ramkatha-titel.gif (4275 bytes) 




 





Hoofdstuk 8
De Belegering
[
in het Engels]

 

 

 

Toen Râma van Angada vernam wat er in Lankâ was geschied en hoorde over het gedrag en de waakzaamheid van de vijand, ontbood Hij de hoofdaanvoerders en droeg hun op een strategie te bepalen voor de belegering van de vier poorten van de hoofdstad. Hierop kwamen de heersers bijeen van de apen (Sugriva), de beren (Jâmbavân) en de Râkshasa's (Vibhishana). Zij besloten hun krijgsmacht in vier legers op te splitsen, elk met hun eigen aanvoerders en gidsen. Zodra deze beslissing was genomen, wierpen zij zich aan Râma's voeten en gaven, bezield door zijn zegen, het bevel tot de aanval.

Met Râma in hun hart stormden de Vânara's, bewapend met grote keien en bomen, angstaanjagend naar voren. Lankâ had de naam onneembaar te zijn, doch de zegen van Râma hielp hen de stad binnen te trekken. De oostpoort werd bestormd door het leger onder aanvoering van Nala (zie ook RRV-5 & 7), de zuidpoort door de miljoenen die aangevoerd werden door Angada en de westpoort werd ingenomen door de woeste aanval van het leger onder aanvoering van Hanumân. De noordpoort werd verdedigd door Râvana zelf en daar vond hij Râma tegenover zich. De Vânara's hadden geen krijgstrompetten of trommels, doch het 'Ram Ram' dat zij vol overgave lieten horen, verhief zich als een oproep uit aller kelen en weerklonk van de hemel. De ganse stad Lankâ was ten prooi aan verwarring en paniek. Râvana, verblind door dwaze hoogmoed, was opgetogen bij het vooruitzicht van de overwinning op zijn tegenstanders en verlustigde zich in de gedachte dat de feestelijke dag van de overwinning was aangebroken onder de Râkshasa zon.

De Râkshasa's hadden hun positie ingenomen op de muren, torens en bolwerken van de vesting, zoals wolken de toppen van de Meru-berg bedekten. Zij sloegen op hun trommels en bliezen op hun trompetten. Hun kreten als 'aan Râvana de victorie', werden overstemd door het zelfverzekerde gejuich 'Râma, de Heer zal zegevieren'. De keien die de Râkshasa's slingerden naar de Vânara's die hun vestingwallen bestormden, werden door de Vânara's opgevangen eer zij vielen en met rampzalige gevolgen teruggeworpen naar dezelfde Râkshasa's die de muren bezetten. Naarmate de strijd vorderde, won de opmars van de Vânara's aan stootkracht. Zij doodden de Râkshasa's waar en wanneer ze hen maar konden vangen. Zoals een hevige storm de wolken in de vier windrichtingen uiteendrijft, zo joegen de steeds meedogenlozer aanvallen van de Vânara's de ontzette Râkshasa's op de vlucht en werd de hoofdstad in wanhoop gehuld.

Oude mannen, vrouwen en kinderen begonnen Râvana te verwijten dat hij de aanstichter was van alle rampspoed die hen had getroffen. Sommige Râkshasa's gaven de strijd op en vluchtten met vrouw en kinderen om aan een wisse dood te ontkomen. Toen Râvana deze vluchtelingen opmerkte, ziedde hij van toorn en schreeuwde: 'Lafaards, om je uit de strijd terug te trekken! Ik zal je met mijn diamanten zwaard in stukken snijden!' Hierop mengden enkele vluchtende Râkshasa's zich opnieuw in de strijd. Ondertussen waren de Vânara-helden door de vijandelijke linie gebroken en gesterkt door hun concentratie op Râma, doorgedrongen tot het binnenste fort van Râvana zelf, dat zij met de grond gelijk maakten. Zij trokken een gouden pilaar van zijn plaats om als wapen te gebruiken in hun orgie van vernietiging. Elke Râkshasa die zij tegenkwamen kreeg eerst een ongenadig pak slaag. Daarna werd zijn hoofd afgehouwen en zo krachtig en doelgericht weggeslingerd dat het aan Râvana's voeten belandde. Na te hebben blijk gegeven van hun superieure macht en heldenmoed tegenover de Râkshasa's, verschenen de Vânara's voor Râma bij de invallende duisternis.

De Râkshasa's zijn wezens van de nacht, derhalve namen hun juichkreten en razernij in hevigheid toe toen de avond viel. Hun luid geschreeuw van 'aan Râvana de overwinning' klonk de Vânara's in de oren als het gebrul van leeuwen en bracht hen ertoe zich wederom in de strijd te werpen. De Râkshasa-generaals Akampa en Athikaya hadden hun magische vermogens aangewend om de vier windstreken in pikdonker te hullen. Onder dekking van de zwarte nacht werd een vloed aan vuil, stenen en bloed over de vijandelijke troepen uitgestort. De Vânara's konden geen vriend van een vijand onderscheiden en bijgevolg waagden zij het niet tot het uiterste aan te vallen. Met luide stem baden zij 'Râma, Râma', om moed te verzamelen en de vijand goed weerstand te kunnen bieden. Râma hoorde hun geroep. Hij riep Angada en Hanumân bij zich en vertelde hun dat de toverkunsten van de Râkshasa's de opschudding hadden veroorzaakt. Zij waren hevig vertoornd over de schaamteloze tactiek van de vijand, doch Râma trok onverstoorbaar de vuurpijl Agneyastra uit zijn koker en schoot hem de duisternis in die de Râkshasa's hadden uitgedacht. De schittering van die pijl maakte een eind aan de duisternis en hulde het gebied in een stralend licht. Met verdubbelde energie hervatten de Vânara's en de beren hun taak om de vijand te overweldigen en te vernietigen. Toen de triomfantelijke strijdkreten van Angada en Hanumân zich lieten horen, sloegen de Râkshasa's op de vlucht. Ontsnappen konden zij echter niet. De Vânara's grepen hen bij de voeten en wierpen hen ver de zee in!

Toen de avond overging in de nacht trokken de Râkshasa's zich in hun kamp terug. Zij hadden geen kracht meer om de strijd voort te zetten. De Vânara's keerden terug naar Râma. Zodra Râma Zijn blik op hen deed rusten, werden zij allen verkwikt en gesterkt en voelden geen spoor van vermoeidheid meer.

Intussen ontbood Râvana zijn ministers en sprak hen aldus toe: 'Vandaag zijn duizenden Râkshasa's door toedoen van de Vânara's gesneuveld op het slagveld. Wij moeten thans onze strategie bepalen om hen te verslaan.' Toen stond Malyavantha op, de oude minister die Râvana's vader nog had gediend en tevens de vader was van Râvana's moeder. Tot stichting van Râvana wees hij hem op de diverse wegen van rechtvaardigheid en moraliteit. 'Râvana', begon hij, vol toegenegenheid, 'luister rustig naar wat ik te zeggen heb en vergeef mij mijn openhartigheid. Vanaf de dag dat u Sîtâ hierheen hebt gebracht, zijn wij steeds getuige geweest van slechte voortekenen. Ik kan ze niet uitvoerig beschrijven. Het is niet mogelijk de glorie van Râma, het Opperwezen, te meten of voldoende te verheerlijken. Zelfs de Veda's kunnen dat niet. Verzet tegen dit kosmische wezen, de Virâth Purusha, zal u heil noch genade brengen. Het zou verstandig zijn daar eens rustig over na te denken. Het is Râma die de demonen Hiranyakas'ipu en Hiranyâksha heeft gedood. Hij is de bron van alle deugden. Koester geen haat jegens Hem. O, keizer! Red Lankâ, ik smeek het u. Laat Sîtâ naar Râma terugkeren. Talm niet langer, want uw veiligheid is gelegen in onmiddellijke overgave.' Nadat hij aldus had gesproken, boog Malyavantha het hoofd en betuigde zijn respect aan de vorst. Zijn woorden kwetsten en vertoornden Râvana. Hij riep uit: 'Je schijnt vastbesloten te zijn je de dood op de hals te halen. Je seniliteit doet een beroep op mijn vergevingsgezindheid, anders zou ik je aan stukken hakken. Wees op je hoede. Sta op en verdwijn uit mijn ogen.' Râvana siste als een boze slang. Malyavantha had medelijden met Râvana, want hij vreesde dat diens einde nabij was. Tegelijkertijd moest hij echter inwendig lachen om de eigenwaan en onwetendheid die Râvana hadden verblind. Hij concludeerde dat deze toegaf aan rampzalige redenatie en dwaze reacties, terwijl hij de raadgevingen afwees die hem en zijn rijk konden redden, omdat het lot had beslist dat zijn levensloop ten einde was.

