Dit is een e-boek geschikte download.
Terug naar:
http://vahini.org



"Mijn Naam is Waarheid"
het leven van Sathya Sai Baba
door
Wim G.J. van Dijk


Copyright © Stichting Sri Sathya Sai Baba - Nederland - 2003
en
Wim G.J. van Dijk, Arnhem

Uitgever: Stichting Sri Sathya Sai Baba - Nederland, Postbus 2349, 3500 GH Utrecht.
ISBN: 90-72308-36-0




INHOUD:

Inleiding
Enige informatie over Sai Baba

1. Wat vooraf ging 
2. Jeugdjaren
3. Lagere schooljaren
4. De middelbare school
5. Ik ben Sai Baba
6. Alles is illusie
7. De Oude Mandir
8. Meer tekenen van Zijn ware aard
9. Mijn geliefde broeder
10. Prasanthi Nilayam
11. Toenemende bekendheid
12. Jullie vreugde is mijn voedsel
13. De eenheid van alle godsdiensten
14. Bezoek aan Afrika
15. Liefde kent geen pijn
16. De Vormloze met vorm, de Naamloze met naam
17. Mijn leven is mijn boodschap
18. De 21ste eeuw

Enige verklarende aantekeningen
Belangrijkste geraadpleegde literatuur


Inleiding

Van en over de uit India afkomstige spirituele leraar Sathya Sai Baba zijn inmiddels in vele talen - waaronder ook het Nederlands - zeer vele boeken verschenen. Veel schrijvers behandelen Baba's leven en leringen in zijn totaliteit of lichten een onderdeel uit zijn leringen en behandelen dat tot in de kleinste details. Anderen vertellen over hun ervaringen met Baba of over de ervaringen van anderen. In het Nederlands was er tot nu toe nog geen biografie verschenen over deze spirituele leraar, die van zichzelf zegt: 'Ik ben God!' Met de publicatie van dit boek is deze lacune opgevuld.

Voor de feiten uit Sai Baba's leven is met name gebruik gemaakt van de publicaties die achterin dit boek staan vermeld en daarvan zijn, naast Baba's eigen teksten, de boeken van prof. Kasturi het uitgangspunt geweest. Andere schrijvers wijken soms af van de feiten zoals die bij deze officiële biograaf van Sai Baba vermeld staan. In twijfelgevallen is gekozen voor de versie van Kasturi. Soms is niet duidelijk wie er gelijk heeft, maar je kunt je afvragen of dat wel zo belangrijk is. Sai Baba heeft gezegd dat hij eindeloos redetwisten over wetenschappelijke details betreffende tijd en plaats afkeurt. In biografieën over Baba moet het daarom niet in eerste instantie gaan om de feiten uit zijn leven, maar om de onveranderlijke waarheid, die achter de feiten ligt. Baba zelf brengt de mensen soms in verwarring door in toespraken tegenstrijdige namen en data te noemen. Misschien is dat zijn manier om het onderzoeken van dergelijke weetjes te ontmoedigen.
Niettemin is het onderhavige boek wat de feiten betreft een 'studieboek'. Maar de lezer zal geen overdaad aan namen, plaatsen, jaartallen en voetnoten aantreffen. Voor deze werkwijze is gekozen om de leesbaarheid te vergroten en daarmee zal dit boek voor veel belangstellenden een goede ingang zijn tot Sai Baba's leringen.

Toen Sai Baba van Shirdi (de vorige belichaming van Sathya Sai Baba) hoorde dat Hemadpant zijn leven wilde beschrijven, zei hij: 'Wanneer zijn ego volledig vernietigd is en er geen spoor meer van over is, zal ik zelf in hem gaan en mijn levensloop schrijven. Door het vernemen van de gebeurtenissen uit mijn leven en mijn leringen zal geloof in het hart van de devotees ontstaan en zij zullen zeker zelfverwerkelijking en gelukzaligheid verwerven. Maar laat niemand trachten zijn eigen visie te geven en laat niemand proberen om welke mening dan ook van een ander te weerleggen. '

Dan nog enkele praktische zaken.

Wanneer Sai Baba letterlijk wordt geciteerd, zijn die teksten cursief gedrukt en dat geldt dus ook voor zijn woorden die voorkomen in dialogen. Veel dialogen komen uit de boeken van Kasturi, maar een deel daarvan heb ik zelf aangevuld of aangepast en weer een ander deel van de dialogen heb ik zelf geschreven. Als er sprake is van een dialoog waaraan ook Baba deelneemt, is eenvoudig te zien of Baba's tekst een letterlijk citaat is, aangezien in dat geval zijn tekst cursief gedrukt is. Dialogen maken een tekst levendiger en daarom is er in dit boek geregeld gebruik van gemaakt. Dit heeft evenwel niets aan de feiten op zich veranderd, want ook in de door mijzelf geschreven dialogen ben ik zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst gebleven. Die oorspronkelijke tekst komt meestal uit de boeken van Kasturi, maar soms citeert deze Sai Baba en anderen in verschillende boeken op verschillende wijze. Dan zijn er dus twee verschillende 'letterlijke' citaten betreffende dezelfde gebeurtenis. Kennelijk heeft hij zich bij het citeren enige vrijheid veroorloofd en daarom heb ik gemeend ook enige vrijheid te mogen nemen.
Op het uitgangspunt dat alle letterlijke citaten van Baba cursief gedrukt zijn, is een uitzondering. De tekst van het toneelstukje in hoofdstuk vier is uit praktische overwegingen namelijk niet in zijn geheel cursief gedrukt.

Het is in India de gewoonte om van een pasgeboren baby te zeggen dat hij één jaar is. Er is dus altijd een verschil van één jaar in de leeftijdsaanduiding tussen India en de Westerse wereld. In dit boek is consequent gekozen voor de Westerse telling.

Zij die proberen te leven overeenkomstig de leringen van Sai Baba, worden wereldwijd 'devotees' of 'Sai-devotees' genoemd. In dit boek is daarom steeds dit Engelse woord 'devotee' gebruikt, ook al bestaat er een goed Nederlands woord voor, namelijk 'toegewijde'.

En dan moet ik mij nog bij voorbaat verontschuldigen voor de Sanskriet woorden die zo nu en dan worden gebruikt. Zo nodig is bij het betreffende woord een korte verklaring gegeven. Verder zijn enkele Sanskriet woorden achterin het boek, onder het hoofdje 'Enige verklarende aantekeningen', nog nader verklaard. Onder datzelfde hoofdje is ook een korte toelichting gegeven op enkele namen en begrippen die niet bij alle lezers bekend zullen zijn. De nummers in de tekst verwijzen naar dit overzicht.

Tot slot wil ik Sai Baba bedanken voor de kans die hij mij heeft gegeven om hem te dienen door het schrijven van dit boek. En verder wil ik mijn moeder en Sjoukje van Dalen bedanken. Zij hebben verscheidene versies van mijn manuscript gelezen en ik heb veel gehad aan hun opmerkingen.

Enige informatie over Sai Baba

Aangezien deze publicatie voor sommigen het eerste boek zal zijn dat zij lezen over Sai Baba, is het goed om eerst enige feitelijke informatie over deze Avatar te laten volgen.

In ieder tijdperk zijn er grote wijzen, profeten en boodschappers op aarde geweest om de mens de weg naar God te wijzen. Wanneer de problemen op aarde erg groot zijn, komt God echter zelf naar de aarde in de vorm van een Avatar. Een Avatar is dus de vormloze God die naar de aarde afdaalt en een menselijk lichaam aanneemt.

Sathya Sai Baba is zo'n Avatar. Hij werd geboren op 23 november 1926 in een dorpje in Zuid-India en hij heeft voorspeld dat hij in dit lichaam 95 jaar oud zal worden. Bij zijn geboorte kreeg hij de roepnaam Sathya, hetgeen 'waarheid' betekent. Reeds tijdens zijn jeugd deed hij vele wonderen en toen hij dertien jaar was, maakte hij zich bekend als (Sathya) Sai Baba, de tweede belichaming van de Sai-Avatar. De eerste belichaming werd Sai Baba van Shirdi genoemd. Deze Shirdi Sai leefde van 1835 tot 1918 en bracht het grootste gedeelte van zijn leven door in het dorpje Shirdi, gelegen op ruim driehonderd kilometer ten oosten van Bombay.

Sedert zijn bekendmaking hebben miljoenen mensen zich tot Sathya Sai gewend voor hulp in lichamelijke en geestelijke nood en voor onderricht op het spirituele pad, een pad dat uiteindelijk zal leiden tot het doel van het leven, de eenwording met God.
Sai Baba predikt geen nieuwe godsdienst. Hij wijst ons op de fundamentele waarden die aan alle godsdiensten ten grondslag liggen, namelijk waarheid, juist gedrag, liefde, vrede en geweldloosheid, en hij spoort ons aan om deze waarden in praktijk te brengen.

De schepping, zegt hij, is God met daaraan toegevoegd een tijdelijke naam en een tijdelijke vorm. Er bestaat dus niets behalve God. Deze opvatting heet advaita of monisme en wordt ook Vedanta genoemd.
Na de dood van zijn lichaam zal hij in het huidige tijdperk nog eenmaal op aarde komen. Hij zal dan de naam Prema Sai Baba dragen. Prema betekent 'goddelijke liefde'. Prema Sai zal worden geboren in het dorp Gunaparthi, gelegen tussen de steden Bangalore en Mysore.

Overigens is God in de loop der tijden reeds in vele belichamingen op aarde geweest en Sai Baba noemt met name vaak Rama en Krishna. Rama leefde meer dan twintigduizend jaar geleden en was de belichaming van waarheid en juist gedrag. Krishna leefde ruim vijfduizend jaar geleden en was de belichaming van vrede en liefde. In deze tijd, waarin de wetenschap lacht om spiritualiteit en waarin haat en vrees het hart van de mens hebben verduisterd, is nu de Sai-Avatar gekomen als de belichaming van al deze vier.
Voor uitvoerige informatie over Sai Baba's leringen verwijs ik graag naar mijn boek Bevrijding komt niet uit de hemel vallen. (Uitgeverij Ankh-Hermes, tweede druk, 1992.)
Hierin vindt de lezer ook informatie over Shirdi Sai en Prema Sai, over het leven van Jezus zoals ons dat door Sai Baba is verteld en over de opmerkelijke overeenkomst tussen de leringen van Baba en Jezus.

1. Wat vooraf ging

 
'Toen Baba werd geboren, kende hij zijn goddelijkheid en wist hij dat hij God zelf was.'

'Jullie zijn allen God. Het enige verschil is dat ik het weet en dat jullie het nog niet weten.' Hij is de totaliteit van goddelijke energie en zijn kracht is veel groter dan de goddelijke kracht die in ieder mens afzonderlijk aanwezig is.

Hij kwam naar de aarde met een bepaalde taak: 'De goddelijkheid, die in iedereen aanwezig is in de vorm van een vonkje, bestaat in mij als de volledige vlam en het is mijn zending om elk goddelijk vonkje in iedereen te ontwikkelen tot de volheid van de goddelijke vlam.'
Om die taak te kunnen vervullen, zou hij geboren worden in de Ratnakaram Raju familie in het dorpje Puttaparthi in het zuiden van India. Daarna zou hij stap voor stap verder gaan.

Laten wij nu eerst teruggaan naar het moment van de conceptie. Hij had besloten niet geboren te worden als de vrucht van het samenkomen van een man en een vrouw, maar de aarde te betreden via rechtstreekse indaling in de moederschoot. Easwaramma zou zijn moeder worden. Zij was wel niet zo jong meer, maar zij was zo deugdzaam, liefdevol, zachtmoedig en bescheiden en toch ook zo verstandig. In de nacht voorafgaande aan de indaling had Lakshamma, de schoonmoeder van Easwaramma, een droom gehad van Sathya Narayana, de vorm van Vishnu (
1) die zij zozeer aanbad. En in die droom had deze haar gezegd, Easwaramma te vertellen dat zij niet moest schrikken als er iets vreemds zou gebeuren, want dat zou dan de wil van God zijn.
De volgende morgen in alle vroegte was het gebeurd. Easwaramma was water gaan halen bij de bron toen een grote bal van blauw licht naar haar toe rolde. Zij viel flauw, maar nog juist voordat zij helemaal buiten bewustzijn raakte, ervaarde zij hoe het licht in haar kwam.

