen hun eerbied en bewondering waardig was. Het was immers nooit haar bedoeling geweest enig kwaad aan te richten, zeiden zij. Zij beloofden haar dat zij allen haar steeds in hun gebeden zouden gedenken en smeekten haar tijdens hun verblijf in het woud niet bezorgd over hen te zijn. Zij spraken haar zoveel moed in dat zij de last van haar berouw zou kunnen dragen. 

'Bharata heeft destijds overhaast en onbehoorlijk tegen u gesproken, in een vlaag van blinde razernij, toen hij plotseling werd geconfronteerd met tweeërlei onheil: de dood van zijn vader en verbanning van zijn broer. Hij was ziedend van woede toen hij de persoon tegenover zich zag die hij verantwoordelijk achtte voor die gebeurtenissen. Hij hield zelfs geen rekening met het feit dat u zijn moeder was!' Rama, Sita en Lakshmana baden haar Bharata dit voorval niet aan te rekenen; zij smeekten haar om Bharata die misstap te vergeven. 

Terwijl Rama sprak, hield Kaikeyi de ogen neergeslagen uit schaamte bij de herinnering aan haar zonde. Zij waagde het niet Rama recht in het gelaat te zien. 'Ach', dacht zij bij zichzelf, 'dat ik toch degene moest zijn die deze zoon zoveel ellende en leed heeft berokkend; deze zoon wiens hart zo vol mededogen is en die niets dan deugden bezit, een zoon van het zuiverste goud. Ben ik niet de oorzaak dat Hij jarenlang in dit angstaanjagende oerwoud moet leven? O, wat een duivelse daad heb ik begaan! Was het echter uit eigen beweging dat ik die daad beging? Of was het Rama's wil dat ik zijn instrument zou zijn bij dit keerpunt in de geschiedenis? Wat ook de waarheid moge zijn, er is niet aan te ontkomen; ik heb een zeer grote zonde begaan.' 

Kaikeyi werd door smart overweldigd bij de gedachte aan een verleden dat zij niet ongedaan kon maken. Zij hield Sita's beide handen stevig in de hare en smeekte om vergiffenis. Doch onmiddellijk voegde zij eraan toe: 'Neen, neen. Het is niet juist een zondares te vergeven die een zo zuivere en tedere jonge vrouw zulk ondraaglijk leed heeft aangedaan.' Zo bleef Kaikeyi lange tijd haar ongelukkig lot beklagen. Iedereen uit Ayodhya nam afscheid van Sita, Rama en Lakshmana zodra hij daartoe de kans kreeg. Daarna stegen zij in gepaste volgorde in hun rijtuigen. Voordat zij afreisden, liepen Sita, Rama en Lakshmana langs iedere wagen om elke inzittende te troosten, te bemoedigen en te overtuigen dat hun vertrek noodzakelijk was. Zij wierpen zich aan de voeten van Vasishtha en betuigden hun spijt dat zij hem en zijn gemalin zoveel last hadden bezorgd; zij zeiden het zeer te betreuren dat zij hem en zijn gade niet hadden kunnen dienen zoals zij hadden gewild en zoals de plicht dat van hen eiste. Daarna vroegen zij zijn toestemming om zelf in het woud te blijven. 

Nu was Vasishta een brahmajnani - een persoon ingewijd in de godskennis en een groot ziener (maharishi), dus wist hij wat er omging in de harten van Sita en anderen. Hij besefte hoe groot de toewijding en nederigheid waren van Sita en de broers en hoe nauwgezet zij het pad van dharma volgden. Vasishta en zijn gade konden zich niet van Rama's aanwezigheid losmaken, zozeer waren zij gehecht aan de deugden die Rama belichaamde. Het beeld van dit drietal, dat langs het pad door het oerwoud stond, afscheid nemend van elke passerende wagen en zijn inzittenden, deed het hardste hart smelten. Vasishtha en Arundhati waren zeer geroerd toen zij dit bewijs van hun alomvattende liefde aanschouwden. 

Toen ontwaarde Rama de hoofdman der Nishada's, die te midden van zijn stamgenoten voor Hem stond. Hij liep met uitgestrekte armen op hem toe en omhelsde hem met meer warmte en genegenheid dan Hij zelfs zijn eigen broer had betoond toen Hij deze aan zijn boezem drukte. Hij troostte Guha en deed een liefdevol beroep op hem om tot kalmte te komen en het afscheid met wijsheid te aanvaarden. Guha kon niets veranderen aan de loop der gebeurtenissen, dus wierp hij zich aan Rama's voeten, stond met bezwaard gemoed weer op en liep weg. Hij hield zijn ogen op Rama gevestigd zolang hij een glimp kon opvangen van deze belichaming der liefelijkheid. 