Op dat ogenblik stond Meghanada op en sprak: 'Vader! Aarzel niet. Morgenochtend kunt u getuige zijn van mijn krijgskunde. Ik zal u tonen dat mijn daden mijn woorden verre overstijgen!' Zijn verzekering deed Râvana's woede bekoelen en bracht hem enigszins tot bedaren. Zijn hart vervulde zich met vreugde, moed en hoop. Hij trok zijn zoon naar zich toe, gaf hem liefdevolle zachte klopjes op zijn hoofd en prees ten overstaan van aIle aanwezigen de onverschrokkenheid en heldenmoed van zijn zoon. Om middernacht ging de vergadering uiteen. Alle deelnemers keerden naar hun eigen huis terug, doch niemand deed die nacht een oog dicht. Noch was er iemand die eetlust had. Allen waren ten prooi aan angst en vrees, denkend aan de rampspoed die hen ieder ogenblik kon treffen. Tot de dageraad zich over het oosten uitspreidde, lagen zij te woelen van benauwenis. De Vânara's en de beren belegerden Lankâ vanuit alle richtingen. Alom zaaiden zij verwarring en paniek. De lucht weergalmde van hun gebrul. De Râkshasa-krijgers werden gedwongen eveneens de wapens op te nemen en tegenstand te bieden. Zij hadden geen andere keus. Miljoenen van hen bestreden met pijlen en ander wapentuig de regen van rotsblokken en heuvels die van de omringende stadswallen vielen. Hun tieren en schreeuwen vervulde de lucht als op de dag des oordeels. Doch de enorme bergtoppen en heuvels die de Vânara's naar hen wierpen, lieten niet meer van de Râkshasahorden over dan een levenloze, verpulverde massa.

Meghanada werd zo razend van woede bij het nieuws dat de Vânara's de hoofdstad waren binnengedrongen, dat hij de wapens opnam en vooruit stormde om hen aan te vallen. De horden die hem volgden sloegen de trom en bliezen op hun krijgstrompetten. Meghanada was vermaard als Indrajit, want eens had hij niemand minder dan Indra, de koning der goden, in een gevecht verslagen. Hij was een formidabel krijger en had onder de generaals zijns gelijke niet. De Vânara's verloren de moed toen zij hem zagen naderen in zijn strijdwagen. Bij de aanblik van de vluchtende vijandelijke troepen schreeuwde Meghanada van vreugde en spande hij zijn machtige boog om een regen van pijlen op hen af te schieten. Hij trok de pees van zijn boog tot aan zijn oor terug en schoot zijn pijlen met grote snelheid achter elkaar af. Ze vlogen als gevleugelde slangen in alle richtingen en schrikten de Vânara's af. Hun drang om te vechten verdween en zij trokken zich terug. Sommigen werden door pijlen geveld, anderen verloren het bewustzijn en vielen neer. Toen hij getuige was van de meelijwekkende toe stand van de Vânara's ontstak Hanumân in woede. Hij stormde op Meghanada af, zo hevig vertoornd als was hij de god des doods zelf! Hij greep de dichtstbijzijnde bergtop en slingerde die naar de Râkshasa-aanvoerder. Zodra deze de bergtop op zich af zag komen als een boodschapper van de dood, gebruikte Meghanada zijn toverkracht om zich in de lucht te verheffen. Zijn strijdwagen, de paarden en de wagenmenners werden alle verpletterd onder de bergtop, toen die precies op het beoogde doel terechtkwam. Meghanada verzon nog vele andere magische krijgslisten. Doch zijn bedoeling om Hanumân angst aan te jagen had net zo weinig uitwerking als de poging van het kleinste slangetje om Garuda, de koning der arenden, af te schrikken. Hij liet het vuur en bloed regenen en veranderde het daglicht in de duisternis van de nacht. Het werd zo aardedonker dat men geen hand voor ogen kon zien. De Vânara's werden ontmoedigd en in verwarring gebracht door dergelijke tactieken. Zij hadden het gevoel dat hun einde nabij was.

Râma zag tot welke truucs de Râkshasa's zich in hun wanhoop hadden verlaagd. Hij moest inwendig lachen om hun hulpeloosheid. Hij besefte ook dat de Vânara's de moed en hun zelfvertrouwen hadden verloren, dus schoot Hij een enkele pijl op het strijdtoneel af. Dit bracht een dodelijke slag toe aan de toverkracht van de Râkshasa, die daarmee was uitgewerkt.

 


'
Anatha Bandho Sai Prabho'

Anatha Bandho Sai Prabho
Aparadha Kshama Karo Sai Prabho
Jivana Yatra Mey Satha Raho
Prema Bhakti Hamko Dijo
Hrudaya Mandira Sey Mata Jao
Charanamrita Seva Dijo Prabho

O Lord Sai. Thou art the Lord of those who have no one to care for them.
Kindly forgive our wrong doings. Be with us in our journey of life.
Grant us love and devotion. Be constantly in our thoughts and hearts and
grant us service at Thy Lotus Feet.

De aarde werd weer verlicht, alsof de zon was opgegaan. De Vânara's herwonnen hun zelfvertrouwen en vielen de Râkshasa-legers aan. Râma liet zijn blik vol mededogen op hen rusten en zij werden verkwikt. De ganse Vânara-horde riep eenstemmig: 'Jai, Jai voor onze Heer Râma', en drong tegen alle verwachtingen in opnieuw naar voren. Niemand kon hen meer tegenhouden of hun voortgang vertragen. Om hen aan te vuren, voegde Lakshmana zich bij Hanumân en met zijn machtige boog en scherpe pijlen viel hij Meghanada aan. Râvana vernam dat Lakshmana zich in de strijd had gemengd en daarom haastte hij zich om versterkingen te zenden om zijn zoon op het slagveld te ondersteunen. De Vânara's vochten zonder onderbreking, gewapend met bomen en rotsblokken. Aan beide zijden werd fel gevochten, met onverminderde woestheid. De strijd speelde zich grotendeels af rondom de tweegevechten tussen krijgers en aanvoerders. De Vânara's sloegen met gebalde vuisten en beten met hun scherpe tanden, hetgeen een enorm aantal Râkshasa's het leven kostte. Met hun nagels scheidden zij menig hoofd van de romp. Ook werden vele armen uitgerukt. De overwinningskreten waarmee de Vânara's hun triomf aankondigden, weerklonken over de negen eilanden. Onthoofde lijken van Râkshasa's bleven voortrennen langs de routes die zij volgden toen zij nog in leven waren. Toen zij dat spookachtige verschijnsel opmerkten, braken de Vânara's in hoongelach uit. De wegen die het enorme slagveld doorkruisten, stroomden vol bloed.

Lakshmana en Meghanada waren in een dodelijk gevecht gewikkeld. Zij schenen niet voor elkaar onder te doen in vaardigheid en kracht. Indrajit meende dat hij meer succes zou hebben met magische listen dan met zijn krijgskunst. Doch zijn pogingen werden verijdeld en zijn plannen eindigden in een jammerlijke mislukking. In een uitbarsting van angstaanjagende woede vernietigde Lakshmana de strijdwagen van Meghanada en doodde zijn wagenmenner. Vrezend dat hij de dood nabij was, nam Meghanada de shakti ter hand, het uiterst krachtige wapen dat Brahmâ hem had geschonken. Hij richtte het op Lakshmana's hart en wierp de lans. Het wapen uit Meghanada's hand trof Lakshmana recht in het hart. Lakshmana viel stervende en bewusteloos terneer. Meghanada, die nu niet langer bevreesd was, naderde de gevallen held en trachtte het lichaam op te heffen om het mee naar zijn kamp te nemen. Of schoon hij even sterk was als Lakshmana, slaagde Meghanada er evenwel niet in het lichaam op te heffen. Tal van krijgers schoten hem te hulp, doch met hoevelen zij ook waren, hun inspanningen waren tevergeefs. Lakshmana was de wedergeboren Âdi-s'esha, de 'oerslang', die de kosmos op haar duizend schilden draagt en waarop Vishnu rust. Hoe zou iemand, hoe sterk en met hoevelen als hijzelf ook, er ooit in kunnen slagen om Lakshmana te verplaatsen? Slechts degenen die de genade van Heer Râma hebben verworven, zouden dat kunnen!