Laten wij vervolgens nog verder teruggaan in de tijd.
Kondama en Lakshamma - die de grootouders van Sai Baba zouden worden - hadden twee zonen en drie dochters. De beide zonen hadden zij uit eerbied voor hun goeroe Venkapa genoemd.
Om hen te onderscheiden noemden zij de oudste Pedda en de jongste Chinna, wat zoveel als Senior en Junior betekent. Op een mooie dag in het jaar 1903 besloot Kondama om enige tempels te gaan bezoeken en om dan gelijk een bezoek te brengen aan de huurders van enkele stukken land die hij bezat en aan zijn zuster Venkatamma en haar echtgenoot Subba, die woonden in een afgelegen gebied. Hij nam Pedda Venkapa met zich mee, want het leek hem goed dat deze de huurders zou leren kennen. Bovendien was het een moeilijke en vanwege struikrovers ook gevaarlijke reis, dus was het wel prettig om met zijn tweeën te zijn.
En dan had hij wat Venkapa betreft nog een ideetje, maar dat hield hij voorlopig voor zich, al had hij er wel met zijn vrouw over gesproken.
Na een tocht van meer dan 160 kilometer kwamen de reizigers aan in het dorp Kolimigundla, waar zich de boerderij van Subba Raju bevond. Subba was een overtuigd devotee van Ishvara - een andere naam voor Shiva. In zijn dorp had hij vele jaren eerder zelfs een tempel voor hem gebouwd en zijn oudste dochter had hij Ishvaramba genoemd, hetgeen letterlijk 'moeder van God' betekent.
Subba en zijn vrouw waren erg verheugd Kondama te zien, want hun laatste ontmoeting was al jaren geleden. Na het uitwisselen van allerlei nieuwtjes kwam het gesprek op de huidige situatie in Kolimigundla. Subba klaagde over de onvruchtbaarheid van het land, het onaangename klimaat en het feit dat hij zijn familie zo zelden zag.
Enthousiast begon Kondama te vertellen over het gebied rond Puttaparthi, dat heel vruchtbaar was doordat de Chitravati erdoorheen stroomde. Bovendien wist Kondama dat er rond Karnatanagapalli, het dorp recht tegenover Puttaparthi op de andere oever van de rivier, grond beschikbaar was om te gaan bebouwen. Waarom verkocht Subba zijn land en zijn huis niet en kwam hij naar Karnatanagapalli? Subba aarzelde, want dat was toch wel een hele grote stap. Hier was hij geboren en hier was hij opgegroeid. Toen hij bleef aarzelen, kwam Kondama met zijn laatste en grootste troef: hoe zou Subba het vinden als Pedda Venkapa zou trouwen met zijn dochter Ishvaramba? Venkapa was nu achttien jaar en hij was een gezonde, sterke, intelligente en deugdzame man. Bovendien bezat Kondama voldoende land om zijn kinderen een goed leven te kunnen bieden. Dit aanbod kon Subba niet weigeren.
Niet lang daarna trouwde de nu dertienjarige Ishvaramba met Venkapa. Nog vóór Subba zijn voornemen om te verhuizen kon uitvoeren, overleed hij. Kort daarop verkocht zijn weduwe alle bezittingen en vestigde zich met haar andere vijf kinderen in Karnatanagapalli.
Na de bruiloft trak Ishvaramba - wier naam later algemeen geschreven werd als Easwaramma - in bij haar schoonfamilie, zoals dat de gewoonte was.
Zij was de oudste schoondochter en als zodanig was het bestieren van het huishouden haar taak. Een zware taak voor een meisje van nauwelijks dertien. Maar zij redde zich aardig. De andere huisgenoten, waaronder ook een oom en tante en enkele neven en nichten, hielpen haar zoveel mogelijk en iedereen ging al snel veel van haar houden. Zij stond altijd voor iedereen klaar en was erg zorgzaam. Evenals haar schoonmoeder bad zij tot Sathya Narayana, de Heer die als de hoogste waarheid in alle wezens woont. Maar ook ging zij geregeld naar de andere tempels in het dorp.

In het eenvoudige huis van Kondama was het altijd een drukte van belang. Officieel behoorden de Raju's tot de kaste van de kshatriya's, de strijders, maar reeds lang geleden hadden zij de uiterlijke strijd vervangen door de innerlijke strijd. Zij streden niet langer tegen uiterlijke vijanden, maar tegen innerlijke vijanden als woede, hebzucht en jaloezie. Door middel van toneel en poëzie probeerden zij de heilige boeken uit te leggen aan en te populariseren voor hun dorpsgenoten en de mensen uit de omliggende dorpen. In het huis van Kondama was het dan ook een komen en gaan van mensen die teksten of muziek schreven, toneelstukken oefenden of instrumenten bespeelden. Bovendien was Kondama persoonlijk zeer geliefd bij velen. Als iemand hulp nodig had, ging hij naar Kondama. Men vroeg zijn zegen bij aanstaande huwelijken, bij de aankoop van een os en zelfs bij ploegen, zaaien en oogsten. Hij stond altijd met raad en daad voor iedereen klaar, maar zijn eigen zaken behartigde hij minder goed. Hij vergat stukken land te verhuren waardoor ze soms jarenlang braak lagen en hij vergat zijn belasting te betalen met het gevolg dat hij na enige tijd vrijwel niets meer bezat.

Met Venkapa en Easwaramma ging het intussen goed. Zij gingen veel van elkaar houden en na enkele jaren kregen zij een zoon, die zij Seshama noemden. En in de jaren daarna kwamen er nog twee dochters: Venkamma en Parvathamma.
Maar daarna kregen zij een moeilijke tijd. Easwaramma kreeg viermaal een miskraam. Omdat zij dachten dat dit te maken had met zwarte magie, gingen zij naar duiveluitdrijvers en droegen zij talismans. Ook hielden zij puja's (erediensten) in de plaatselijke tempels en bezochten zij heilige plaatsen in de omgeving. Toen Easwaramma opnieuw in verwachting raakte, was iedereen heel bezorgd. Haar schoonmoeder bad veel tot Sathya Narayana en vroeg hem om een gezonde kleinzoon. In diezelfde tijd droomde Kondama enkele malen over zijn goeroe Venkavadhuta, die hem in zijn dromen vertelde dat hij voorbereid moest zijn - maar waarop, dat vertelde hij er niet bij.

Easwaramma had slechts heel weinig opleiding gehad, ze kon nauwelijks lezen en schrijven, maar dat was niet zo belangrijk. Zij kende een diep innerlijk weten - het resultaat van ontelbare goede daden in vele vorige levens. Maar ondanks de gebeurtenis bij de bron en ondanks dit diep innerlijk weten, zou het tot Baba's dertiende jaar duren vóór zij diens ware aard werkelijk zou beseffen en zou kunnen aanvaarden en zij zou vrijwel haar hele leven zelfs nog twijfels omtrent zijn goddelijkheid hebben.

Pedda Venkapa, een vroom en eenvoudig man, maakte zich ernstig zorgen. Het was al begonnen toen zijn vrouw hem vertelde dat zij, na vier miskramen, weer zwanger was. Zij had een vreemd verhaal verteld over een gebeurtenis bij de bron, maar het had hem het beste geleken daar maar niet op te reageren. Hij had al genoeg aan zijn hoofd: een vrouw, een zoon, twee dochters en het toezicht op zijn land en personeel. En de laatste tijd was zijn vrouw zo in zichzelf gekeerd. Zij leek hem vaak niet eens te horen wanneer hij haar iets vroeg. En nu kwam daar ook nog die kwestie van de tambura (een snaarinstrument) en de maddala (een trommel) bij. Al verscheidene malen was hij de laatste tijd 's nachts wakker geworden door geluiden in de woonkamer. Het leek wel of de tambura en de maddala uit zichzelf speelden. Maar dat was natuurlijk onzin. Het zou de wind wel zijn, of zouden het wellicht muzikale voorvaderen zijn die iets kenbaar wilden maken? Hij besloot binnenkort eens naar een sterrenwichelaar te gaan; misschien kon die hem wat wijzer maken. Venkapa was eerst naar verscheidene astrologen in het dorp gegaan, maar die konden hem niet helpen. Toen was hij naar een hele beroemde sterrenwichelaar in Bukkapatnam gegaan. Nadat hij had uitgelegd wat er aan de hand was, had de astroloog vragen gesteld, in dikke boeken gebladerd en aantekeningen gemaakt en tenslotte had hij gevraagd: 'Is de muziek mooi en kalmerend?'
'Ja,' had Venkapa geantwoord, 'de klanken gaan dwars door je heen.'
'Is er in uw huis een vrouw die een baby verwacht?'
Hij had bevestigend geknikt.
Vervolgens zei de astroloog: 'Het zijn de goden zelf die deze muziek maken en zij doen dat om de baby in de baarmoeder te plezieren.' Venkapa was verbijsterd geweest. De hele weg naar huis had hij die laatste zin voor zichzelf herhaald. Wat zou de toekomst brengen? Hij huiverde.

2. Jeugdjaren
 
Het was 23 november 1926, de dag van Sai Baba's geboorte en daarmee de dag waarop zijn taak op aarde begon, ook al wist nog vrijwel niemand dat. Hij bezat reeds alle krachten die hij later een voor een zou openbaren tot heil van de schepping. De volgende dag zou Sri Aurobindo in zijn ashram in Pondicherry aan de aanwezigen vertellen dat Krishna, God, opnieuw op aarde was gekomen en na enige tientallen jaren zou men zich dit herinneren en begrijpen dat hij over de komst van Sai Baba had gesproken.
Puttaparthi, het dorpje waar hij geboren werd, telde in die tijd nog geen duizend inwoners en toch zou het eens miljoenen mensen naar zich toetrekken. Aan één kant van het dorp stroomde de Chitravati en het gehele dorp was omringd door heuvels. Het dorp lag als het ware in een vallei en daardoor kon het er 's zomers erg heet worden, soms wel vijftig graden Celsius of meer. Puttaparthi betekent letterlijk 'een plaats vol mierenheuvels die een schuilplaats bieden aan slangen' - en dan met name aan cobra's.

Easwaramma had zojuist in alle vroegte haar Sathya Narayana puja (eredienst) beëindigd toen de weeën begonnen. Haar schoonmoeder bevond zich op dat moment in het huis van de priester om ook haar puja te doen en de aanstaande vader stuurde onmiddellijk iemand naar haar toe om te vragen of zij direct wilde komen, maar dat weigerde zij. Zij had zoveel vertrouwen in God dat zij eerst haar gebeden wilde afronden voor zij zou komen. Toen zij tenslotte kwam, bracht zij de gezegende bloemen en het gezegende water van de puja mee voor haar schoondochter. Buiten hoorden zij de andere dorpelingen de namen van Shiva zingen, want deze maandag de 22ste november was gewijd aan Shiva en de zon was nog niet opgekomen. Voor de dorpelingen liep in die tijd de dag namelijk nog van zonsopgang tot zonsopgang en dus was het voor hen nog maandag. En op het moment dat de horizon rood kleurde als aankondiging van de opkomende zon, werd God geboren in een menselijk lichaam. Het was 5.06 uur en de maandag ging nu over in de dinsdag, de dag die gewijd is aan Ganesha - hij die de obstakels uit de weg ruimt op de weg naar God.

Lakshamma controleerde de baby van top tot teen en de andere aanwezige vrouwen - waaronder zijn grootmoeder van moeders zijde en buurvrouw Subbamma - keken stralend toe. Groot was hun verrassing toen zij zagen dat het kind op zijn voetzolen moedervlekken had in de vorm van een schelp en een wiel, tekens die zij herkenden als symbolen van Vishnu. De uitgeputte moeder nam het kind in haar armen en allen feliciteerden haar met deze prachtige zoon. Nadat hij gewassen was, legde Lakshamma hem in een bedje van doeken in een hoek van de kamer en dat was het moment voor het eerste wonder na zijn komst op aarde. Aanvankelijk hadden de aanwezige vrouwen niet in de gaten dat de doeken op een vreemde manier gingen bewegen, maar dat duurde niet lang. Subbamma wees opeens angstig naar het bedje en toen schrokken ook de anderen. Nog voor een van hen haar handen had kunnen uitsteken om te kijken wat er aan de hand was, kroop er een cobra onder het bedje vandaan. Allen deinsden terug, want een cobrabeet is dodelijk. De cobra gleed echter weg van het bedje en verdween spoorloos. Snel keek Lakshamma of er niets aan de hand was met de baby en pas toen zij hem rustig zag slapen, was zij gerustgesteld. Deze gebeurtenis zou het hele dorp rondgaan en in het geheugen van velen blijven hangen. Degenen die in de heilige boeken waren onderlegd, zouden spreken over Shesha, de slang waarop Vishnu vóór de schepping rustte in de melkzee, en zij zouden zich afvragen wie er in hun midden een lichaam had aangenomen. En dit was nog maar het begin...

Zijn ouders gaven hem de namen Venkata Sathya Narayana. Venkata, net als zijn vader ter ere van de goeroe Venkavadhuta, en Sathya Narayana op uitdrukkelijk verzoek van zijn moeder, als dank aan deze vorm van Vishnu tot wie zij gedurende de gehele zwangerschap en ook reeds daarvóór had gebeden. Hij had haar de zoon geschonken om wie zij gebeden had; daaraan bestond voor haar geen twijfel. En dus was het deze naam die bij de narnakaranam, de naamgeving, in zijn oor werd gefluisterd. Voorlopig zou hij Ratnakaram Venkata Sathya Narayana Raju heten. In de wandeling: Sathya.

Easwaramma moest haar baby met het stralende gezichtje en de prachtige zwarte krulletjes geregeld uit handen geven en dat viel haar niet altijd licht, hoewel zij ook wel genoot van alle aandacht die haar kind kreeg. Soms nam haar schoonmoeder hem mee naar haar echtgenoot Kondama, die zich vaak in een door hemzelf gebouwd hutje, gelegen naast het ouderlijk huis, afzonderde om te bidden en te mediteren.