Sita, Rama en Lakshmana stonden onder een wijdvertakte boom tot de laatste wagen uit het zicht was verdwenen. Ondertussen maakte ook keizer Janaka aanstalten om naar Mithila te vertrekken, aan het hoofd van zijn gevolg. Rama en Lakshmana wierpen zich ter aarde voor Rama's schoonvader en schoonmoeder, en ook Sita wierp zich aan de voeten van haar ouders. Dezen omhelsden haar en streken haar met liefdevolle tederheid over het hoofd. Zij spraken: 'Dochter! Je moedige vastberadenheid en de toewijding aan je echtgenoot zullen ons grote roem brengen. In jou zijn onze familie en ons gehele geslacht geheiligd. Eens moeten wij een belangrijke gelofte hebben ingelost en grote ascese hebben betracht, anders was jij niet in onze familie geboren.' Zij overlaadden Sita met loftuitingen en gaven blijk van hun vreugde en bewondering. Zij spraken met grote stelligheid: 'Sita! Het zal je aan niets ontbreken, want Rama is je levensadem zolang je in zijn schaduw leeft. Bedenk echter dat, aangezien Rama en jij twee verschillende entiteiten zijn, je nu en dan het hoofd zult moeten bieden aan moeilijkheden en verwarring. Dit zijn louter spelingen van het lot en overtrekkende wolken, meer niet.' Janaka bracht hun vele vedantische wijsheden in herinnering om hen te bemoedigen en gerust te stellen. Toen verlieten ook hij en zijn gemalin het kluizenaarsverblijf en begaven zij zich op het pad dat hen uit het woud zou leiden. 

Sita, Rama en Lakshmana bleven staan in de schaduw van die grote boom tot ook het gezelschap uit Mithila aan hun oog onttrokken werd. Toen keerden zij terug naar hun simpele hut. Daar uitte Rama zijn vurige bewondering voor de toewijding en het geloof van Bharata en Shatrughna, hun voorbeeldige liefde en trouw en de liefdevolle aanhankelijkheid der onderdanen van het keizerrijk; Sita en Lakshmana luisterden aandachtig naar Rama's beschrijving en deelden zijn gevoelens. Er was droefheid in hun hart, want zij hadden hen allen nog zo gaarne bij zich gehouden. Telkenmale als zij tijdens het gesprek herinnerd werden aan Dasharatha's dood, stroomden de tranen over hun wangen als zij terugdachten aan de liefde hij altijd voor hen gekoesterd had. Toen Rama bemerkte in welke gemoedstoestand zij waren, verlichtte een glimlach zijn gelaat; Hij hield een langdurig betoog over het geheim van het leven en over de sleutel die dit geheim kon ontraadselen. Zo brachten zij die gedenkwaardige dag verder door, in de stilte van het woud. 

De stroom van mensen die intussen uit het woud was gekomen en zich thans in de bevolkte omgeving van Ayodhya bevond, - de asceten, de brahmanen, de wijzen, de gebroeders Bharata en Shatrughna, de koninginnen Kausalya, Kaikeyi en Sumitra, de ministers en de enorme menigte burgers uit Ayodhya - werd de last van verdriet schier ondraaglijk en zwaarder naarmate zij verder van Rama verwijderd waren en dichter bij de hoofdstad kwamen. Zij haalden onderweg weer herinneringen op aan de gebeurtenissen tijdens de vijf dagen die zij in Rama's tegenwoordigheid hadden doorgebracht. Zij waren vol bewondering voor de idealen die door Rama werden belichaamd en die Hij hun ter navolging had voorgehouden, alsook voor zijn liefde, mededogen en toegenegenheid. Nergens werd stilgehouden om te eten of zelfs om te slapen, want niemand had honger of voelde de neiging uit te rusten. De smart om van Rama gescheiden te zijn overmande hen en deed alle bijkomstige ongemakken vergeten. 

Op de tweede dag bereikten zij de oever van de machtige rivier de Ganges; de hoofdman der Nishada's zorgde voor boten om hen naar de overkant te roeien en voor voedsel in overvloed, voor het vermoeide volk zowel als voor de voorname lieden van het Hof. Er nam echter niemand deel aan deze gastvrije maaltijd, want ieders hart was te vol van verdriet om het gemis van Sita, Rama en Lakshmana. Zij wilden Guha echter niet kwetsen, dus schoven zij het eten wat heen en weer op hun bard, stonden weer op en wierpen het voedsel weg. Ja, zelfs de paarden weigerden te grazen of enig voer te eten. Vasishtha bemerkte hoe het iedereen te moede was en sprak: 'Rama is de innerlijke Bewoner, het Atma dat zich bevindt in alles; Hij is de Intelligentie, het Bewustzijn dat ieder wezen kenmerkt.' 