Intussen was de avondschemering ingevallen. De twee vijandelijke legers keerden naar hun kamp terug. Heer Râma zag de thuiskerende Vânara's, doch kon Lakshmana niet tussen hen ontwaren. Hij vroeg: 'Waar is Lakshmana?' Op datzelfde ogenblik trad Hanumân binnen, die het lichaam van Lakshmana op zijn schouders droeg. Hanumân bad op klagende toon: 'Râma! Râma!' Râma deed alsof Hij verontrust en bekommerd was, doch spoedig herstelde Hij zich. Hij nam Lakshmana's lichaam op zijn schoot en onderzocht het lang en zorgvuldig. Toen sprak de oude Jâmbavân: 'Heer, laat ons geen tijd verliezen. Laat ons niet aarzelen of de behandeling uitstellen. Het beste is om Sushena, de geneesheer uit Lankâ, hier te laten komen. Hij kent de aangewezen remedie! Onmiddellijk nam Hanumân een uiterst kleine, menselijke vorm aan en begaf zich naar de binnenstad van Lankâ. Zelfs toen hij op het punt stond om Sushena's huis binnen te gaan, overviel hem de twijfel of deze aan zijn verzoek gehoor zou geven om naar het kamp van Râma te komen. Dus zocht Hanumân zijn toevlucht tot een list. Met Sushena en al tilde hij diens huis op en bracht het in zijn geheel over de tussenliggende afstand. Toen Sushena tevoorschijn kwam, ontdekte hij dat hij zich in de tegenwoordigheid van Râma zelf bevond. Hij wierp zich aan Râma's voeten en onthulde de naam van de berg waarop het geneeskrachtig kruid groeide dat Lakshmana zou kunnen redden. Terwijl men beraadslaagde wie dat kostbare kruid zou moeten gaan zoeken, wierp Hanumân zich ter aarde voor de lotusvoeten van zijn Heer en smeekte het te mogen halen. Râma vertrouwde hem deze taak toe.

Intussen had een van Râvana's verspieders aan hem gemeld dat de geneesheer Sushena bij Râma was aangekomen. Râvana raadpleegde Kalanemi over deze nieuwe ontwikkeling en de gevolgen ervan. Kalanemi antwoordde: 'Râvana! Deze Hanumân is een onmogelijk schepsel. Hij heeft immers voor uw ogen Lankâ in brand gestoken? Wat voor bijzondere vaardigheden of krachten heb ik dat ik deze Hanumân in bedwang zou kunnen houden of verslaan? Het is nog niet te laat om het goede pad te kiezen. Geef het absurde idee op dat u in staat bent over Râma te zegevieren. Ga heen en zoek uw toevlucht aan Râma's voeten, dan wacht u een betere toekomst. Laat uw hoogmoed en uw halsstarrigheid varen.' Het was goede raad die Kalanemi aan Râvana gaf, doch het was niet wat deze wilde horen. Daarom veroordeelde Râvana zijn uitspraken. Bevend van woede beet hij hem toe: 'Ben je van zins mij te gehoorzamen? Zo niet, bereid je dan voor op je dood.' Het leek Kalanemi veel beter voor zijn zielenheil te sterven door toedoen van Râma, dan door Râvana gedood te worden, dus begaf hij zich naar Râma's kamp. Met behulp van zijn magische vermogens zocht hij een meer op, midden in een prachtig park. Gestoken in het kleed van een rishi zette hij zich in diepe meditatie op de oever terneer.

Hanumân, die op weg was naar de bergketen waarop het levensreddende kruid groeide, was de uitputting nabij, aangezien hij na het hevige gevecht met Meghanada nog niet had kunnen rusten. Hij besloot daarom dat het verstandig zou zijn om enkele ogenblikken rust te nemen en wat te drinken van het verkwikkende water uit het meer, om daarna des te sneller zijn weg te kunnen vervolgen. Hanumân wierp zich aan de voeten van de rishi die verzonken was in het reciteren van Râma's naam en het verheerlijken van Zijn uitmuntende eigenschappen en wapenfeiten. Hanumân was zeer verheugd en ook hij riep enkele malen de naam van Râma aan. Daarop sprak de vermomde Kalanemi tot hem: 'O, Vânara! Er is een oorlog gaande tussen Râma en Râvana. Iedere dag sla ik van hieruit de gevechten gade. Het lijdt geen twijfel dat Râma spoedig als overwinnaar uit de strijd zal komen.' Hanumân hoorde de wijze in vervoering aan. Toen zei hij tot hem dat hij zeer dorstig was. De wijze bood hem het koele verfrissende water uit zijn kruik aan. Hanumân sprak: 'Meester! Deze kleine hoeveelheid kan bij lange na mijn dorst niet lessen.' Toen vertelde de rishi hem dat er dichtbij een meer was, waar hij niet alleen zoveel kon drinken als hij wilde, maar waar hij zich ook kon onderdompelen in het heldere water om zich te verfrissen. Dat leek Hanumân beter en hij begaf zich naar de bedoelde plaats. Hij liep het meer in tot het water tot zijn enkels reikte. Op dat ogenblik kroop vanuit de diepte een krokodil op hem af en nam Hanumâns voet in zijn wrede greep. Vanzelfsprekend kon hij verder niets uitrichten, want Hanumân schudde hem van zich af en sloeg hem dood. Zodra zijn leven als krokodil ten einde was, verrees hij voor Hanumâns ogen als een schitterend hemels wezen. Hanumân was verbaasd toen hij deze verschijning zag en vroeg: 'Wie bent u?' Het schepsel antwoordde: 'O, dienaar van Râma! Zodra ik zo fortuinlijk was u te zien en door u aangeraakt te worden, verdwenen mijn zonden als sneeuw voor de zon. Kalanemi en ik waren muzikanten, Gandharva's aan het hemelse hof van Indra. Op zekere dag verscheen de wijze Durvâsâ [zie ook Summershowers in Brindavan], die berucht was om zijn opvliegende karakter, aan het hof. Bij de aanblik van die woeste figuur, barstten wij in lachen uit. Daarmee haalden wij ons zijn vervloeking op de hals, geboren te worden op aarde als Râkshasa's. Wij smeekten om genade, hielden zijn voeten vast en stortten tranen van berouw.

Hij kreeg medelijden met ons en sprak: 'Welnu! Je zult in Lankâ ter wereld komen. De Heer zal incarneren als Râma in het laatste kwartier van het Tretâ-tijdperk en er zal een vreselijke strijd plaatsvinden tussen Râma en de koning van Lankâ. Tijdens de gevechten zal Râma's broer, Lakshmana, dodelijk worden getroffen door het wapen met de naam shakti. Hanumân, een toegewijde dienaar van Râma, zal zich op weg begeven naar de berg Sanjivi, die met een helend kruid begroeid is. Je zult beiden bevrijd worden van de Râkshasa-last als je met hem in aanraking komt. O, Vânara. De rishi die hier dichtbij verblijft en u hierheen zond, is helemaal geen rishi. Hij is een vermomde Râkshasa en zijn naam is Kalanemi.'