Ook kwamen er veel buurvrouwen over de vloer om hem urenlang te knuffelen. Soms had Easwaramma het er moeilijk mee wanneer een vrouw uit een lagere kaste hem wilde vasthouden, maar dan stak hij zijn armpjes naar deze vrouw uit om duidelijk te maken wat hij wilde. Hielp dat niet, dan begon hij erbarmelijk te huilen en dan kon zijn moeder niet anders dan hem in de armen van die vrouw leggen. Op grond van haar opvoeding en de plaatselijke gewoonten had Easwaramma soms moeite met de omgang met mensen uit een lagere kaste, maar dat gold niet voor Sathya. Voor hem waren alle mensen gelijk - zij waren allen in wezen God. 
Ook Subbamma Kamam nam hem geregeld mee naar haar grote, stenen huis, dat slechts twee huizen van dat van de Raju's vandaan stond. Zij en haar echtgenoot waren Brahmanen en behoorden dus tot de hoogste kaste. Bovendien waren zij de rijkste mensen van het dorp. Subbamma's echtgenoot was het dorpshoofd en de dorpsboekhouder. In opdracht van de overheid hield hij het plaatselijke kadaster bij en inde hij de belastingen voor de landbouwgrond. Hij was dus ook een belangrijk man. Aangezien de Karnams bovendien reeds tamelijk oud waren en zelf geen kinderen hadden, kon Easwaramma het niet over haar hart verkrijgen om Subbamma te weigeren hem zo nu en dan mee te nemen en te knuffelen. Bovendien maakte hij heel duidelijk dat hij daarvan genoot. Het kwam zelfs zover dat sommige mensen zijn echte moeder Devaki gingen noemen, de naam van de echte moeder van Krishna, en Subbamma gingen zij Yashoda noemen, die de pleegmoeder van Krishna was.

Reeds eerder is vermeld dat Easwaramma een diep innerlijk weten kende aangaande Sathya's ware aard, maar dat er toch zo nu en dan twijfel bij haar naar boven kwam. Toen hij ongeveer negen maanden oud was en zij weer eens dergelijke twijfels had, gaf Sathya haar een teken. Zij had hem juist in bad gedaan en aangekleed en zij had vibhuti (heilige as) (
2) uit de Shiva-tempel op zijn voorhoofd aangebracht. Vervolgens had zij hem in de schommelwieg gelegd en deze een duwtje gegeven. Terwijl zij de kokende melk van het vuur haalde, begon hij opeens te huilen. Nu huilde hij vrijwel nooit, dus enigszins verrast kwam zij naar de wieg, tilde het kind eruit en zette het op haar schoot. Hij hield op met huilen en begon licht uit te stralen. Langzaam liet hij een helder wit licht tevoorschijn komen tot het licht hem helemaal omringde. Easwaramma's ogen vulden zich met tranen van vreugde en de wereld om haar heen verdween. Zij kwam pas weer tot zichzelf toen haar schoonmoeder haar aanstootte en vroeg wat er aan de hand was. Enigszins aarzelend vertelde zij aan Lakshamma wat zij had meegemaakt. Deze keek bedenkelijk en waarschuwde haar schoondochter om dit verhaal aan niemand te vertellen. De mensen zouden het niet begrijpen en er zouden vreemde praatjes de ronde gaan doen. Easwaramma hield zich hieraan, maar haar schoonmoeder kon het niet laten om het zelf in vertrouwen aan haar echtgenoot te vertellen. Zou zijn eigen moeder nog lang twijfelen aan zijn aard, dat gold niet voor buurvrouw Subbamma. Zij begreep reeds heel vroeg wie hij was en zij twijfelde nooit. Haar zou je zijn eerste echte devotee kunnen noemen.

Sathya groeide voorspoedig op. Hij leerde kruipen, zette zijn eerste stapjes, sprak zijn eerste woordjes Telugu. Toen hij twee was, werd zijn hoofd kaalgeschoren en werden er gaatjes geprikt in zijn oorlelletjes. Deze ceremonie was gebruikelijk bij de hindoes. Mensen die naar het huis van Kondama kwamen om een toneelstuk te oefenen of muziek te maken, vergaten soms alles om zich heen om met de kleine jongen te spelen.
En toen hij op straat begon te spelen, was er altijd een drom andere kinderen om hem heen. Hij maakte daarbij geen onderscheid naar kaste of huidskleur. Naast Subbamma waren zij zijn eerste devotees. Zij zwierven rond, speelden in de meestal droge rivierbedding en zongen gezamenlijk bhajans (devotionele liederen). Kinderen waren en zijn nog altijd een dankbaar terrein voor een Avatar, een belichaming van God. Zij zijn van nature goed, liefdevol en vol mededogen voor mens en dier en zij hebben de neiging tot imitatie. De eerste jaren van zijn leven besteedde Sathya voornamelijk aan de kinderen en via de kinderen bereikte hij ook de ouders en andere volwassenen.
Een van de uiterlijke tekenen waardoor hij opviel, waren de strepen vibhuti die hij op zijn voorhoofd droeg en de ronde stip met kumkum (rood poeder) die hij tussen zijn wenkbrauwen aanbracht. De strepen wilde zijn moeder wel aanbrengen voor hem, maar tegen de stip had ze bezwaar. Deze zou het boze oog kunnen aantrekken! Voor de stip was hij daarom genoodzaakt kumkum uit de toilets pullen van zijn grote zusters te halen. Zoals Krishna boter 'stal' van de gopi's (de herderinnen van Brindavan), zo 'stal' Sathya kumkum van zijn zusters. Hoe zou hij zonder Shiva-strepen en zonder Shakti-stip herkenbaar zijn als Shiva-Shakti, bewustzijn en energie?

Sai Baba heeft nooit vlees of vis gegeten. God heeft de dieren niet geschapen om ze te laten doden door de mensen. Als kind vermeed hij altijd de plaatsen in het dorp waar varkens, schapen en kippen werden geslacht of waar vis werd gevangen. En hij hield zich ook altijd verre van keukens waar vlees werd gebraden. Wanneer hij hoorde dat zijn vader of een van de buren een kip greep om te slachten, dan ging hij erheen en nam het dier in zijn armen. Meestal werd het dier daarna toch wel geslacht, maar men voelde zich dan wat ongemakkelijk. Liefde voor dieren, ja, daar konden de dorpelingen wel begrip voor opbrengen, maar niet als het om hun maaltijd ging. Lichamelijke verlangens gingen bij de meeste mensen vóór alles. Zijn houding had wel tot gevolg dat zijn vriendjes ook bezwaar gingen maken tegen het slachten van dieren en dat de mensen uit de omgeving zijn handelen met aandacht gingen volgen. Sommigen noemden hem toen reeds Brahmajnani, een kenner van God.
Wanneer zijn ouders vlees wilden eten en verlangden dat hij dat ook zou doen, ging Sathya naar het huis van de familie Karnam. Zij waren immers Brahmanen en uit dien hoofde waren zij vegetariër en hij at dan mee van het voedsel dat Subbamma bereidde.
Later, toen hij een jaar of zes was en zijn grootvader Kondama alleen woonde in een huisje naast dat van Sathya's ouders - zijn vrouw was inmiddels overleden - ging Sathya geregeld vegetarisch koken voor hen beiden. Zij discussieerden dan vaak uitvoerig over allerlei religieuze onderwerpen en het verbaasde de grootvader niet, dat zijn kleinzoon kennelijk zeer goed thuis was in de heilige geschriften. Soms noemde hij de jongen zelfs liefkozend 'kleine goeroe'.

Niet alleen toonde Sathya mededogen met de dieren, maar uiteraard ook met de mensen. Wanneer hij een bedelaar hun huis zag naderen, rende hij snel naar huis - vaak met een hele rij vriendjes achter zich aan - om zijn moeder of zijn zusters ervan te overtuigen dat zij de man iets te eten moesten geven. Omdat hij zo aandrong, deden zij dat meestal ook wel, ofschoon zij een enkele maal een bedelaar wegstuurden. Sathya barstte dan in tranen uit en hield pas op met huilen wanneer zij de bedelaar teruggehaald hadden en hem alsnog iets hadden gegeven. Zijn moeder en zusters raakten soms geïrriteerd door de eindeloze stroom van blinden, lammen en zieken die dagelijks uit zichzelf naar hun huis kwam of door hun zoon en broer naar hun huis werd gebracht en zij beschouwden zijn handelwijze als kostbare en misplaatste liefdadigheid. 'Kijk dat kind nu toch! Hij ruïneert ons' en 'Hij denkt zeker dat hij de heer des huizes is,' werd er dan gemopperd. Nu was dat uit praktische overwegingen te begrijpen, maar wat zij niet zagen, was de eenheid van deze bedelaars met henzelf. De gehele schepping is één en dus moet je altijd helpen wanneer anderen in nood verkeren.
Zo nu en dan meende zijn moeder hem een lesje te moeten leren en zij zei dan: 'Sathya, je mag deze man voedsel geven, maar, denk erom, dan krijg jij vanmiddag niets te eten, want er is niet meer in huis!'
Sathya ging daar dan direct mee akkoord en hij weigerde die middag alle voedsel, ook al drong zijn moeder erop aan dat hij toch iets at. Natuurlijk wilde zij haar kind niets tekort doen, maar het zou in strijd geweest zijn met dharma (juist gedrag) (
3) wanneer hij dan toch iets zou hebben gegeten.
'Toen de honger van die man was gestild, was de mijne ook gestild,' zei hij dan en daarop had niemand een weerwoord.
Maakte zijn moeder zich teveel zorgen over zijn gezondheid, dan vertelde hij haar dat hij heerlijke rijstballen had gekregen van een oude man en hij liet haar aan zijn rechterhand ruiken om dat te bewijzen. Zijn hand rook dan naar ghi (geklaarde boter), melk en curd (yoghurt) en dan was zij gerustgesteld, ook al vroeg zij zich soms af wie die oude man toch wel was.

Zijn vriendjes wisten niet altijd wat zij met hem aan moesten. Vaak speelden zij met hem mee, bijvoorbeeld als hij protesteerde tegen het slachten van dieren of als hij bedelaars mee naar huis nam, maar soms kregen zij genoeg van hem en plaagden hem met het feit dat hij nooit loog tegen zijn ouders en dat hij altijd klaarstond om iedereen te helpen. Het was wel begrijpelijk dat zij niet altijd respect konden opbrengen voor hun ouders, want die gaven toch ook heel vaak het verkeerde voorbeeld. Over enkele jaren zou Sathya daar nadrukkelijk aan gaan werken. Voorlopig waren er reeds ouders van een aantal vriendjes, die hem aan hun kinderen voorhielden als voorbeeld. En dat gebeurde soms zo intensief dat zijn vriendjes hem reeds gingen beschouwen als hun goeroe.
Tijdens hun kinderspel aaide Sathya ieder dier dat op zijn weg kwam, ook al waarschuwden sommige volwassenen hem dat niet alle koeien, ossen en ezels te vertrouwen waren. Soms reageerden zijn vriendjes niet als hij de dieren aanhaalde, soms aaiden zij ze ook, maar zo nu en dan gebeurde het dat zij Sathya wilden plagen. Zij grepen dan een kip en zwaaiden die heen en weer aan haar poten, schopten een hond of draaiden de staart van een os om. Sathya werd hierover niet boos, want hij wist dat zij het deden zonder erbij na te denken. Het was niet echt hun bedoeling de dieren pijn te doen, ook al was het verkeerd.

Met Ramanavami, de viering van de geboortedag van Rama, was er in Puttaparthi altijd veel te doen. Aan het begin van de avond werd er meestal een toneelstuk opgevoerd, gebaseerd op een fragment uit de Ramayana, het epos over het leven van Rama. Sathya's inmiddels hoogbejaarde grootvader Kondama had daarin reeds talloze malen meegespeeld en hij deed dat nog steeds met groot enthousiasme. Niet alleen de inwoners van hun eigen dorp kwamen ernaar kijken, maar ook velen uit de omliggende dorpen. Puttaparthi had een goede naam op dit gebied. Later op de avond werd er een processie gehouden waarbij een grote afbeelding van Rama op een met bloemen overdekte ossenkar werd meegevoerd. Op de kar zat een priester om de bloemslingers en de kamfer van de bewoners aan te pakken. De mala's hing hij rond de afbeelding en met de brandende kamfer zwaaide hij ervóór. Toen Sathya vier jaar was, gebeurde het dat zijn vriendjes hem heel mooi aankleedden en hem op de kar onder de afbeelding van Rama neerzetten. Zo trok de stoet door het dorp en iedereen kwam naar buiten om te kijken, ook Sathya's ouders en broer en zussen. Die bleken zich juist zorgen te maken over hem, want zij hadden ontdekt dat hij ondanks het late uur niet in bed lag. Toen zij hem op de kar zagen zitten, vroegen zij aan zijn meelopende vriendjes waarom die hem op de kar hadden gezet.
'Omdat hij onze goeroe is!' zeiden ze tot verbazing van Sathya's familieleden.
 