Niemand voelde zich geneigd zich af te zonderen om een paar uur te rusten. Bharata had besloten rechtstreeks en zonder oponthoud naar Ayodhya te reizen. Hij wilde niets liever dan aan degenen die vol verlangen in Ayodhya hadden moeten achterblijven, de heilige sandalen van Rama tonen en hun enige vertroosting en bemoediging schenken. Zo geschiedde het dat de stoet op de vierde dag van de reis de rivieren de Gomathi en de Sarayu overstak en de buitenwijken van Ayodhya bereikte. 

De ouden van dagen, kinderen en vrouwen die niet mee hadden kunnen gaan toen het overgrote deel van de bevolking vertrok naar de plaats die Rama tot verblijf had gekozen, wachtten allen op tekenen van hun blijde terugkeer, hopend dat de pogingen om Rama te bewegen het bewind ter hand te nemen, met succes waren bekroond. Hun ogen waren schier verblind door uitputting, zorg en vrees. Toen zij het geratel van de wielen der strijdwagens hoorden naderen, renden zij de straat op en trachtten te ontdekken wie er in de passerende wagens gezeten waren, roepend: 'Waar is onze Heer?' Doch weldra ging de schemering over in diepe duisternis. Zij keerden naar huis terug en brachten de nacht door in de vreugdevolle verwachting hun geliefde prins bij het ochtendgloren weer te zien. De volgende morgen wachtte hun een grote teleurstelling toen zij vernamen dat Rama niet uit het woud was teruggekeerd naar de hoofdstad, zij het dat de schok verzacht werd door het nieuws dat Hij zijn sandalen had meegezonden om Hem te vertegenwoordigen. 

Bharata had onderwijl de koninklijke raadsman en de ministers bijeengeroepen; dezen had hij de diverse bestuurlijke taken toegewezen en de bijbehorende uitvoerende bevoegdheid gegeven. Toen riep hij Shatrughna bij zich, gaf hem de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de koninginnen en vroeg hem hun steun en toeverlaat te zijn. Hij belegde een vergadering van brahmanen en schriftgeleerden en beloofde hun, eerbiedig voor hen staande met de handpalmen tegen elkaar, al hun wensen, klein of groot, te vervullen omdat hij wist dat zij immer zouden handelen in het belang van hemzelf en van het volk. Hij hoopte dat zij al hun wensen en eisen zonder aarzelen aan hem zouden voorleggen. 

Hierna riep Bharata de burgers van Ayodhya en de leiders van het volk uit alle delen van het keizerrijk in vergadering bijeen en bracht hun uitvoerig verslag uit van de gebeurtenissen in de hoofdstad en in Rama's verbanningsoord. Hij beschreef in het kort de gesprekken die hij met Rama had gevoerd en deed een beroep op eenieder om tijdens de veertien jaar van Rama's afwezigheid, de sandalen van Rama te aanbidden en te vereren als de werkelijke tegenwoordigheid van Rama zelf. 'Zij zullen ons allen beschermen, zij zijn onze hulp en toevlucht', sprak hij. 'Laat Rama de inwoner zijn van ons hart. Na zijn terugkeer zal Rama in eigen persoon over ons regeren en kunnen wij ons verheugen in zijn fysieke aanwezigheid en in zijn bestuur. Het is van nu af aan onze taak naar deze gelukkige dag uit te zien, met een biddend hart.' 

Vervolgens koos Bharata een gunstig uur uit waarop de heilige sandalen op de troon konden worden geïnstalleerd, want het moest een ogenblik zijn van grote vreugde voor alle lagen van de bevolking: voor de koninklijke raadsman, de pandits, asceten, priesters, ministers en andere hofdignitarissen, voor de leiders van het volk en de burgers van Ayodhya, voor jong en oud, van hoog tot laag. Hij liet voorbereidingen treffen om de gebeurtenis op grootse schaal te vieren. 