Hanumân keerde terug naar Kalanemi en riep in zijn oor: 'Mijn beste leermeester! Accepteer de gift die ik u wil aanbieden in ruil voor de les die u mij geleerd hebt. U bent mijn goeroe en ik ben u vergoeding verschuldigd.' Tijdens Hanumâns afwezigheid had Kalanemi zich intussen afgevraagd waarom deze er zo lang over gedaan had om zijn dorst te lessen en terug te keren. Hij vermoedde dat de reden daarvan de onthulling was van zijn eigen identiteit en geschiedenis, door zijn broer die door de vervloeking zijn leven als krokodil moest slijten. Dus deed Kalanemi het voorkomen dat hij te zeer in meditatie verdiept was om degene te herkennen die voor hem stond en hem aansprak. Hanumân, die nu wist dat het Kalanemi was die zich achter de gedaante van de rishi verborg, greep hem bij zijn nek en draaide die om tot hij brak en Kalanemi stierf. Met zijn laatste ademtocht bracht hij de woorden 'Râma! Râma!' uit.

Nadat hij het dode lichaam aan de kant had geschopt, spoedde Hanumân zich naar de Drona-bergketen. Toen hij de Sanjivi-berg bereikt had, begon hij te zoeken naar het genezende kruid waarvoor hij gekomen was. Hij kon het echter niet onderscheiden tussen het dichte tapijt van planten waarmee de heuvel bedekt was. Hanumân had niet veel tijd meer. Zijn terugkeer was reeds aanzienlijk vertraagd en hij was zich bewust van de dringende noodzaak van Râma's opdracht. Hij bedacht daarom een ander plan. Hij tilde de berg in zijn geheel van de bodem, zette hem op zijn handpalm en ging met grote sprongen voorwaarts door de lucht.

Op zijn weg naar Lankâ moest hij in de nachtelijke uren over de stad Ayodhyâ heen. Daar verbleef Bharata, treurend in afzondering. Hij was wakker en maakte zich zorgen om zijn broer en diens leven in het woud. Plotseling werd het maanlicht verduisterd door een schaduw die over hem heenviel, de schaduw van Hanumân en de heuvel. Bharata veronderstelde dat de aap met zijn last een Râkshasa was, die deze vorm had aangenomen om een of andere verderfelijke opdracht te vervullen. Hij besloot hem te doden voor hij enig kwaad kon uitrichten. Hij nam zijn boog ter hand, spande de pees tot aan zijn oor en schoot de pijl recht op het doel af. Toen de pijl hem trof, liet Hanumân de doordringende uitroep 'Râma' horen. Bij het horen van Râma's naam, stand Bharata geschokt op en rende naar de gevallen aap. Hanumân vertelde hem wat zijn opdracht inhield en hoe dringend de aard van zijn missie was. Bharata werd door smart overmand. Hij omhelsde Hanumân en smeekte om vergiffenis voor zijn dwaze, overhaaste daad. Bharata barstte in tranen uit. Hij bad: 'Indien het waar is dat ik immer Râma heb vereerd in gedachten, woorden en daden en dat ik niet van het goede pad ben afgeweken, moge dan aan deze Vânara zijn oorspronkelijke gezondheid en kracht worden teruggegeven.'

Toen Bharata zich zo dieptreurig toonde en een zo trouwhartige verklaring aflegde, werd Hanumân van zijn pijn verlost. Hij verrees als herboren. Plotseling kwam de gedachte in hem op de oprechtheid van Bharata te beproeven. Hij sprak: 'Aan de Heer van de Raghu-dynastie de overwinning.' Door deze woorden werd Bharata zo overmand door zielenpijn dat hij in luid snikken uitbarstte. Hij vroeg smekend: 'O, grootste onder de apen! Zijn Sîtâ, Râma en Lakshmana in goede gezondheid? Is mijn moeder Sîtâ gelukkig en opgewekt?' De herinnering aan de afwezige Sîtâ en zijn broers deed Bharata's tranen van verdriet in die van vreugde verkeren. Toen echter Hanumân omstandig verhaalde wat er was geschied, werd Bharata wederom overstelpt door verdriet. Hij viel flauw toen hij hoorde dat Lakshmana op het slagveld het bewustzijn had verloren. Weldra herstelde hij zich. Hij stond op en sprak: 'Hanumân! Vergeef mij mijn dwaze gedrag. Ik mag je niet langer ophouden. Ga snel op weg met de Sanjivi-heuvel, met de kostbare kruiden die Lakshmana kunnen genezen. Haast je!'

Hanumân wierp zich aan Bharata's voeten en zette vervolgens de heuvel weer op zijn handpalm. Toen hij met reuzesprongen vertrok en naar de einder vloog, bleef Bharata Hanumân met vaste blik volgen, tot deze uit het zicht verdween. Hij was verheugd dat hij eindelijk iets meer te weten was gekomen over de ontwikkelingen aangaande Râma, doch tegelijkertijd was hij zeer bedroefd over de toestand van Sîtâ en Lakshmana. Met een bezwaard gemoed ging hij huiswaarts en vertelde de hele geschiedenis aan de moeders.

Of schoon Sumitra, de moeder van Lakshmana, zich een ogenblik bedroefd voelde, hervond zij snel haar evenwicht toen zij eraan dacht dat Râma bij haar zoon was. Zij zei bij zichzelf: 'De zoon die ik onder mijn hart heb gedragen, is bereid zijn leven aan Râma te geven om Hem te dienen! Dat is voor mij troost genoeg. Het geeft mij een gevoel van diepe voldoening. Mijn leven is thans voltooid. Toch ben ik bezorgd, want het lot van Lakshmana moet voor Râma een kwelling zijn. Die 'bewusteloosheid' moet Râma wel pijnlijk treffen en om op deze wijze gescheiden te zijn van zijn broer, doet Hem wellicht verdriet. Zoon! Satrughna! Ga naar de plaats waar Râma is en sta Hem bij!' Satrughna stond onmiddellijk op en sprak: 'Groter geluk kan mij onmogelijk beschoren zijn!' Doch Bharata weerhield hem en sprak: 'Zonder uitdrukkelijke bevelen van Râma kan ik er niet in toestemmen dat je naar Hem toegaat.' Hij troostte Satrughna door hem te zeggen dat Râma deze daad zou kunnen afkeuren en dat het altijd heilzaam is zich voor Zijn wil te buigen.

In Lankâ hield ondertussen Râma de wacht over Lakshmana. Dag en avond gingen voorbij en zelfs het middernachtelijk uur was reeds verstreken. De Vânara's zaten gehurkt om Râma heen. Râma, die zich gedroeg alsof Hij slechts menselijk was, uitte zijn bezorgdheid over het uitblijven van Hanumân. 'Het is middernacht en nog is er geen teken van Hanumân! Is hij misschien verdwaald? Mijn broer Lakshmana is nog steeds buiten bewustzijn en zijn toestand is kritiek!' Vol tederheid keerde Hij Lakshmana's gelaat naar zich toe. Terwijl Hij hem met betraande ogen liefkoosde, sprak Hij: 'Broer! Open je ogen en kijk mij aan. Nog nimmer zijn er zovele uren voorbijgegaan zonder dat jij je blik naar mij hebt toegewend. Zonder zelfs maar een seconde onderbreking heb je al die jaren over mij gewaakt. Hoe is dit stilzwijgen van jou te verdragen? Sinds gisteren is er niemand om mij met zachte woorden te troosten. ' Zo weeklaagde Râma, als was Hij een gewone sterveling. 'Broer! Om mijnentwille heb je zowel je ouders als je vrouw verlaten. Je ging, samen met mij, in ballingschap en deelde mijn leven in het woud, ofschoon je daartoe niet verplicht was. Nimmer heb je je bekommerd om de ontbering waaraan je werd blootgesteld. Je hebt een eenvoudig en vriendelijk karakter. Ter wille van mij verwelkomde je de brandende zon, werd je nat van de regen en rilde je van de kou. Met etenstijd wilde je van geen voedsel weten, want aan vaste uren hield je je niet. Al het voedsel dat je verzamelde, gaf je aan mij. Lakshmana! Het is mij niet ontgaan dat je je menigmaal op de harde, kale vloer ter ruste legde met een lege maag. Broer! Reeds twaalf lange uren heb ik het moeten stellen zonder je liefdevolle zorg, besef je dat? Doe je ogen open, al is het slechts eenmaal en zie mij aan. Daar verlang ik nu het meest naar. Râma hief Lakshmana's kin teder naar zich op en smeekte op aandoenlijke wijze om een blik van hem. De Vânara's stortten tranen van verdriet om Râma's zielenpijn. Velen van hen klommen in bomen op de heuveltop en tuurden in de verte of zij Hanumân zagen aankomen.