3. Lagere schooljaren

In Puttaparthi was een kleine lagere school, bestemd voor de eerste twee leerjaren en daar gingen Sathya en zijn vriendjes naartoe toen zij vijf jaar waren geworden. De ouders van de meeste kinderen vonden het eigenlijk niet zo belangrijk dat hun kinderen iets leerden; belangrijker vonden zij het dat de kinderen niet rondzwierven met alle risico's vandien. Sathya's ouders vonden het wel belangrijk dat hun zoon naar school ging om iets te leren. Zij wisten heel goed dat hij een helder verstand had en zij zagen voor hem in de toekomst een goede betrekking, misschien wel in overheidsdienst, op voorwaarde dat hij behoorlijk geschoold zou zijn. De kinderen kregen van hun ouders nu ook een dhoti (lendendoek) of een korte broek en een shirt, terwijl zij vóór die tijd meestal naakt hadden gelopen. Kinderen tot een jaar of vier-vijf lopen in de warmere streken van India doorgaans naakt.
De lessen leverden voar Sathya geen enkel probleem op, maar hij luisterde toch aandachtig naar zijn onderwijzers en deed wat zij vroegen. Wanneer hij dat niet gedaan had, zouden ook zijn schoolkameraadjes hun best niet hebben gedaan en dat was niet de bedoeling.

In die tijd had deze school een - op zijn zachtst gezegd enigszins vreemd - strafsysteem voor laatkomers dat tot doel had de kinderen stiptheid te leren. Het eerste en het tweede kind dat de school binnenkwam en de onderwijzer groette, was op tijd. Alle anderen waren te laat en kregen voor straf met het rietje. Het aantal slagen hing af van de plaats die het kind innam in de rij van zogenaamde laatkomers. Het gevolg van dit systeem was dat vrijwel alle kinderen zéér vroeg naar school kwamen, ook bij regen en kou. En daar stonden zij dan te kleumen tot de lessen begonnen. Uit mededogen begon Sathya shirts, dhoti's en handdoeken van thuis mee te nemen om hen enigszins warm te houden. Zodra zijn ouders dit ontdekten, sloten zij alle kleding en dergelijke achter slot en grendel. Verder riep hij alle kinderen op een enigszins beschutte plek bij elkaar en begon met hen te zingen. Hij kende immers alle liederen die bij hem thuis werden geoefend voor de geregelde toneeluitvoeringen in het dorp. In die tijd begon hij zelfs al liedjes voor het toneel te componeren.
Naar aanleiding van dit strafsysteem volgt hier een voorval dat vele tientallen jaren later plaatsvond. Vanzelfsprekend is het belangrijk dat kinderen op tijd op school komen, maar het is nog veel belangrijker dat de onderwijzers op tijd zijn. Zij moeten immers het goede voorbeeld geven.
Op de dag dat Sai Baba een bezoek bracht aan een van de Saischolen in India, kwam een van de onderwijzers enkele minuten te laat. Na een rondleiding door het gebouw bezocht Baba juist zijn klas en hij stelde de kinderen allerlei vragen. Hij vroeg hun ook het een en ander over hun onderwijzer en hij eindigde met de vraag: 'Is hij nauwgezet?' Het deed de onderwijzer bepaald geen genoegen toen een meisje achterin de klas haar hand opstak en zei: 'Swami, hij was vanmorgen te laat.'
Baba keek afkeurend naar de ongelukkige man en verliet daarop de klas.
Toen hij de betreffende onderwijzer later die dag weer sprak, zei hij tegen hem: 'Dat was niet juist dat je vanmorgen een uur te laat op school kwam.'

'Nee, nee, Swami,' protesteerde de man in kwestie, 'ik was maar een paar minuten te laat.'
Waarop Baba concludeerde: 'Twintig leerlingen die ieder drie minuten hebben moeten wachten - een uur te laat!'

Na die twee jaar school in het eigen dorp moesten de kinderen voor de hogere klassen naar Bukkapatnam, een dorp dat zo'n vijf kilometer verderop lag, aan de andere kant van de rivier. Maar eerst moesten zij een soort examen afleggen om te zien wie er geschikt was om verder te leren. En zo gingen op een dag acht kinderen en een onderwijzer in een kar getrokken door een os op weg naar Panwarda in de buurt van Penukonda. De kar was afgeladen en telkens wanneer zij heuvelopwaarts moesten, kon de os het niet aan en moesten zij allemaal uitstappen en lopen. Nu zat er ook geen rem op de kar en dat betekende dat zij ook heuvelafwaarts moesten lopen. Zo liepen zij meer dan zij reden. In Panwarda gaf de onderwijzer nog tot vlak voor het examen les, maar daar was Sathya meestal niet bij aanwezig. Hij had namelijk de taak op zich genomen om te zorgen voor de maaltijden en dus stond hij een groot deel van de dag in de keuken om eten te koken. Na drie dagen examen te hebben afgelegd, gingen zij weer terug naar huis.

Toen de uitslag bekend werd gemaakt, bleek Sathya de enige van de groep te zijn die verder mocht leren. Dat alle anderen waren gezakt, werd mede veroorzaakt door het feit dat de kinderen in de war waren geraakt doordat de onderwijzers erg streng waren geweest. En dat was weer veroorzaakt door het feit dat dit speciale examen dat jaar voor het eerst werd afgenomen.

Vanaf die tijd ging Sathya samen met enkele neefjes en vriendjes en ook enkele oudere jongens iedere dag reeds vroeg met zijn boekentas op zijn hoofd of over zijn schouder op weg naar Bukkapatnam. In die tas zat ook zijn middageten, dat zijn moeder voor hem had klaargemaakt. Meestal bestond dat uit sangti (rijst en meel tezamen gekookt) en heerlijke chutney (een pikant mengsel van voornamelijk fruit en allerlei kruiden). Onderweg praatten en zongen de kinderen om de moed erin te houden, want het viel niet altijd mee. De weg naar Bukkapatnam was in die tijd nog erg slecht: zij moesten door de modder en over rotsen en in het regenseizoen moesten zij zelfs door diep water waden. En als de oudere jongens - die toch al jaloers waren op zijn studieresultaten - zich verveelden onderweg, dan konden zij Sathya altijd nog plagen. Zijn moeder zorgde ervoor dat zijn kleding altijd schoon en netjes gestreken was en dat konden de anderen niet erg waarderen. Zodra zij buiten het dorp waren, gebeurde het geregeld dat zij Sathya bij zijn voeten door de modder sleepten tot zijn kleren minstens even vuil en gekreukt waren als die van henzelf. Omdat deze handelwijze voortkwam uit onwetendheid, heeft Sathya er nooit over geklaagd en hij heeft het zijn schoolkameraadjes ook nooit kwalijk genomen.
Net als in Puttaparthi verzamelde Sathya zijn medeleerlingen om zich heen voor de lessen begonnen. Hij zette een afbeelding neer van Rama, Krishna of een andere godheid, zette er wat bloemen omheen en deed puja (eredienst). Na afloop deelde hij prasad (gezegend voedsel) uit en dat was voor velen de reden om de puja bij te wonen. Ook haalde hij soms voor hen uit zijn schooltas griffels, potloden, prachtig gekleurde knikkers of snoep tevoorschijn, wetend dat hun ouders dit veelal niet konden bekostigen. En als een van de kinderen ziek was of pijn had, haalde hij verse kruiden tevoorschijn die groeiden in het Himalaya-gebergte. Hij zei dan tegen de zieke dat hij daarop moest kauwen en het sap moest doorslikken. Wanneer de kinderen Sathya soms vroegen hoe hij aan al die dingen kwam, zei hij maar, dat hij die als een bijzondere gunst had gekregen van de dorpsgodin. De tijd en de kinderen waren nog niet rijp voor het moment van zijn bekendmaking. Vanuit Sai Baba's standpunt is er geen sprake van wonderen; alles wat hij doet, is gewoon een deel van hemzelf. Ondanks zijn verzoek om niet te praten over deze 'wonderen', vertelden de kinderen vaak aan hun ouders wat er was gebeurd. Sommige ouders waarschuwden dan hun kinderen dat zij beter niet met Sathya konden omgaan omdat deze aan zwarte magie deed. De kinderen trokken zich echter niets aan van dergelijke waarschuwingen en bleven gewoon met hem optrekken.

Wanneer een leraar hun dingen dicteerde, zat Sathya ook te schrijven. Wat niemand zag, was dat hij dan soms bhajans (devotionele liederen) zat te componeren of te vermenigvuldigen om ze later uit te delen aan zijn klasgenootjes.

Op een keer betrapte een van de leraren, Sri (mijnheer) Kondappa, hem en hij gaf eerlijk toe dat hij geen aantekeningen maakte van zijn lessen.

'Meneer,' zei hij, 'waarom zou ik opschrijven wat u zegt. Ik heb reeds begrepen wat u dicteert. Vraagt u mij maar wat u wilt over dit onderwerp en ik zal het juiste antwoord geven. '
De leraar was echter gekwetst in zijn trots en hij vond dat Sathya een slecht voorbeeld gaf aan de anderen en daarom beval hij hem op zijn bank te gaan staan en daar te blijven staan tot de les was afgelopen. Hij ging op de bank staan en stond daar dus nog toen de bel voor het volgende lesuur ging en Sri Mahbub Khan, de docent Engels, binnenkwam. Deze was verbaasd en geschokt te zien hoe zijn geliefde Sathya op de bank stond. Hij gaf heel veel om hem en hij was in die tijd een van de weinigen die zag dat Sathya goddelijke eigenschappen bezat. Hij vroeg aan Kondappa wat er aan de hand was en waarom hij niet van zijn stoel opstond om plaats te maken voor hem. Gespannen fluisterde deze hem toe dat hij niet van zijn stoel kon opstaan; wanneer hij oprees, ging de stoel mee. De kinderen die vooraan zaten, hoorden wat hij zei en begonnen te lachen en op Sathya te wijzen. Mahbub Khan knikte en adviseerde zijn collega de jongen van de bank te laten komen. Zodra Kondappa hem daarvoor toestemming had gegeven, kon hij zelf ook van zijn stoel opstaan.
Later vroegen mensen Sai Baba weleens waarom hij dat gedaan had. Had hij zo'n hekel aan die leraar? Nee, dat was het niet. Woede en haat maken geen deel uit van Baba. Het ging er alleen om de mensen uit zijn omgeving te laten zien dat hij anders was dan de andere kinderen. Bovendien was het voor de betreffende docent een les om te leren zijn trots los te laten.
Overigens werd dit verhaal in geuren en kleuren door de kinderen van de klas rondverteld en zo kwam het ook Sathya's ouders ter ore. Die waren erg boos op hun zoon en zijn moeder waarschuwde hem om zoiets niet nog eens te doen: 'Je zult nog van school gestuurd worden en dan wil geen enkele andere school je nog hebben. En dan zul je opgroeien tot een nietsnut, die alleen maar vee kan drijven!'
Kort daarop hoorde zij dat alle kinderen en leraren haar zoon als een beroemdheid beschouwden ondanks of misschien wel juist dankzij dergelijke voorvallen. Kondappa schreef zelfs een gedicht waarin hij Sathya een goddelijk kind noemde. En toen Sathya korte tijd later de beste leerling van alle scholen uit de streek bleek te zijn, was zijn moeder weer trots op hem, al was zij ook wel enigszins bevreesd voor de jaloezie van de andere ouders.

Als beste leerling van zijn klas kreeg Sathya van de docenten de functie van toezichthouder over de andere kinderen. Hij moest het voorbeeld geven bij het schoonhouden van het klaslokaal en bij het tonen van discipline. Vóór de lessen begonnen maakte hij daarom altijd het schoolbord schoon en vaak maakte hij ook de banken schoon. Soms moest hij in opdracht van een leraar zijn klasgenoten straffen. Dat hoorde ook bij zijn functie. Toen hij op een keer de enige van de hele klas was die het antwoord op een vraag wist, zag de leraar daarin een reden om alle andere kinderen te straffen en Sathya kreeg de opdracht ieder van zijn dertig klasgenoten enkele klappen in het gezicht te geven. Hij moest hun neus met zijn linkerhand stevig vastpakken en dan met zijn rechterhand slaan. Aangezien sommige kinderen veel groter waren dan hij moest hij zo nu en dan op een bank gaan staan om deze onplezierige taak te kunnen uitvoeren. Uit mededogen sloeg hij hen niet erg hard, maar dat beviel de leraar absoluut niet. Hij riep Sathya bij zich en schreeuwde: 'Heb ik je gevraagd om haldi-poeder op hun wangen aan te brengen? Ik heb je gevraagd om hen te slaan. Ik zal je laten zien hoe dat moet!'
Hij pakte Sathya's neus vast en telde de klappen die hij hem gaf - dertig in totaal. Sathya verdroeg het stilzwijgend, want hij vond het niet juist tegen een docent in te gaan. Bovendien achtte hij het zijn eigen schuld dat de straf niet was uitgevallen zoals de leraar dat had bedoeld, hoe belachelijk het loon ook was voor het goede antwoord dat hij had gegeven.