Toen de grote dag was aangebroken, wierp Bharata zich aan de voeten van de moeders Kausalya, Sumitra en Kaikeyi, waarna hij zich naar de troon begaf, de sandalen op zijn hoofd dragend. Met de bede om Vasishtha's zegen en met de toestemming van zowel Vasishtha als van alle andere aanwezigen, plaatste hij de sandalen op de troon, onder betuigingen van eerbiedige trouw. Hij stelde al zijn verantwoordelijkheden veilig onder hun hoede. 

Na afloop van de plechtigheid begaf Bharata, die standvastige volgeling van dharma, die ongeëvenaarde held, zich te voet naar het dorp Nandigrama, waar hij een strohut gereed had laten maken die als zijn woning zou dienen. Hij bond zijn haar in een knot bovenop zijn hoofd, zoals Rama en Lakshmana dat hadden gedaan; evenals het hunne, was ook zijn kleed van boomschors. Hij woonde in een ruimte die speciaal in de aarde was uitgegraven. Zijn voedsel en kledij waren gelijk aan die van de asceten in het woud, en ook zijn gedachten, woorden en daden waren gericht op ascese en spiritualiteit. 

Bharata deed afstand van het weelderige leven in Ayodhya, dat door Indra, de koning der hemelbewoners, werd geprezen als voor hem onbereikbaar. Het rijke leven aan het koninklijk paleis gaf hij op, een leven dat zelfs Kubera, de God der rijkdom, hem had benijd. Hij was gelukkig in dat kleine dorp, waar hij ongezien zijn leven kon doorbrengen in die strohut! Hij beloofde zichzelf plechtig dat hij niemand zou zien tot Rama uit zijn verbanning was teruggekeerd. Al zijn gedachten waren op Rama gericht en op de dag van zijn terugkeer uit het woud. Bharata's lichaam werd elke dag zwakker, doch de schoonheid van geest die zijn gelaat verlichtte, straalde met grotere helderheid naarmate de tijd verstreek. Zijn toewijding aan Rama werd oneindig groot. Hij veranderde in een zuivere ziel die haar verwerkelijking bereikt heeft. Aan het uitspansel van zijn hart straalden de sterren in schitterende plejaden; onder die hemel lagen zijn gevoelens en gemoedsbewegingen te glanzen als de oceaan van melk - kalm, diep en zuiver.

 

Shirdi Sai dancing....

 

Bhajan: Rama Neel Amegha 

Rama Neel Amegha Shayama Rama Rama Rama
Ragukula Bdhisoma Parandhama Rama Rama 
Neelamegha Shayama ..... 
Raghu Ram Ram Ram Jeya Ram
Raghu Ram Ram Ram Sai Ram

Thrylokya Palakarama - Rama Rama Rama
Danujakula Dhvamsaka Rama Sri Rama
Akhila Jana Poshaka Sri Rama
Sugunamaya Deepika Jeya Rama 
Madhura Mrudu Vachaka Hey Rama
Danuja Hrudi Bheekara Ghana Rama
Neela Deha - Chidulasa - Raghava

Rama Neel Amegha Shayama Rama Rama Rama
Ragukula Bdhisoma Parandhama Rama Rama 
Neelamegha Shayama ..... 
Raghu Ram Ram Ram Jeya Ram
Raghu Ram Ram Ram Sai Ram

Pithruvakya Palakarama Rama Rama Rama
Sathya Loka Poshaka Rama Sri Rama
Saranu Hey Raghuvara Sri Rama
Pahimam Pavana Guna Dhama
Rakshamam Sritha Jana Priya Rama
Vandanam Prabhu Hey Sri Rama
Pannagesa - Papanasa Raghava

Rama Neel Amegha Shayama Rama Rama Rama
Ragukula Bdhisoma Parandhama Rama Rama 
Neelamegha Shayama ..... 
Raghu Ram Ram Ram Jeya Ram
Raghu Ram Ram Ram Sai Ram

Kawsika Hrudayanthaka Rama Rama Rama Rama 
Dasaratha Hrudayathaka Rama Sri Rama
Pavana Sutha Sevitha Subha Rama
Janaki Kamita Mrudu Rama
Shirdidesa Sri Hari Sai Rama
Parthisa Sri Sathya Sai Rama
Santha Roopa Moksha Deepa Hey Prabho

Rama Neel Amegha Shayama Rama Rama Rama
Ragukula Bdhisoma Parandhama Rama Rama 
Neelamegha Shayama ..... 
Raghu Ram Ram Ram Jeya Ram
Raghu Ram Ram Ram Sai Ram

Raghu Ram Ram Ram Jeya Ram
Raghu Ram Ram Ram Sai Ram


  

Inhoud van deze Vahini  | vorige bladzijde |