 

 

Weldra verscheen Hanumân, die de Sanjivi-bergtop op zijn opgeheven hand droeg. In de ogen van de Vânara's straalde Hanumân als de belichaming van moed, die des te innemender werd door de grootsheid van zijn mededogen. Hij daalde neer temidden van de Vânara's. Die riepen: 'Heil en voorspoed aan Hanumân!' Zij spraken: 'Door jou is ons leven weer waard om geleefd te worden. Als je niet voor de dageraad was teruggekeerd, waren wij allen in de oceaan gesprongen en hadden zo een eind aan ons leven gemaakt, want wij kunnen niet zonder Lakshmana en geven niets om een bestaan zonder hem. Jij hebt ons het leven gered.' Toen Râma Hanumân zag, met de bergtop waarop de geneeskrachtige kruiden groeiden, kende zijn vreugde geen grenzen. Sushena verzekerde zich onmiddellijk van de kruiden die hij nodig had (visalyakarini, samdhanakarini, souvarnakarini en samjivakarini) en diende ze Lakshmana toe. En ziedaar, Lakshmana ging rechtop zitten en was bij zijn volle bewustzijn. Râma was buiten zichzelf van vreugde. Hij omhelsde zijn broer en liefkoosde hem met diepe genegenheid. Hij riep uit: 'Broer! Broer! Waar was je toch de afgelopen uren?' Uit zijn ogen vloeiden tranen van blijdschap en dankbaarheid. Râma ging geheel op in zijn intense vreugde, die slechts te vergelijken is met brahmananda, de gelukzaligheid van Brahman zelf. Doordat zij in aanraking kwamen met de levenskrachtige lucht van de Sanjivi-berg die om hen heen waaide, hadden intussen de Vânara's die in de bittere strijd gevallen waren, hun leven teruggekregen en konden zich weer net zo vrij bewegen als voorheen. Dit tafereel gaf aanleiding tot grote blijdschap onder de Vânara's die daar getuige van waren. Zij dansten vrolijk in het rond en omhelsden hun tot leven gebrachte kameraden en familieleden. Râma overlaadde Sushena met Zijn Zegen en verzekerde hem dat Hij hem zou beschermen tegen elke poging tot wraakneming die Râvana zou kunnen ondernemen. Râma droeg Hanumân op Sushena weer met huis en al in Lankâ neer te zetten en tevens de kostbare Sanjivi-berg dicht bij zijn huis te plaatsen, ter gedachtenis aan zijn dienstbetoon aan Lakshmana en de Vânara's. Hanumân prees Sushena's goede diensten en dankte hem voor het redden van het leven van zijn meester en dat van zijn kameraden. Hij bracht zowel het huis met Sushena erin als de berg naar Lankâ en plaatste ze voorzichtig op de aardbodem.

Een nieuwe dag brak aan. Vanuit het Râkshasa-kamp klonk het geroffel van de krijgstrommels. De Vânara's waren in grote beroering. Zij ontleenden enorme kracht aan de gedachte aan Râma, hun gids en beschermer. Elk hunner verkreeg de kracht van vele olifanten. Zij sprongen allen strijdlustig in het rond. Dhoomraksha was die dag de vijandelijke opperbevelhebber. Hij vocht als een wanhopige, doch werd de volgende dag door Hanumân gedood. Hierop schoot Akampa de Râkshasa's te hulp en voerde de demonische horde met grote felheid aan. Angada was de bevelhebber van de Vânara's in de strijd tegen Akampa en slaagde erin de Râkshasa-generaal nog diezelfde dag te doden. Toen hij vernam dat Akampa was gevallen, stortte Prahasta zich met veel misbaar in het gevecht. Nila was degene die het tegen hem opnam. Met Râma's naam steeds levendiger in zijn gedachten bond hij verwoed de strijd met Prahasta aan. Meedogenloos besprong Nila de nieuwe generaal en slaagde erin hem te doden. Mahodara was de volgende. Hanumân wierp zich met luid weerklinkend gebrul op hem en bevocht hem met hand en tand. Weldra gelukte het hem Mahodara te overmeesteren en hem in stukken te hakken.

Vijf dagen lang zetten de twee zonen van Kumbhakarna, Kumbha en Nikumbha, de strijd voort, aan het hoofd van een schare woeste Râkshasa's. Op de zesde dag bereikten de beide broers de hemel die krijgshelden verwerven als zij op het slagveld gevallen zijn.

Toen zij zagen hoe een aaneenschakeling van onheil hun troepen trof, raakten de Râkshasa's van Lankâ in paniek. Wanhopig trachtten zij zich ergens te verbergen en het vege lijf te redden. Anderen gaven zich over en zochten hun toevlucht in het kamp van de Vânara's. Zij stelden Râvana verantwoordelijk en beschimpten hem in bittere bewoordingen. Velen begaven zich naar koningin Mandodari en smeekten haar de opeenvolging van rampspoeden te doen ophouden. Ook zij was bedroefd dat Râvana aan zijn krankzinnige opwellingen had toegegeven en zij poogde hem van verdere oorlogvoering te weerhouden.

 

 

De oorlog ging evenwel onverminderd door. Makaraksha, de onverschrokken krijger, zette de strijd voort. Lakshmana bood hem tegenstand en doodde hem. Bij een dergelijke schitterende overwinning, die bovendien binnen luttele ogenblikken werd behaald, sprongen de Vânara's op van vreugde en riepen: 'Jai, Jai.' Râvana jammerde en weende, toen hij hoorde dat al zijn onverslaanbare generaals een voor een dood ter aarde waren gestort! Hij spoedde zich naar de plaats waar zijn broer Kumbhakarna lag te slapen en trachtte hem met alle mogelijke middelen te wekken. Een grote menigte Râkshasa's verzamelde zich rond het slapende lichaam. Zij sloegen woest op hun reusachtige trommels. Râvana bracht honderden boksers met zich mee, die de demon sloegen. Zij deelden rake vuistslagen uit en velen sloegen met gigantische strijdknotsen op zijn dijen. Eindelijk opende de demon zijn ogen en hij keek om zich heen. Râvana vertelde Kumbhakarna hoe wanhopig hij was en bracht hem op de hoogte van de dood van diens zonen, Kumbha en Nikumbha. Door dit nieuws raakte Kumbhakarna buiten zichzelf van woede en wraakzucht, als was hij de verpersoonlijking van de tijd, de universele vernietiger. Hij riep uit: 'Dwaas! Denk je werkelijk ooit de overwinning te kunnen behalen? Je hebt jezelf op onvergeeflijke wijze bezoedeld door de zonde te begaan van het ontvoeren van Sîtâ, de moeder van het universum. Er is geen rechtvaardiging voor je gruwelijke wandaden. Je verdorvenheid leidt tot de ondergang van Lankâ. Geef je thans in elk geval over aan Râma en zet je absurde gevoel van prestige opzij! Was het juist dat een heerser die de verheven taak heeft rechtschapenheid te handhaven en onrechtvaardigheid in zijn koninkrijk te beteugelen, alle fatsoen en goed gedrag van zich afwierp en andermans vrouw ontvoerde? Valt dat moreel goed te keuren? Is het bevorderlijk voor je spirituele ontwikkeling? Je zult de wrange vruchten van je daden moeten plukken, Râvana. Râma is geen gewone sterveling. Surpanakha, onze zuster, werd krankzinnig van begeerte. Zij trachtte haar zelfzuchtige verlangen te bevredigen en moest de gevolgen van haar zonden dragen. Zij was het, die je lage instincten aanwakkerde en je verleidde tot deze barbaarse misdaad. Omdat je gehoor gaf aan de woorden van een geslepen vrouw, zette je al je onderscheidingsvermogen opzij en bracht eigenhandig die rampspoed teweeg door je boosaardige streken.' Kumbhakarna verklaarde zijn broer zelf schuldig en gaf hem langdurig goede raad. Doch Râvana was niet in de stemming om de schuld op zich te nemen. 'Verlaat mij niet in deze rampzalige toestand. Bereid je voor om onze legers aan te voeren en ten strijde te trekken. Red mijn leven', smeekte hij.