Na schooltijd en in de vakanties trok Sathya vaak op met een hele groep kinderen. Soms gingen zij de heuvels in en andere keren speelden zij in de droge bedding van de Chitravati. Vaak probeerde Sathya hun iets te leren: verdraagzaamheid, eerlijkheid, samen delen. Daartoe haalde hij bijvoorbeeld een groot stuk suikergoed tevoorschijn dat zij onder elkaar mochten verdelen zonder ruzie te maken. Ook vertelde hij hun wel over de engelen van God, die zijn wensen uitvoerden. En soms was er louter lila, spel, om hun te laten zien dat voor God niets onmogelijk was. Zo verzamelde hij op een keer een hele groep vriendjes en zei dat zij kikkers zouden gaan vangen. Nieuwsgierig vroegen zij wat Sathya van plan was, wel wetend dat hij dieren nooit kwaad zou doen. Hij weigerde evenwel dat te vertellen en spoorde hen alleen maar aan om mee te gaan. Zij hadden een vrolijke middag en vingen wel tien of twaalf kikkers. Sathya liet de kinderen de diertjes in een korf doen die hij had meegebracht, legde er een doek overheen, hield zijn handen er even boven en liet toen een van de kinderen de doek wegtrekken. Deze deed dat met een enigszins angstig gezicht, maar wie schetst hun verbazing toen er uit de korf een zwerm zwaluwen opvloog. Druk napratend over dit wonder liepen zij later weer naar huis, waar zij het verhaal direct aan hun ouders vertelden.

Bij Sathya thuis was het nog altijd een drukte van belang. Er waren nu bijna twintig kinderen in huis, want behalve zijn ouders met hun inmiddels vijf kinderen woonden ook de broer en een zus van zijn vader met hun gezin in hetzelfde huis. Soms haalde Sathya voor zijn broertje - de vijf jaar na hem geboren Janakiram - en zijn neefjes en nichtjes pepermuntjes en dergelijke uit een lege tas als zij hun ouders hielpen met het werk of als zij een goed cijfer op school hadden gehaald.
Zelf gaf Sathya altijd het goede voorbeeld.
Niemand van het gezin had in die tijd veel kleren. De kinderen hadden de kleren die zij droegen en een stel extra. Sathya had vaak nog minder kleren dan de anderen en dat had meerdere redenen.
Zo gebeurde het eens dat hij op een erg koude morgen buiten kwam en daar een kind naakt zag lopen, bibberend van de kou. Hij trok direct zijn shirt uit en hielp hem het aan te trekken. Hoe kon hij anders handelen wanneer hij lijden zag?
Zo nu en dan bracht zijn vader allerlei kleurige lappen stof mee uit een winkel in Bukkapatnam of Anantapur om kleren voor de kinderen van te laten maken. Wanneer hij thuis kwam, dromden ze allemaal om hem heen om de mooiste lappen uit te zoeken.
Alleen Sathya hield zich afzijdig. Zijn moeder, die dat zag, zei dan: 'Sathya, moet jij niets uitzoeken?' Deze glimlachte en zei: 'Nee, moeder, geef de anderen de kleren maar die zij uitkiezen. Wat er overblijft, zal ik nemen.' Zij trok haar zoon dan naar zich toe, knuffelde hem en probeerde hem over te halen haar te zeggen wat hij graag wilde hebben. 'Maar jongen, is er dan niets wat je graag zou willen hebben? Zeg het en je krijgt het van mij.' 'Ik heb niets nodig, moeder. Wat u mij ook geeft, zal ik aanvaarden.' Na een dergelijke uitspraak verbaasde zij zich weer even over haar kleine Sathya en deed er verder het zwijgen toe. Sathya zelf straalde van vreugde als hij zag dat de andere kinderen gelukkig waren met hun keuze. En meestal bleef er nog wel iets over om een nieuwe broek of een nieuw shirt voor hem van te maken.

Soms maakte Easwaramma zich zorgen over het gedrag van haar zoon, dat nogal afweek van dat van de andere jongens uit het dorp. Hij vroeg nooit ergens om, was altijd tevreden met wat hij kreeg en stond altijd klaar om te helpen. Met het oog op de toekomst probeerde zij hem te stimuleren om meer voor zichzelf op te komen. Zij hoopte dat hij zanger of danser zou worden, of wellicht dichter of toneelschrijver of zelfs regisseur, want zij zag duidelijk dat hij dergelijke capaciteiten bezat. Maar zij wist ook dat de samenleving vaak hard was en dat hij zou moeten vechten als hij iets zou willen bereiken in het leven. Haar moeite bleek evenwel steeds weer vergeefs. Sathya bleef even zachtaardig en gelijkmoedig als altijd, al betekende dat niet dat hij alle verkeerde dingen in de dorpsgemeenschap zomaar accepteerde.

Het dorpshoofd, de echtgenoot van Subbamma, was erg trots op zijn Hitler-snor, zijn dure polshorloge en zelfs op zijn Don Juan-allures en dat maakte hem niet tot een goed voorbeeld voor de andere dorpelingen. Daarom schreef Sathya een spotlied op hem en leerde dat aan zijn vriendjes. Iedere dag zongen de kinderen dit lied voor zijn huisdeur tot hij woedend naar buiten kwam om hun mores te leren. Dan renden zij hard weg zodat hij hen niet te pakken kreeg. Tenslotte werkte het: hij schoor zijn snor af, borg zijn horloge weg en stopte met zijn heimelijke bezoekjes. Subbamma had geen moeite met Sathya's gedrag, maar zijn eigen moeder schaamde zich voor hem en gaf hem een flink standje.
Meer van dergelijke speldenprikken zouden volgen.
In een volgend gedicht schreef hij over de grootgrondbezitters in het dorp die profiteerden van het werk van hun arbeiders, die in weer en wind de grond bewerkten om rijst te planten, te verzorgen en te oogsten. Met als excuus dat het kaste-systeem het nu eenmaal zo wilde, betaalden zij hun arbeiders vaak slechts een schamel loon voor hun harde werk. Ook dit lied zongen de jongens op vele plaatsen in het dorp, evenals liederen tegen andere sociale misstanden zoals overmatig drankgebruik, ontucht en analfabetisme. Sathya's moeder wrong haar handen bij zoveel brutaliteit van de kant van haar zoon en vroeg zich af of hij echt wel zo zachtaardig was als hij vaak leek te zijn. En de andere dorpelingen vreesden of hoopten juist dat Sathya een revolutie wilde ontketenen. Ja, hij wilde een revolutie ontketenen, niet met geweld, maar met liefde!

Sathya begon nu vaker gedichten en bhajans te componeren en teksten te schrijven voor de professionele uitvoeringen waaraan zijn grootvader, zijn vader, zijn oom Chinna Venkapa en nog enkele andere familieleden meededen. Wanneer zij aan het oefenen waren wanneer Sathya uit school thuiskwam, bleef deze vaak kijken. Hij gaf dan ook commentaar en zo gebeurde het al spoedig dat men hem vroeg mee te spelen. Aanvankelijk speelde hij in enkele stukken mee als de jonge Krishna, maar toen men op een gegeven moment behoefte had aan iemand die Draupadi, de echtgenote van de vijf Pandava's, kon spelen en er niemand beschikbaar was, kreeg Sathya die rol toebedeeld.
Draupadi is een belangrijke figuur uit de Mahabharata, het grote epos over het leven van Krishna. In het betreffende toneelstuk ging het om de scene aan het hof van de koning, waarin de Pandava's eerst al hun bezittingen en dienaren, vervolgens hun eigen vrijheid en tot slot hun echtgenote tijdens het dobbelspel verliezen aan de Kaurava's. Wanneer zij vervolgens in opdracht van de Kaurava's ontkleed zal worden, bidt zij in opperste wanhoop tot God om hulp. Dan geschiedt een wonder: het blijkt onmogelijk om haar te ontkleden, want aan de lengte van haar sari komt geen einde.
In het toneelstuk droeg Sathya maar liefst zeven sari's over elkaar heen voor deze slotscene, hetgeen alleen mogelijk was omdat hij zo tenger was. Het applaus was overdonderend!
Het zal niemand verbazen dat hij sindsdien vaker vrouwenrollen speelde, zoals die van Mohini, Devaki en Tara.

In die tijd bezocht een populaire toneelgroep de streek rond Puttaparthi. Deze trad op in vele steden en dorpen en men sprak over niets anders. Toen de groep een optreden in Puttaparthi verzorgde, ging Sathya ook kijken. Een van de leden van deze groep was een jong meisje dat geweldig kon dansen. In een bepaald dansnummer liet dit meisje, dat zich op het toneel Rishyendramani noemde, gedurende het gehele optreden een fles op haar hoofd balanceren met daarop een bord en daarop weer een aantal lichtjes. Op een gegeven moment ging zij dan op de grond zitten, strekte zich uit op haar buik en pakte met haar tanden een zakdoek van een lucifersdoosje dat op de grond lag. Daarna kwam zij weer overeind met de zakdoek tussen haar tanden, terwijl de fles en het bord met de lichtjes nog steeds op haar hoofd balanceerden. Een geweldig applaus was haar beloning.
Thuisgekomen probeerde Sathya haar optreden met de fles, het bord, de lichtjes en de zakdoek na te doen en dat ging perfect. Ondanks aandringen van zijn familie weigerde hij deze dans aan zijn repertoire toe te voegen. Binnen korte tijd wisten heel veel mensen dat hij dit kunststukje ook kon en toen enige ondernemende lieden hem enige tijd later vroegen om deze dans op te voeren tijdens de jaarlijkse veemarkt in Kothacheruvu, liet hij zich overhalen. Zonder overleg met hem kondigden zij vervolgens aan dat de beroemde Rishyendramani zou optreden. Op de dag van de jaarmarkt verkleedden Venkamma en Parvathamma hun broertje als meisje en brachten hem naar Kothacheruvu. Het gordijn ging open en het toneelstuk begon. Toen Sathya zijn dans opvoerde, was het publiek laaiend enthousiast. Niemand had in de gaten dat het Rishyendramani niet was. En hij had het nummer zelfs nog wat verbeterd: in plaats van een zakdoek met zijn tanden op te rapen, raapte hij met de stellage balancerend op zijn hoofd - met zijn ene ooglid een naald op. Na afloop van het toneelstuk stond de voorzitter van de feestcommissie erop 'Rishyendramani' een medaille op te spelden! Sathya's ouders vreesden dat hij nu door de mand zou vallen, maar alles ging gelukkig goed.
Nadien kreeg hij vele uitnodigingen om deze dans ook elders op te voeren, maar daaraan gaf hij slechts sporadisch gehoor. Toen hij enkele jaren later in Uravakonda woonde en daar een feest werd georganiseerd waarvan de baten bestemd waren voor de uitbreiding van de school, nodigde men ook Rishyendramani uit. Nu bleek zij op het laatste moment verhinderd te zijn en dat was een ramp, want de goede verkoop van de kaartjes was het gevolg geweest van haar aangekondigde optreden en bovendien waren er allerlei belangrijke personen uitgenodigd. Daarom ging Sathya naar het hoofd van de school en bood aan de plaats van Rishyendramani in te nemen. Deze aanvaardde het aanbod en het optreden was een groot succes. Toen een van de hoogwaardigheidsbekleders 'Rishyendramani' de volgende dag een sari als beloning wilde geven, kwam Sathya samen met het schoolhoofd het toneel op. Toen het hoofd vertelde dat Sathya degene was die de vorige dag had opgetreden, was iedereen stomverbaasd en nog dagen lang werd er druk over gepraat.