Daar hij geen uitweg zag en overstelpt werd door genegenheid voor zijn broer, maakte Kumbhakarna zich gereed. Er werden ketels met palmwijn en grote bergen vlees voor hem gezet die tot zijn ontbijt moesten dienen. In een oogwenk had hij alles naar binnen geschrokt waarna hij zich naar het slagveld begaf. Toen Vibhishana, zijn jongere broer, bemerkte dat hij op het punt stond zich in de strijd te mengen, kwam hij haastig toegelopen vanuit Râma's kamp en wierp hij zich in nederige eerbied aan zijn voeten. Terwijl hij opstond, maakte hij zichzelf bekend. Kumbhakarna straalde van blijdschap en omhelsde zijn broer vol hartelijke genegenheid. Vibhishana begon als eerste te spreken: 'Broer! Râvana heeft mij in een openbare rechtszitting beledigd en mij uit de audiëntiezaal laten zetten. Ik heb alle aspecten van deze geschiedenis overwogen en hem op allerlei wijzen van advies gediend. Hij sloeg mijn raadgevingen in de wind en luisterde slechts naar machtswellustige, dwaze ministers. Hij slingerde mij onduldbare scheldwoorden naar het hoofd, ten gehore van alle aanwezigen. Ik kon de schande niet verdragen. Ik gaf mij over aan Râma, die, wetend dat ik hulpeloos en onschuldig was, mij aanvaardde en bescherming bood. Daarop antwoordde Kumbhakarna: 'Wel broer! De schaduw des doods valt reeds over Râvana. Hoe zou hij dan acht kunnen slaan op wijze raad? Jij hebt er ongetwijfeld goed aan gedaan het doel in je leven te verwezenlijken. Je bent nu niet langer Vibhishana, je bent VibhUshana, het schitterend juweel, het schoonste sieraad van de Râkshasa-clan! Je hebt de clan veredeld en gelouterd door de oceaan van geluk, de kroon van de Raghu-dynastie, Râma, met zoveel bezieling te dienen. Ga nu. Dien Hem met oprechte ijver, broer! Ik moet de strijd aangaan, ongeacht welk lot mij wacht. Ook ik ben de dood nabij. Râvana weet dat mijn hart niet bij hem is. Ik raad je aan je trouw aan deze of gene verbintenis te laten varen en je te beperken tot loyaliteit aan Râma.' Nadat hij dit advies en de zegen van zijn broer ontvangen had, keerde Vibhishana terug naar Râma. Hij vertelde Râma: 'Heer! Die kolossale Râkshasa is Kumbhakarna. Hij is een mededogende, dappere vechter. Hij is hier gekomen om de strijd met u aan te gaan.'

Toen de Vânara's deze woorden hoorden, werden zij zo woedend dat zij vuur spuugden en onder Hanumâns bevel de vijandelijke troepen besprongen. Zij wierpen enorme bomen en zwerfkeien naar Kumbhakarna, doch deze bleef onwrikbaar en onaangedaan overeind. De Vânara-aanval was als het slaan van een dolle olifant met een ooghaartje! Ziedend van woede diende Hanumân Kumbhakarna met gebalde vuist zulk een geweldig harde klap toe, dat het hem duizelde. Maar hij herstelde zich spoedig, sloeg terug en velde Hanumân. Nu mengden Nala en Nila zich in het gevecht, die echter evenmin tegen Kumbhakarna waren opgewassen. Angst beving de Vânara-horden. Sugriva en Angada hadden danig te lijden gehad onder Kumbhakarna's woeste aanval en zij rolden op de grond. Tenslotte knelde Kumbhakarna Sugriva onder zijn arm en droeg hem het slagveld af. Hij veronderstelde dat hij, door de koning weg te voeren, het Vânara-leger had overwonnen.

 

Hanumân was zich intussen weer bewust geworden van zijn omgeving. Hij kon Sugriva nergens ontdekken en ging bezorgd naar hem op zoek. Terwijl hij geklemd onder de arm van de machtige Kumbhakarna werd weggedragen, kwam Sugriva tot bewustzijn en trachtte zich aan zijn greep te ontworstelen. Hanumân trof Sugriva aan bij zijn wanhopige poging zich te bevrijden en snelde toe om hem te helpen. Sugriva zag echter kans zichzelf los te maken van zijn overweldiger en ging moedig de strijd met hem aan. Hij beet neus en oren van Kumbhakarna af en het monster kon dientengevolge nauwelijks nog ademhalen. Weldra werd hij omsingeld door een horde Vânara's die 'Aan Râma de victorie' en 'Aan onze Meester de overwinning' riepen en onderwijl een regen van rotsen, heuvels en bomen op hem lieten neerkomen. De demon, in razernij ontstoken, besprong de Vânara's, en ieder die in zijn handen viel, werd door hem vermalen en verslonden. Velen van hen werden doodgedrukt. Aldus slaagde Kumbhakarna erin de Vânara's in paniek uiteen te drijven.

Hierop zei Râma tot Lakshmana en anderen, dat het ogenblik was aangebroken waarop Hij het slagveld moest betreden. Zijn tussenkomst duldde geen verder uitstel. 'Lakshmana! Breng mij de 'onuitputtelijke' pijlenkoker', sprak Hij. Op Râma's bevel haalde Lakshmana onmiddellijk de koker en legde die in de handen van zijn broer. Gewapend met de Kodanda-boog betrad Râma het strijdperk en ging als een leeuw op zijn prooi af. Lakshmana, Sugriva, Hanumân en Jâmbavân volgden Hem. De pijlen uit Râma's boog doorkliefden de lucht en vlogen recht op de vijand af, als gevleugelde slangen. Zij verspreidden zich overal en drongen door tot in alle windrichtingen. Zij doodden miljoenen helden en krijgers in de vijandelijke gelederen. De Râkshasa's konden de woeste aanvallen van de pijlen niet langer verdragen en sloegen op de vlucht. De pijlenstroom droogde nimmer op. Elke pijl die werd afgeschoten, keerde terug naar dezelfde koker nadat hij de beoogde verwondingen had toegebracht. In het besef dat Râma van plan was de Râkshasa-legers te verdelgen, ontstak Kumbhakarna in razende woede. Hij brulde als een gewonde leeuw en wierp zich midden in het strijdgewoel. De Vânara's raakten in paniek en sloegen angstig op de vlucht. Toen het Râma duidelijk werd dat Hij geen andere keus had, richtte Hij een pijl op Kumbhakarna en sneed daarmee diens armen tot aan de schouders af. Dit deed het monster stralen als de Mandaraberg, toen zijn vleugels door Indra, de koning der goden, werden afgesneden. Hij stormde met schrille kreet op Râma af. Râma spande zijn boogpees tot het uiterste en schoot een bundel pijlen af die zijn gelaat met dodelijke kracht troffen. Toen hij werd geraakt, wankelde Kumbhakarna, doch hij bleef overeind. Dus schoot Râma nogmaals een pijl op hem af, die zijn hoofd van zijn romp scheidde. Het lichaam zonder hoofd liep nog een korte afstand door en om hieraan een einde te maken, schoot Râma nog een pijl af, die de romp in tweeën kliefde.

Plotseling verrees een schitterend wezen uit zijn lichaam, dat zich naar Râma voortbewoog en in Hem opging. De Râkshasa geraakte tot bevrijding zonder het beoefenen van enige sâdhana (geestelijke discipline) of japa (het herhalen van Gods namen) of tapas (ascese: het leren beheersen van de geest en de zintuigen). Bij zijn leven straalde hij als een ongeëvenaarde held op het slagveld. Bij zijn dood bereikte hij de hoogste staat van eenwording met God. Râma stond op het slagveld met zweetdruppels op zijn lotusgelaat. Op zijn lichaam waren enkele druppels bloed van Kumbhakarna te zien, die daar tijdens het gevecht op waren gevallen. Het begon te schemeren. Beide legers hadden een dag van brandende hitte en woeste gevechten achter zich, dus trokken zij zich in hun kampen terug. De genade hun door Râma geschonken, gaf de Vânara's nieuwe levenskracht. Als vuur dat gevoed wordt door verdord gras, zo laaiden de vlammen van hun geestdrift hoog op.