Toen hij een jaar of negen was, formeerde Sathya de Pandari Bhajan Groep. De leden van deze groep - totaal een stuk of achttien - waren merendeels dezelfde jongens als degenen met wie hij de spotliederen zong. Door middel van deze activiteiten hield hij de kinderen weg van verkeerde bezigheden zoals de hanengevechten en van de bioscoop, die inmiddels ook in Puttaparthi zijn intrede had gedaan. Nu is 'bioscoop' eigenlijk een groot woord voor de films die werden gedraaid in een achteraf-zaaltje, maar Sathya vond het belangrijk om de kinderen zo vroeg mogelijk te leren dat de meeste films een slechte invloed hadden. Zij toonden vaak alleen de ongunstige kant van het gezinsleven en verheerlijkten wreedheid en misdaad. De volwassenen kon hij niet tegenhouden, maar de kinderen vaak wel.
Gekleed in een okerkleurige bloes en broek en voorzien van enkelbelletjes trok de groep geregeld zingend en dansend door de straten van het dorp. Een van de kinderen bespeelde daarbij de trommel, een ander het harmonium en weer anderen droegen een vlag. Zij zongen bestaande bhajans en balladen, maar ook liederen die Sathya zelf schreef en die hij de kinderen leerde. De liederen gingen over pelgrims die verlangden naar darshan (het zien en/of ervaren) van de Heer, over de beproevingen van de lange reis, de vreugde bij het bereiken van de tempel, maar ook over een pelgrimstocht naar Shirdi waar het graf was van ene Sai Baba. Van Shirdi en Sai Baba hadden de kinderen nog nooit gehoord, maar zij zongen wat Sathya hun leerde. Veel toehoorders vroegen zich af waar Sathya gehoord had over die Sai Baba van Shirdi; zij kenden hem in ieder geval niet. Gezien de naam zou het, dachten zij, wel gaan om de een of andere moslim-fakir. Aangezien de dagelijkse bezigheden hen vrijwel volledig in beslag namen, vergaten zij weer om Sathya ernaar te vragen.
De Pandari Bhajan Groep had veel succes en de meeste dorpelingen gaven de kinderen graag de kleine financiële bijdrage die zij vroegen voor het instandhouden van de groep. Het ging om een vrijwillige bijdrage van slechts één anna per maand voor papier en pennen voor het vermenigvuldigen van de bhajans, voor de aanschaf van rijst die zij uitdeelden als prasad (gezegend voedsel), voor wierook, kamfer enzovoort. Deze munt, de anna, bestaat nu niet meer, maar hij had een waarde van één-zestiende roepie.
Tijdens de optredens was Sathya de voorzanger en in de toneelstukjes speelde hij vele rollen. Een van de teksten ging over Sri Narasimha van Kadiri en was gebaseerd op een bekend verhaal uit de streek. Narasimha was een Avatar (belichaming) van Vishnu en had de vorm van een man-leeuw. De groep zong over de manhaftigheid en de daden van Sri Narasimha en bij de regel 'Uit de pilaar van staal sprong de god als leeuw tevoorschijn' sprong Sathya plotseling op terwijl zijn gezicht een uitdrukking van woestheid en verontwaardiging aannam. Alle aanwezigen werden doodsbang bij die aanblik en enkele sterke mannen probeerden de jongen vast te grijpen. Tevergeefs! Niemand kon hem benaderen! Pas nadat enkele toehoorders puja voor Sathya - de gemanifesteerde god Narasimha - hadden gedaan, met de kamfervlam hadden gezwaaid en kokosnoten voor zijn voeten hadden gebroken, nam hij zijn normale vorm weer aan waarna het lied werd voortgezet.
Deze gebeurtenis verspreidde de faam van de groep naar alle dorpen in de omgeving en de kinderen werden steeds vaker uitgenodigd om elders op te treden. Immers, zo vertelden de dorpelingen elkaar, als de Pandari Bhajan Groep optrad, dan manifesteerde God zich zelf! Soms werden zij met een ossenkar gehaald en gebracht, maar soms moesten zij wel tien of twintig kilometer lopen om in het betreffende dorp te komen. Maar dat hadden zij er graag voor over.

Sathya's zuster Venkamma en haar echtgenoot Subba - hij was een jongere broer van Easwaramma - hadden besloten een eigen huis te bouwen. Het moest een stenen huis worden en dat was zeker in die tijd een hele klus. Met de hulp van vele familieleden, buren en vrienden hadden zij reeds honderden stenen gevormd uit klei. Deze lagen te drogen en zouden de volgende dag gebakken worden. Er lag al een hele berg hout gereed voor dat doel. Nu was het moessontijd en dat betekende vaak enorme stortbuien. En juist op dat moment, terwijl de stenen lagen te drogen, werd de lucht donker en dreigend. Een stortbui zou alle stenen in korte tijd veranderen in een berg vormeloze klei.
Een van de buren stelde voor om de stenen te bedekken met bundels gedroogde suikerrietbladeren. Een vriend van hem, die op de andere oever van de rivier woonde, zou die vast wel beschikbaar willen stellen. Onmiddellijk waadden alle mannen, vrouwen en kinderen door de Chitravati naar de tegenoverliggende oever. Sathya sloot de rij. En toen hij midden in de rivier stond, stopte hij en riep: 'Wacht allemaal!' Toen iedereen naar hem keek, hief hij zijn handen op naar de lucht en zei: 'Venkamma. Het zal droog blijven.' En op dat moment dreven de donkere wolken snel weg, de wind ging liggen en de lucht werd helder. Alle aanwezigen beseften dat Sathya macht had over de elementen en in doodse stilte keerde iedereen terug naar huis.
Langzamerhand gingen zijn dorpsgenoten inzien dat Sathya geen gewoon kind was en velen begonnen hem te bewonderen en lief te hebben, maar ook begonnen sommigen hem te vrezen, te benijden of te wantrouwen. Zo is de wereld: waar liefde is, is haat, waar vreugde is verdriet. De schepping is gebouwd op tegenstellingen, op dualiteit en deze dualiteit is er de oorzaak van dat de schepping zonder einde zal zijn. Oorzaak en gevolg zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Niet alleen maakte Sathya bezwaar tegen het doden van dieren, zoals reeds eerder is verteld, maar ook maakte hij bezwaar tegen datgene wat in het dorp - en in vele andere dorpen - werd gezien als sport en waarbij dieren slecht werden behandeld. Zo ging hij nooit kijken naar de jaarlijkse ossenkar-races, die werden gehouden in de droge bedding van de Chitravati. En hij verbood ook zijn vriendjes om erheen te gaan. De eigenaars van de ossen deden er alles aan om maar te winnen: zij draaiden de staart van hun os om, zij sloegen erop los met een zweep enzovoort. Ook hanengevechten kwamen in het dorp veel voor en soms kwam er iemand met een beer die hij tegen betaling liet dansen. Lijden veroorzaken is altijd verkeerd. God is in alles aanwezig, dus hoe kun je dan dieren kwellen? Meestal was er in dergelijke gevallen sprake van onnadenkendheid en niet van kwaadwilligheid. Maya, illusie, benevelde het denken. Ook in latere tijden heeft Sai Baba devotees er vaak op moeten wijzen dat zij in hun omgang met dieren moesten nadenken. Zo waren er een keer een aantal devotees die met een ossenkar van de ashram terugkeerden naar hun auto's die in Karnatanagapalli stonden. Om dit dorp te bereiken moesten zij de rivierbedding oversteken en Baba liet hen speciaal terugroepen om hen erop te wijzen dat zij bij het bereiken van de zandbedding moesten uitstappen, omdat de kar anders veel te zwaar zou zijn voor de ossen om te trekken. Geen enkele van het gezelschap was uit zichzelf daarop gekomen.

 
4. De middelbare school

Seshama, die al bijna volwassen was toen Sathya werd geboren, was de knapste van het gezin. Hij was met vlag en wimpel voor alle examens geslaagd en hij had inmiddels zelfs een graad behaald in de Telugu taal en literatuur. Maar ondanks al zijn wereldse kennis slaagde hij er niet in Sathya's goddelijkheid te begrijpen. Het is nu eenmaal zo, dat het verstand je slechts een klein stukje kan voorthelpen langs het pad dat leidt naar God; de rest wordt verlicht door de intuïtie, het innerlijk weten. Sathya's broer en ook zijn vader hielden zich alleen vast aan het intellect en op grond daarvan besloten zij dat de wonderen die Sathya deed, verband hielden met het feit dat hij bezeten was door een boze geest.


Inmiddels had Sathya de lagere school afgemaakt. Zijn ouders waren het erover eens dat hij beslist naar de middelbare school moest. Maar er was in een straal van dertig kilometer rond Puttaparthi geen middelbare school te vinden. Waar moest hij dan naartoe?
Enkele jaren eerder was Seshama getrouwd met een meisje uit Kamalapur en in dit dorp was een goede middelbare school. Dat resulteerde in het besluit van zijn vader en broer dat het voor Sathya het beste was als hij met zijn broer zou meegaan naar Kamalapur. Ver weg van zijn huidige omgeving zou Seshama er zeker in slagen zijn broertje om te vormen tot een normale jongen. Sathya's moeder was het met deze gang van zaken niet eens. Omdat zijn eigen broer geloofde dat hij bezeten was door een boze geest, zouden de mensen in Kamalapur Sathya zeker niet serieus nemen en hem belachelijk maken. Gezien zijn hoge intelligentie vond Easwaramma het ook niet juist de jongen verdere scholing te onthouden en dus stemde zij met pijn in het hart in met het besluit van haar man en haar oudste zoon.

Seshama's rijke schoonouders toonden zich bereid een arm familielid van hun schoonzoon in huis op te nemen. Hij moest wel wat karweitjes doen, zoals water halen en hout sprokkelen, maar daartoe was Sathya gaarne bereid. Seshama zelf was niet zo vaak aanwezig aangezien hij bezig was met een opleiding tot leraar. Op grond van zijn prestaties werd Sathya toegelaten tot de derde klas van de middelbare school. De studie leverde geen probleem op, maar er waren wel andere problemen.
Zo had hij aanvankelijk maar één shirt en één broek en die moest hij dus iedere dag dragen. Hij maakte er een gewoonte van om zijn kleren 's avonds te wassen en 's morgens te strijken, zodat hij toch iedere dag schone kleren kon dragen. Gelukkig stuurde zijn moeder hem na korte tijd een shirt, dat zij gemaakt had van een oude sari en ook later stuurde zij zo nu en dan enige kleding.
Een ander probleem was zijn zakgeld. Hij had wel niet veel nodig, maar soms moest hij toch wat spullen voor school kopen of moest hij een broek of shirt laten herstellen. Van zijn vader had hij bij zijn vertrek naar Kamalapur twee anna gekregen, maar die waren al snel op. Sathya besloot daarom zijn eigen zakgeld te gaan verdienen. Op een dag ontmoette hij een plaatselijke winkelier, Kote Subbanna genaamd, die vertelde dat hij wat meer zou willen doen aan reclame. Sathya bood aan tegen een kleine vergoeding versjes te maken met daarbij een pakkend wijsje op willekeurig welk huishoudelijk product. De winkelier accepteerde dit aanbod en zo maakte Sathya als proef een versje op Bala Bhaskara, een wondermiddel tegen alle kwalen. Subbanna stuurde enige kinderen - met wat zakgeld in het vooruitzicht - de straat op met borden met daarop de naam van dit nieuwe product. Zij liepen in optocht door het dorp en zongen daarbij in koor het versje. De verkoop steeg aanzienlijk en vanaf die tijd maakte Sathya vaker versjes voor hem. Wanneer hij dan van huis naar school liep en langs Subbanna's winkel kwam, snelde deze naar buiten en vertelde de jongen om welk product het ging. Op de terugweg van school naar huis leverde hij meestal zijn lied al weer bij hem in. Toen andere winkeliers het succes van de versjes zagen, begonnen zij ook naar Sathya toe te komen voor versjes in de hoop op deze manier van hun moeilijk verkoopbare artikelen af te komen.

Aangezien hij tamelijk goed was in sport, kon Sathya erg goed opschieten met de gymnastiekleraar. Toen deze op school een afdeling van de padvinders oprichtte, vroeg hij ook aan Sathya om - net als de meeste van diens klasgenoten en vrienden - padvinder te worden. Zonder hem te hoeven uitleggen dat hij daar geen geld voor had, slaagde Sathya er aanvankelijk in dit beleefd te weigeren. Maar enige tijd later gaf hij op aandringen van zijn klasgenoten toch toe en werd lid van de padvinders. Toen er kort daarop in het bijna vijftien kilometer verderop gelegen dorp Pushpagiri een jaarmarkt werd gehouden, besloot de leraar-hopman een kamp te organiseren om de mensen daar te helpen. Er zou genoeg te doen zijn voor de jongens. Er zou drinkwater moeten worden gehaald voor de enorme menigte die er werd verwacht, er zouden zoekgeraakte kinderen moeten worden opgespoord en er zou een eerste-hulp-post moeten worden ingericht.
'Raju, alle padvinders gaan naar Pushpagiri. Je gaat toch ook mee?', 'Wij kunnen niet zonder jou!' en 'Als jij niet meegaat, Raju, dan gaan wij ook niet,' riepen al zijn klasgenoten en vrienden.
'Goed, ik zal meegaan,' antwoordde Sathya en een luid gejuich weerklonk.
Het zou een mooie gelegenheid zijn om hun een voorbeeld te geven van waarachtige seva (onbaatzuchtige dienstverlening) en die mocht Sathya niet voorbij laten gaan. Misschien klinkt het wat vreemd dat de kinderen hun schoolkameraadje 'Raju' noemden en niet 'Sathya', maar dat was een gebruikelijke familiaire aanspreekvorm in die tijd.

Toen Sathya die dag de klas had verlaten, zei zijn vriendje Sudhir, die aan de rechterkant in de schoolbank naast hem zat, tegen zijn andere vriendje Ramesh, die aan zijn linkerkant zat: 'Ramesh, je weet toch wel dat het de bedoeling is dat wij tijdens dat kamp allemaal een padvindersuniform dragen om makkelijk herkenbaar te zijn? Raju heeft geen uniform en volgens mij heeft hij ook geen geld om er een te kopen.' Ramesh antwoordde: 'Nee, hij heeft inderdaad nog geen uniform. Dat zei hij mij vanmorgen nog. Misschien moeten wij het voorleggen aan de hopman.' 'Ik denk niet, dat Raju dat prettig vindt. Weet jij geen oplossing?' 'Ik zal aan mijn vader vragen om twee uniformen voor mij te laten maken. Mijn ouders hebben toch geld genoeg. En dan geef ik er één aan Raju.' Toen Sathya op een ochtend de klas binnenkwam, lag het uniform op zijn bank met daarbij een briefje van Ramesh waarin hij hem vroeg dit geschenk te aanvaarden.
Hoe goed bedoeld dit ook was, het zou in strijd met dharma (juist gedrag) zijn geweest als Sathya dit had geaccepteerd. Hij schreef het volgende briefje aan Ramesh en legde dat met het uniform op diens plaats:
'Als je wilt dat wij vrienden blijven, moet je je niet bezighouden met dit spel van schenken en aanvaarden van stoffelijke zaken. Wanneer een behoeftige iets aanvaardt van een ander, maakt hij zich diep vanbinnen bezorgd over de vraag hoe hij de gunst kan terugbetalen, terwijl trots op zijn daad van liefdadigheid de geest van de schenker bezoedelt. Ware vriendschap moet van hart tot hart zijn. Wanneer wij vriendschap grondvesten op basis van geven-en-nemen, voelt de ontvanger zich klein en voelt de gever zich trots. Een dergelijke vriendschap zal niet standhouden. Daarom zal ik de kleren die jij op mijn bank hebt neergelegd, niet aanvaarden. Ik geef ze je met dit briefje terug. '
De volgende dag zei Ramesh tegen Sathya: 'Waarom aanvaard je het uniform toch niet? Je kunt het mij dan teruggeven zodra je geen lid meer bent van de padvinders.'
Maar ook dat weigerde hij. 'Ik heb geen hulp nodig en ik zoek die ook niet,' antwoordde hij. 'Ik zoek alleen de mogelijkheid om te helpen en om anderen te laten zien hoe zij het beste kunnen helpen. Bovendien heeft jouw vader die uniformen voor jou laten maken. Ze waren niet bedoeld voor mij. Ik ben waarheid, zoals mijn naam aangeeft. Wanneer ik het draag in plaats van jij, zal ik de waarheid geweld aandoen.'

Sathya zou dus meegaan, zij het zonder uniform, maar hij had niet de benodigde twaalf roepie voor de reis- en verblijfkosten. Daarom zei hij tegen de hopman dat zijn familie ook naar de jaarmarkt zou gaan en voor hem zou zorgen. Dan hoefde hij niet met de bus mee en hoefde hij ook niet mee te eten in de kantine. Dat zou een stuk goedkoper zijn. Sprak hij nu onwaarheid? Nee, want zijn niet alle mensen zijn familie!
Omdat hij toch wel wat geld nodig had, verkocht hij de dag vóór het vertrek zijn oude, maar nooit gebruikte schoolboeken aan een andere arme leerling. Deze had niet meer dan vijf roepie, opgespaard in de vorm van losse koperen muntjes. Sathya was daar tevreden mee en nam het geld mee naar huis. Hij wilde de muntjes ergens in doen, maar dat ging mis, en alles rolde over de vloer. De schoonmoeder van Seshama kwam op dit geluid af, zag het geld en meende dat hij het gestolen had. Hoe kon hij immers anders aan zoveel geld komen? Zij weigerde naar zijn uitleg te luisteren, nam hem het geld af en gaf hem een paar stevige tikken.
Sathya besloot nu om niet tot de volgende ochtend te wachten, maar om direct te vertrekken. Het was die dag erg heet en toen hij 's avonds - na een tocht van vijftien kilometer - in Pushpagiri aankwam, had hij erge dorst. Nu was het in die tijd erg moeilijk om aan drinkwater te komen. Er was wel een grote bak waarin de boeren hun vee wasten, maar dat water was erg vies. Niettemin dronk hij er iets van. Bij deze bak vond hij een pakje sigaretten en een anna. Hij vroeg aan de mensen in de omgeving van wie die zaken waren, maar toen niemand ze opeiste, nam hij de sigaretten en het muntje mee. De sigaretten brak hij in stukjes die hij vervolgens onder het zand stopte. Niet ver daarvandaan zat een man met een gokspelletje. Sathya zette zijn anna in en won er elf bij. Omdat het een arme man was, liet hij het daarbij. Dit zou overigens de enige keer in zijn leven zijn dat hij had gewed! De padvinders zouden ruim een week in Pushpagiri blijven en dus verdeelde Sathya zijn geld zó, dat hij iedere dag iets te eten zou hebben. Nadat hij enkele dosa's (een soort pannenkoeken) gegeten had, ging hij - net als vele anderen - naar de rivieroever om te slapen. Uit veiligheidsoverwegingen knoopte hij zijn resterende geld in een lap, stopte die onder het zand en gebruikte dat bergje zand als kussen. Omdat hij erg moe was van de lange tocht, sliep hij die nacht heel diep. Kennelijk had iemand gezien waar hij zijn geld verborg, want toen hij de volgende morgen wakker werd, was het verdwenen. Hij maakte zich echter helemaal geen zorgen en begon enthousiast met de taken die de hopman hem opdroeg. Deze wist immers niet, dat Sathya niets te eten had en dus ontzag hij hem niet bij het verdelen van het werk. Ramesh merkte evenwel dat zijn vriendje geen geld had en bracht hem iedere dag iets te eten zonder dat de anderen het merkten. Na afloop van de jaarmarkt gingen de andere jongens terug met de bus en Sathya liep weer terug naar Kamalapur. Maar eerst leende hij een anna van Ramesh om kumkum en prasad te kunnen kopen als souvenir voor Seshama's vrouw. Hiermee kon hij haar zijn respect tonen.
Toen hij thuiskwam, bleek zijn broer erg boos te zijn. Sathya had zijn plicht verzuimd aangezien hij ruim een week lang geen water voor het gezin had gehaald. Seshama gaf hem een flink aantal tikken op zijn handen met een houten liniaal, zoals hij wel vaker deed wanneer hij van mening was dat zijn broertje verkeerd had gehandeld.
Enkele dagen later werd het gezin van Seshama in diepe rouw gedompeld door de dood van hun oudste zoon. Seshama stuurde zijn ouders een telegram en daarop kwam zijn vader direct naar Kamalapur om zijn zoon en diens gezin bij te staan. Toen Venkapa zag dat Sathya's handen in het verband zaten, vroeg hij wat er was gebeurd, maar Sathya slaagde erin om de zaak te bagatelliseren. Hij wilde geen lelijke dingen zeggen over anderen. Later die dag hoorde Venkapa van de buren dat Sathya vaak werd geslagen en daarom probeerde hij hem over te halen om met hem mee terug te gaan naar Puttaparthi. Dat weigerde Sathya omdat dat aanleiding zou geven tot praatjes en hij zag het als zijn plicht de eer van de familie hoog te houden.
Slechts hoogst zelden ging Sathya dan ook in tegen de woorden van een van zijn familieleden. In het volgende geval deed hij dat wèl.
Er was een schommelstoel in huis en op een avond zat Sathya daar juist even in toen de zwager van zijn broer binnenkwam. Deze werd onmiddellijk erg boos en schreeuwde: 'Wie heeft jou toestemming gegeven om in die kostbare stoel te gaan zitten schommelen als een maharaja! Ga eruit en maak dat je wegkomt.'
Sathya antwoordde rustig: 'De dag zal komen dat ik een maharaja zal zijn, zittend op een zilveren stoel. Je zult die dag beleven.' Deze woorden maakten hem weliswaar nog bozer, maar hij was toch zo verstandig er verder het zwijgen toe te doen.
Zeven jaar later kreeg Sai Baba een zilveren stoel cadeau van de rani (koningin) van Chincholi, aangezien zij het niet langer kon aanzien dat hij op een houten stoel moest zitten. Ofschoon niemand de reden daarvan begreep, gaf Baba geen toestemming om de stoel uit te pakken. Dat moment kwam pas op de dag van zijn verjaardag. Op die dag kwam namelijk de zwager van zijn broer naar Puttaparthi en aan hem vroeg Baba om de stoel uit te pakken en op de verhoging in de tempel neer te zetten. Toen de zilveren stoel tevoorschijn kwam, liepen de tranen hem over de wangen en hij vroeg Baba om vergeving voor zijn woorden van weleer.

Toen Seshama zijn opleiding tot leraar had voltooid, werd hij al snel benoemd tot leraar Telugu aan de middelbare school van Uravakonda, gelegen op meer dan honderd kilometer van Puttaparthi. Hij besloot met zijn vrouw en kinderen daarheen te verhuizen en zijn broertje mee te nemen. Zij zouden daar beiden naar de middelbare school gaan: Seshama als leraar en Sathya als leerling.
Iedere morgen kwamen alle leraren en leerlingen vóór de lessen begonnen bijeen om te bidden en al spoedig werd Sathya gevraagd om deze bijeenkomsten te leiden. Door middel van zijn woorden en gebeden probeerde hij zowel leraren als leerlingen te inspireren om zich die dag volledig te wijden aan hun taken.
Via familie en kennissen in andere dorpen hadden veel inwoners van Uravakonda reeds vernomen dat Sathya in staat was verloren voorwerpen terug te vinden. En net als in de plaatsen waar hij eerder had gewoond, kwamen er hier al spoedig mensen naar hem toe die iets waardevols kwijt waren. Wanneer zijn schoolkameraadjes iets kwijt waren, hielp hij hen op weg door een hint in de goede richting te geven. Had iemand iets van hen gestolen, dan noemde hij bijvoorbeeld alleen de initialen van de dader. Zij moesten dan verder maar zelf zien hoe zij het betreffende voorwerp terugkregen.
Op een keer was een van de leraren een kostbare pen kwijt en hij vroeg Sathya herhaalde malen nadrukkelijk: 'Raju, jij weet beslist wie mijn kostbare pen heeft meegenomen zonder mijn toestemming. Vertel mij wie het is!' Tenslotte gaf Sathya toe en zei: 'De bediende 'x' heeft hem gestolen.'
'Nee, dat is onmogelijk. Die is juist buitengewoon betrouwbaar en eerlijk.' Omdat Sathya volhield dat hij de dader was, doorzocht de leraar de kamer van de betreffende bediende toen deze weg was. Dit leverde niets op en enigszins verontwaardigd sprak hij zijn leerling hierover aan.
'U heeft niets in zijn kamer gevonden,' antwoordde deze, 'omdat hij de pen naar zijn zoon heeft gestuurd. Ik zal het u bewijzen.' Nu stuurde de bediende geregeld een brief naar zijn zoon, die in Anantapur studeerde en die liet hij schrijven door een briefschrijver uit het dorp. Hij was namelijk zelf analfabeet. Sathya liet nu een brief schrijven zogenaamd uit naam van deze bediende en in die brief vroeg 'de vader' ook of de pen die hij hem, zijn zoon, gestuurd had, beviel. En hij adviseerde hem om zuinig te zijn op deze pen aangezien hij erg duur was geweest en gemakkelijk gestolen zou kunnen worden. Voor antwoord sloot Sathya een reeds geadresseerde kaart bij.
Vier dagen later ontving de leraar het antwoord. De zoon liet weten dat de pen geweldig schreef en dat hij er erg zuinig op was, gezien de hoge prijs en het feit dat het een geschenk was van een liefhebbende vader.
Dit is maar een van de vele voorbeelden waarmee Sathya bewees dat hij over bijzondere krachten beschikte.

Een ander voorbeeld betreft de moslim die zijn paard kwijt was. Het lijkt een beetje op een gebeurtenis die plaatsvond tijdens zijn leven als Shirdi Sai Baba. Deze man had een jutka en met deze paard-en-wagen vervoerde hij mensen en goederen. Hiermee verdiende hij zo'n twee roepie per dag, net voldoende om van te leven. Op een dag was zijn paard verdwenen, weggelopen of gestolen, dat wist hij niet. Hij doorzocht heel Uravakonda en vervolgens kamde hij samen met enkele vrienden de hele omgeving uit. Tevergeefs. Tenslotte vertelde iemand hem over Sathya's gaven en hij ging diep wanhopig naar hem toe. Onmiddellijk adviseerde Sathya hem om naar een bepaalde plek, ruim twee kilometer buiten de stad, te gaan en toen hij dat deed, vond hij daar zijn paard. Het stond rustig te grazen, zich van geen kwaad bewust.
Deze gebeurtenis vergrootte Sathya's bekendheid in de moslimgemeenschap van het dorp en vanaf die tijd kreeg hij geregeld een lift van of naar school van een passerende jutka.