Overdag en 's nachts verloren de Râkshasa's aan kracht. Râvana beweende zijn lot en was niet te troosten. Hij was als een cobra die beroofd was van het sieraad op zijn kop. Hij drukte wenend het afgehouwen hoofd van zijn broer aan zijn boezem. Meghanada, zijn zoon, trachtte hem op allerlei wijzen te kalmeren: 'Morgen zal ik mijn kracht en heldhaftigheid tonen. Ik zal in minder dan geen tijd die Vânara-horde verpletteren. Ik zal u vreugde schenken die onmetelijk veel groter is dan het verdriet waaronder u thans gebukt gaat', pochte hij. Spoedig daarna brak de nieuwe morgen aan. Boodschappers berichtten Râvana dat de beren en apen de stad hadden omsingeld. Dit bracht de onbedwingbare krijgers onder de Râkshasa's ertoe zich andermaal in de strijd te mengen en tegen de vijand op te rukken.

Elk van hen vocht met om het even wie hij tegenover zich vond, naar beste kunnen met uiterste krachtsinspanning. Die ganse dag was de bezetenheid van de strijd onbeschrijfelijk angstaanjagend. Meghanada besteeg zijn magische strijdwagen en vloog omhoog. Zijn uitdagend gebrul donderde als onweer op de dag des oordeels. Als door de bliksem getroffen, stortten de Vânara's ter aarde. De weerklank van het gebrul deed de aarde beven. Met zijn magische vermogens creëerde hij in een ogenblik een pseudo-Sîtâ en zette haar naast zich in de strijdwagen en daalde neer bij het slagveld! Hanumân was de eerste die hen opmerkte.

Meghanada schreeuwde naar hem: 'Luister, Hanumân! Deze Sîtâ, omwille van wie je deze oorlog voert, zal ik thans doden. Zie toe. Met haar dood moet deze oorlog afgelopen zijn.' Hij greep zijn zwaard, hakte haar in stukken en wierp die weg. Hanumân werd vervuld van wraakzuchtige woede. Hij riep de Vânara's op door te vechten, zonder zich om hun leven te bekommeren en het Râkshasa-gebroed uit te roeien. De Vânara's vielen hen daarop aan met zulk een razernij dat de Râkshasa's zich in de hoofdstad terugtrokken.

Hanumân begaf zich naar Râma en berichtte Hem over de wandaad die Meghanada had begaan. Bij het aanhoren van dit nieuws deed Râma het voorkomen alsof Hij daardoor diep geraakt werd. Hij besefte wel degelijk dat het hier een pseudo-Sîtâ betrof, die was ontstaan door de magische vermogens van de Râkshasa's. Niettemin deed Hij alsof Hij gewoon 'mens onder de mensen' was. Ook Lakshmana was aan wanhoop ten prooi. Hij treurde om het verlies van de moeder aller werelden en was mistroostig bij het idee voort te leven in deze wereld. Toen hij hoorde wat er was geschied, spoedde Vibhishana zich naar Râma. Hij sprak: 'Meester! U kent de waarheid en weet dat dit hele incident bedriegerij is. Sîtâ leeft en wordt met grote zorg bewaakt. Alleen Râvana heeft toegang tot de plaats waar zij gevangen wordt gehouden. Meghanada heeft slechts een 'Sîtâ' gecreëerd en haar vervolgens gedood om ons te misleiden en tot wanhoop te drijven. Onder Râkshasa's komen zulke streken regelmatig voor. Ik weet dat zij een groot genoegen scheppen in dergelijke lage listen.' Râma en Lakshmana waren gelukkig toen zij deze woorden hoorden en zij waardeerden het dat Vibhishana de geheime tactieken van de Râkshasa's aan het licht bracht. Om zichzelf gerust te stellen en zich ervan te vergewissen dat Vibhishana's verklaring juist was, nam Hanumân een andere vorm aan en wist zo ongezien de stad Lankâ binnen te komen, waarop hij naar het park ging waar Sîtâ gevangen werd gehouden. Bij zijn terugkeer verzekerde hij de Vânara's dat hij Sîtâ gezond en wel had aangetroffen, hetgeen hen aanspoorde zich met nog grotere geestdrift in de strijd te werpen.

Meghanada keerde spoedig naar het slagveld terug. Ditmaal liet hij het niet slechts scherpe pijlen regenen, maar ook speren, strijdknotsen, bijlen en zwerfkeien. Alom hoorden de Vânara's de weergalm van angstwekkende luide kreten en bevelen als 'sla hem neer', 'houd hem' en dergelijke, maar zij konden niet zien wie deze bevelen opvolgden en op hen insloegen en hen vastgrepen! Het was een griezelige ervaring die hen in grote verwarring bracht. Zij waren niet in staat uit te maken waar het gevaar vandaan kwam en waar zij een toevlucht moesten zoeken. Zelfs geduchte helden als Nala, Nila, Angada en Hanumân sloeg de angst om het hart. Meghanada schoot zijn pijlen af op Lakshmana, Sugriva en Vibhishana en doorboorde hun lichamen. Zij bleven niettemin met onverflauwde felheid terugvechten.

Na korte tijd betrok Meghanada Râma zelf in de strijd. Hij schoot talloze sissende slangenpijlen op Hem af uit zijn vermaarde 'drakenwapen', de sarpastra. En Râma, de goddelijke acteur die de rol van mens op zich had genomen, de machtige held die Khara, Dushana en hun legers van mensenetende reuzen had vernietigd, liet toe dat Hij bedwongen werd door dat machtige wapen, sarpastra. Om de gepaste eerbied te betuigen aan die goddelijke draak en zijn kracht aan te tonen, stond Hij toe dat Hij gewond raakte door hem. Dat moge vreemd lijken, maar dit is het verhaal van Râma, die op aarde gekomen is met bepaalde kenmerken, vermogens en beperkingen. Mensen met beperkt denkvermogen, woorden en daden kunnen deze waarheid niet inzien. De Vânara's waren weerloos en bezorgd, doordat Râma was bedwongen door het wapen van de draak. Meghanada echter was in de wolken en onder het uiten van grove beledigingen, stormde hij wederom op de Vânara's af.

Jâmbavân zag hem en schreeuwde: 'O, jij verachtelijke worm! Blijf staan.' Maar Meghanada schoof hem opzij en zei: 'Schaam je. Tot dusverre heb ik je ongemoeid gelaten, als zijnde te oud om mijn aandacht te verdienen. Wat voor nut hebben je woorden voor mij? Ga uit de weg.' Hij wierp een drietand naar Jâmbavân, die het wapen gelukkig kon opvangen en terugwerpen naar Meghanada. Jâmbavân had met zijn krachtige worp zo goed doel getroffen, dat de drietand Meghanada recht in zijn hartstreek raakte. De gewonde Râkshasa draaide een paar maal om zijn as en viel toen neer. Jâmbavân rende naar de plaats waar Meghanada gevallen was, greep hem bij beide voeten vast en slingerde hem razendsnel in het rond, aleer hij hem met grote kracht tegen de grond sloeg. 'Zeg me nog eens dat ik oud ben. Oordeel zelf of ik de energie heb van de jeugd, dan wel de krachteloosheid van de ouderdom', daagde Jâmbavân Meghanada uit.

Meghanada overleefde de aanval. Hij stond met grote moeite op en strompelde weg. Hij had zijn grootspraak niet kunnen waarmaken, dus schaamde hij zich om zich aan zijn vader te vertonen. Hij ging rechtstreeks naar een tuin genaamd Nikumbala, waar menig Râkshasa in het verleden ascese had beoefend.

Vier van Vibhishana's hovelingen die incognito de bewegingen van de vijandelijke aanvoerders hadden gadegeslagen, kwamen te weten wat er was geschied en vertelden Vibhishana wat zij hadden vernomen. Vibhishana spoedde zich naar Râma en sprak: 'Meester! Ik heb zojuist het nieuws gehoord dat Meghanada op het punt staat een kwaadaardige yajña te volvoeren om boze machten gunstig te stemmen. Als hij de kans krijgt de rituelen uit te voeren, zal het daarna moeilijk worden hem te verslaan. Wij moeten dat met alle mogelijke middelen verhinderen.' Râma keurde het voorstel goed en was verheugd over Vibhishana's woorden. Hij ontbood Hanumân en Angada en zei tot hen: 'Broeders! Ga heen en zie erop toe dat de yajña waaraan Meghanada deelneemt, wordt ontregeld en verstoord.' Hij wendde zich tot Lakshmana en sprak: 'Lakshmana! Jij moet dit creatuur op het slagveld verslaan. Let wel dat de goeden treuren om zijn onrechtvaardige daden.' Râma had deze bevelen nog niet gegeven of Vibhishana, Sugriva en Hanumân verzamelden elk een reusachtige krijgsmacht van Vânara's en volgden Lakshmana om hem te ondersteunen.

Lakshmana bewapende zich met de immer gevulde pijlenkoker en nadat hij zich aan Râma's voeten had geworpen, verliet hij het kamp, met Râma in zijn hart. Angada, Nala, Nila en andere generaals liepen achter Hanumân aan. Toen zij het Nikumbala-park bereikten, zagen zij dat de ceremonie reeds was aangevangen en dat het vlees en bloed van karbouwen in het rituele vuur werden geofferd. Dus begonnen zij de riten te verstoren.

Meghanada zette echter de ceremonie voort. Toen gingen de Vânara's luidkeels de gezangen bespottelijk maken, die de Râkshasa's zongen om de boze machten voor zich te winnen. Dat kon de priesters er echter niet toe overhalen de rituelen te staken. De woedende Vânara's stormden daarom de offerplaats op, trokken Meghanada bij zijn haren op de grond en schopten hem. Meghanada nam de drietand ter hand en greep hen beet. Angada en Hanumân wierpen zich op hem en werden getroffen door de drietand. De slag kwam zo hard aan dat zij beiden op de grond vielen. Lakshmana kwam hun te hulp. Hij brak de verschrikkelijke drietand in tweeën. Angada en Hanumân herstelden zich spoedig en sloegen Meghanada uit alle macht. De Râkshasa liet zich evenwel niet ontmoedigen en gaf er zelfs geen blijk van geraakt te zijn. Lakshmana schoot de ene na de andere pijl op hem af, als was hij de god des doods, die gekomen was om hem te vernietigen. Elke pijl trof hem als een reeks bliksemschichten. Dus wendde Meghanada zijn magische vermogens aan om zichzelf onzichtbaar te maken. Hij nam menige mysterieuze rol aan en wist te ontsnappen. Lakshmana's geduld raakte tenslotte op. Hij zette een heilige pijl op zijn boog en terwijl hij de macht en majesteit van Râma erover afsmeekte, richtte hij de pijl op Meghanada, waar die zich ook mocht bevinden. Die pijl drong Meghanada's hart binnen en maakte een eind aan zijn leven. Aangezien hij in zijn laatste ogenblikken het beeld van Râma en Lakshmana voor zijn geestesoog had, prezen zij zijn heldenmoed en de wijze waarop hij de dood tegemoet was getreden. Hanumân nam het dode lichaam op zijn schouders, droeg het naar de stadspoort van Lankâ, waar hij het achterliet, en keerde terug.

Lakshmana liep op Râma toe en wierp zich aan Zijn voeten. Râma was verheugd over zijn welslagen en luisterde naar het uitgebreide verslag van de gebeurtenissen in het Nikumbalapark. Hij liefkoosde zijn broer met diepe genegenheid.

 

  

Râma (vreugde-bron) de Hoogste Genieter of oneindig Gelukzalige.
- Incarnatie van Krishna (Vishnu-tattva), ookwel Râmacandra genaamd: de Vishnu-avatâra die samen met Hanumân en zijn apen-horden en Zijn eeuwige metgezel en broer Lakshmana de demon Râvana, versloeg om Sîtâ te bevrijden, Zijn vrouw die door de demon was ontvoerd (zie S.B.
9. 10 en 9.11).
Sîtâ: de echtgenote van Râma waar het in de Ramâyana allemaal om draait: ze werd ontvoerd door de demon Râvana. Ook Janakî, als de dochter van Janaka genoemd. Ze werd Sîtâ of 'voor' genoemd omdat naar verluid ze uit een voor in de aarde was geboren die door Janaka tijdens het ploegen was gemaakt om de aarde voor te bereiden op een offer door hem ingesteld om nageslacht te krijgen, vandaar haar bijnaam Ayoni-ja, "niet uit de baarmoeder geboren". (Sita, zonder streepjes betekent ook het heldere van het maanlicht, blank, licht, gebonden en verbonden, terwijl het candra van Râmacandra slaat op de maan).
Lakshmana: broer van Râma die met Hem mee de wildernis inging bij Zijn verbanning.
Ayodhyâ: stad van Heer Râma en de koningen van de sûrya
vams'a.
Vams'a: dynastie; Heer Râma verscheen in de sûrya-vams'a van Ikshvâku ofwel de zonnedynastie en Heer Krishna verscheen in de candra-vams'a ofwel de maan-dynastie.   
Ikshvâku: een zoon van Manu, die in het verleden de kennis van de Bhagavad-gîtâ ontving (
S.B. 9.6: 4). Ook bekend onder de naam van zijn dynastie, waarin Heer Râma verscheen.
Râkshasa's: bepaald soort demonen, wildemannen, ookwel asura's genoemd, een begrip met een ruimere betekenis dat een ieder aanduidt die zich niet aan de regels houdt en slechts op genieten uit is en daarnaast ook de demonen aanduidt die zich openlijk tegen de godsdienstige beginselen verzetten en kwaadaardigen die tegen Râma en Krishna vechten. - Mensen-eters.
Lankâ: De stad van Râvana, hoofd van de Râkshasa's, die Heer Râma bevochten en Sîtâ ontvoeren.
Sugriva: Apen-koning, broer van Vali; met zijn apenleger met als leider Hanumân, assisteerde hij Râma om Râvana te verslaan.
Vali: Een grote apen-koning; de broer en tegelijkertijd vijand van Sugriva.
Hanumân: aapgod die Heer Râma's vanâra's (aapachtige bosbewoners) leidde in de strijd tegen de demon Râvana. Hij staat in Arjuna's vaandel als teken van overwinning. (Zie ook het gebed van Hanumân S.B.
5.19 en de Râma-hoofdstukken S.B. 9:10 & 11).
Jâmbavân: 'hij van de Jambu-bomen', de aanvoerder der apen, ook de aanvoerder of koning der beren genaamd. Hij mat zich met Krishna vanwege het syamantaka juweel, werd verslagen en overhandigde zijn dochter Jâmbavatî aan Krishna om mee te trouwen (zie
S.B. 10.56). Een bekend karakter ook vermeld in samenhang met Râma in S.B. 8.21: 8 en in S.B. 9.10: 42-43.
Râvana: de machtige demon genaamd tien-kop, die een trap naar de hemel wilde bouwen en de straten met goud wilde plaveien, maar door Krishna in diens Râma - incarnatie werd gedood nadat hij Sîtâ ontvoerd had.
Vibhishana: Râvana's broer, die Lankâ verlaat om zich bij Râma toe voegen.
Mandara-berg: Bij het karnen van de oceaan van melk werd de Mandara-berg als karnstok gebruikt en de grote slang Vasuki als het touw. Vishnu nam de vorm aan van een reusachtige schildpad om de berg te ondersteunen en voor zinken te behoeden [zie ook
S.B. Canto 8: 5, 6 en 7].

 

Schilderij: Râma richt zijn pijlen op de oceaan, door: Indra Sharma
Schilderij Râvana maakt zijn broer Kumbhakarna wakker door: Madhava Priya devi dasi
Schilderij Hanumân brengt de geneeskrachtige kruiden voor Lakshmana door: Indra Sharma
Schilderij van zonnebloemen door onbekende Indiase artiest

Inhoud van deze Vahini | vorige bladzijde | volgende bladzijde
bhajans