Op een avond kwam een groepje vrouwen uit een nabijgelegen dorp naar Uravakonda om een film te zien. Zij zaten dicht opeen gepakt in een ossenkar en een van de vrouwen maakte van de opkomende duisternis gebruik om een gouden haarspeld uit het haar van de vrouw naast haar te halen. Toen zij uit de kar stapte, merkte de betreffende vrouw dat haar speld verdwenen was en riep vertwijfeld: 'Mijn gouden speld is weg!'
'Misschien is hij onderweg losgeraakt en op straat gevallen,' meende de een.
'Weet je zeker dat je hem hebt ingedaan?' vroeg een ander.
Niemand wist de oplossing, waarop de voerman zei: 'Er woont hier een wonderjongen. Die zouden wij kunnen raadplegen. Hij is de broer van de leraar Telugu.' Zij begaven zich naar het huis van Seshama en zodra zij binnenkwamen, zei Sathya: 'Janakamma! Geef het sieraad terug!' Geschrokken deed Janakamma direct wat hij haar zei en vervolgens bleef zij met gebogen hoofd wachten op wat er nu zou gebeuren.
'Ga nu!' zei Sathya tegen de anderen in het algemeen en tegen de bestolen vrouw in het bijzonder. 'En neem haar ook mee naar de film. Berouw is voldoende straf. Vergeet deze misstap. Het was jouw fout om deze zwakke vrouw in verleiding te brengen. Ik weet zeker dat zij zoiets niet nog eens zal doen, want zij is door mij gezegend. '

Een van Seshama's buren in Uravakonda was Sri Thammiraju, die net als Seshama les gaf aan de middelbare school. Hij was erg op Sathya gesteld en hij sprak veel met hem over spirituele zaken. Op deze manier had Sathya de gelegenheid Thammiraju's twijfels op dit gebied weg te nemen. Zijn collega's vernamen dit van hem en op een keer kwamen zij met een flink aantal naar Sathya toe met het verzoek hun vragen eveneens te beantwoorden. Sathya vroeg hun hun vragen allemaal tegelijk te stellen en dat deden zij. Het was een lawaai van jewelste, waarin geen enkele vraag te verstaan was. Vervolgens gaf hij iedere leraar apart naar volle tevredenheid antwoord op zijn speciale vragen.
Thammiraju's echtgenote Kamesvaramma was zeer devotioneel en zij was zich er toen reeds van bewust dat Sathya goddelijk was. Zij was een zeer eenvoudige vrouw die vrijwel nooit buiten haar eigen dorp kwam. Juist die eenvoud gaf haar de kans zijn ware aard te herkennen. Haar geest werd niet afgeleid door allerlei wereldse zaken, hoewel de dood van haar dochter haar een tijdlang sterk terneerdrukte. Sathya kwam geregeld bij haar en soms nam hij de kinderen van zijn broer mee. Kamesvaramma kon namelijk prachtig vertellen en de kinderen luisterden graag naar haar verhalen over Rama, Krishna en andere goden.
Toen Sathya op een keer naar Puttaparthi was, stuurde hij een grote hommel naar haar toe met tussen zijn poten een rol papier. Hij vl00g door een raam naar binnen en liet de rol voor haar op de grond vallen. Toen zij hem uitrolde, zag zij dat het een foto was van Sai Baba van Shirdi. Vanaf dat moment vereerde zij deze foto iedere donderdag. Toen zij een paar dagen later bezig was haar sari te drogen op het balkon van haar huis, liet een aapje een linnen tas voor haar voeten vallen en ging er toen weer snel vandoor. Zij opende de tas en vond daarin een laddu (snoepgoed in de vorm van een balletje) als prasad en een brief van Sathya, waarin deze schreef: 'Onlangs heb ik je via een hommel mijn portret gestuurd. Ik ben blij dat je het oprecht vereert. Vandaag stuur ik je hierbij prasad. ' Eens heeft hij haar op de muur van het huis afbeeldingen getoond van de tien algemeen bekende Avatars (goddelijke belichamingen). Toen Narasimha, de Avatar die half mens en half leeuw is, brulde, schrok zij zo, dat zij op datzelfde moment stokdoof werd! Doofheid is voor de meeste mensen een handicap, maar Sathya schonk haar deze doofheid als een gunst. Haar echtgenoot schreeuwde namelijk altijd tegen haar en vanaf dat moment hoefde zij zich niets meer van dat geschreeuw aan te trekken zonder dat zij haar man daarmee beledigde. Bovendien kon zij haar geest nu nog veel gemakkelijker op God richten. Een handicap als genade. Het klinkt vreemd, maar dat is het dus niet altijd. Zo zou er eens een dove naar Sai Baba toekomen met het verzoek hem te genezen. Baba liet hem weten: 'Je oren zijn je goeroe. Zij hebben jou bij mij gebracht. Wees nu dankbaar dat tenminste een bron van gehechtheid door de Voorzienigheid buiten bedrijf is gesteld. '
En ergens in de zeventiger jaren zou een blinde Baba vragen om hem te genezen. Ook in zijn geval heeft Baba dat niet gedaan, want hij wist dat deze man zichzelf zonder meer te gronde zou richten wanneer hij hem zijn gezichtsvermogen zou teruggegeven. Sai Baba is liefde, en uit liefde heeft hij deze mensen niet genezen!

Gedurende zijn verblijf in Kamalapur en Uravakonda kwam Sathya alleen in de vakanties naar huis, dat wil zeggen naar Puttaparthi. Zijn ouders hoorden wel verhalen over de wonderen en genezingen die hij daar verrichtte. Dit gaf zijn moeder kracht, maar deed zijn vader verdriet.
Tijdens zijn bezoeken aan Puttaparthi gaf zijn moeder hem soms een versterkend oliebad. Zij smeerde Sathya dan helemaal in met olie en masseerde zijn spieren, waarna zij hem met heet water en zeep weer afspoelde. Het viel haar daarbij op, dat hij altijd over zijn hele lichaam striemen had, waaruit bleek dat hij geregeld met een rietje geslagen werd. Zij kende de hardhandige opvoedingsmethode van Seshama, maar omdat Sathya er niet over wilde praten, zweeg zij er ook over. Op een keer ontdekte zij op zijn schouders een strook van donker eelt. Het viel haar op, dat hij niet klaagde over pijn wanneer zij erop drukte, maar toch wilde zij graag weten hoe hij aan die eeltlagen kwam. Aanvankelijk wilde hij het haar niet zeggen, maar toen zij aandrong, zei hij: 'Misschien komt het doordat ik vaak een juk draag met daaraan twee potten water. Weet u, er is in Uravakonda maar één bron met drinkbaar water. Het water in alle andere bronnen is brak. En juist die ene goede bron is bijna een kilometer ver van het huis van Seshama vandaan. Ik ga meestal 's morgens driemaal en 's avonds driemaal naar die bron.' 'Maar Sathya,' zei zijn moeder, 'zoveel water heeft Seshama's familie toch iedere dag niet nodig?' 'Nee, moeder,' antwoordde hij, 'maar er zijn nog twee buren die allebei al oud zijn en niet meer zelf helemaal naar die bron kunnen lopen. Dus haal ik ook voor hen water.' Bezorgd zei zijn moeder: 'Je moet daar niet blijven. Zij maken misbruik van je goedheid en je verlangen om te helpen. Waarom moeten zij van jou afhankelijk zijn voor water?' 'lk zie het als mijn plicht, amma (moeder). Hoelang zouden de kinderen het overleven als zij slechts brak water te drinken kregen? lk draag het levenswater met plezier over die afstand. lk ben gekomen om dienstbaar te zijn. ' Hier kon zijn moeder weinig tegenin brengen en dus zweeg zij verder.

In de vakanties speelde Sathya nog altijd in de toneelstukken die in Puttaparthi en de omliggende dorpen werden opgevoerd en een enkele keer speelde hij zelfs in een stuk dat werd opgevoerd in een grote stad. Zo was er het stuk dat werd opgevoerd in Kothacheruvu ter gelegenheid van een belangrijke feestdag. Sathya speelde de held. Op een gegeven moment dreigde deze gestraft te worden voor een misdaad die hij niet had begaan. Het publiek zat vol spanning te kijken en hier en daar werd er iets geroepen. Easwaramma leefde zich echter zo in het stuk in, dat zij opsprong, het toneel opstormde en tot grote hilariteit van het overige publiek riep: 'Hij is onschuldig! Hij heeft het niet gedaan!'
De reeds eerder genoemde Thammiraju, de leraar die zich onder meer bezighield met toneel en die wel wist dat Sathya toneelspeelde en liederen schreef, vroeg hem op een keer of hij een toneelstukje zou willen schrijven voor een schoolfeest. Sathya was toen net dertien jaar en zat pas korte tijd op de middelbare school in Uravakonda.
Hij voldeed graag aan dit verzoek en schreef het stuk Voegt men de daad bij het woord? Tijdens de opvoering ervan speelde hij zelf de rol van Krishna. Later heeft hij nog vele andere stukken geschreven, maar dit is het eerste door hem geschreven toneelstuk.

Voegt men de daad bij het woord?

Scène I

(Een keurig geklede dame, Krishna's moeder, leest voor uit een boek en legt de tekst vervolgens uit aan een groep vrouwen.)

Moeder: Kijk, het is de plicht van alle huisvrouwen om alleen aalmoezen te geven aan hen die dat verdienen en aan degenen die niet in staat zijn zelf in hun levensonderhoud te voorzien, en niet aan hen die rijk zijn en niets uitvoeren.

(De toespraak is afgelopen en de vrouwen gaan weg. De moeder blijft achter met haar zoon, Krishna, die scherp heeft opgelet. Er komt een blinde bedelaar binnen, die de moeder om aandacht en hulp vraagt. De reactie van de moeder is verre van menslievend.)

Moeder: Eruit! Verlaat mijn huis, zwerver, en ga ergens anders bedelen.

(Er komt een welvarend uitziende Brahmin (priester) binnen met een koperen bedelnap voor graan en een rijk versierde tambura (een snaarinstrument). De moeder begroet de priester hartelijk. )

Moeder: Welkom, heer; welkom, eerbiedwaardige priester. Hoe gaat het op deze prachtige ochtend met uw gezondheid? Aanvaard alstublieft mijn nederige gastvrijheid. Neem alstublieft wat rijst en wat geld.

(De moeder valt aan de voeten van de priester.)

Moeder: Wilt u mij alstublieft zegenen? Zegen mij, eerbiedwaardige priester, zegen mij.

(Krishna kijkt minachtend naar zijn moeder en de priester. De priester vertrekt.)

Krishna: Moeder, ik begrijp het niet. Vijf minuten geleden zei u dat de zwakken en armen aalmoezen moeten krijgen, en de sterken en rijken juist niet. Maar nu stuurt u een bedelaar weg en u beloont een priester, voor wie goed wordt gezorgd.

Moeder: Ik voel mij gekwetst door jouw onbeschaamdheid. Denk je nu werkelijk dat mensen kunnen en moeten handelen in overeenstemming met wat zij zeggen? Ga naar je vader toe.

(De moeder trekt Krishna een kamertje in waar zijn vader, een boekhouder, druk bezig is met zijn dossiers. De vader geeft zijn zoon advies.)

Vader: Krishna, je vorming is belangrijk. Je moet hard studeren en alle lessen volgen om over te gaan.

(De toespraak van de vader wordt onderbroken door het opengaan van de deur. Er komt een schooljongen binnen, die naar Krishna's vader kijkt. )

Jongen: Alstublieft, mijnheer, ik kan mijn schoolgeld niet betalen. Ik heb maar één roepie nodig. Als ik niet betaal, zal ik van de leerlingenlijst worden geschrapt en dan zal ik de aantekening van aanwezigheid niet krijgen die ik nodig heb om over te gaan.

(De vader laat de schooljongen een lege portemonnee zien.)

Vader: Zie je wel? Ik heb geen geld. Ik kan je niets geven.

(De jongen vertrekt en er komen enkele boekhouders van de firma van de vader binnen. Een van hen steekt hem een intekenlijst toe.)

Boekhouder: Mijnheer, mijnheer. Hier is de intekenlijst voor een welkomstdiner. Het is voor de functionaris die binnen enkele dagen de zorg voor het kantoor op zich zal nemen. Wilt u ook wat geld geven?

Vader: Maar natuurlijk. Hier heb je twintig roepie. We moeten het aangenaam maken voor de nieuweling. Alles moet naar tevredenheid worden geregeld.

(De vader haalt twintig roepie uit een la. De boekhouders vertrekken. Krishna kijkt afkeurend.)

Krishna: Vader, u hebt gelogen tegen de schooljongen en u hebt gelogen tegen mij. U zei tegen hem dat u geen geld had terwijl u meer dan genoeg had. U zei tegen mij dat het belangrijk was om alle lessen bij te wonen. Als dat zo is, waarom gaf u de jongen dan niet alleen die ene roepie die hij nodig had?

Vader: Houd je mond, jongen. Wat weet jij er nu van? Je zou er verstandig aan doen om geen oordeel over mij uit te spreken. Je bent nog jong en begrijpt het niet. Moet men de daad bij het woord voegen? Ga nu zonder dralen naar school.

Scène II

(Het toneel verplaatst zich naar school. Krishna komt binnen en ziet daar de leraar die opgewonden tegen zijn leerlingen praat over het bezoek van de onderwijsinspecteur de volgende dag.)

Leraar: Leerlingen, morgen komt de onderwijsinspecteur bij ons op bezoek. Jullie moeten pienter en schoon zijn en jullie moeten je keurig gedragen. Ik duld van niemand van jullie gekheid. Doe je uiterste best en lach vriendelijk wanneer je hem tegenkomt. Dan is er nog iets en dat is zeer belangrijk. Hij zal jullie misschien vele vragen stellen, maar er is er één waarover ik mij vooral zorgen maak. Stel dat hij vraagt: 'Hoeveel lessen hebben jullie al gemaakt?' Noem dan niet het werkelijke aantal, 23. Zeg 32, want ik zal jullie les 33 geven, die gaat over de koning die nooit loog. Laten wij dan nu deze les oefenen zodat jullie morgen in staat zullen zijn mij dezelfde, juiste antwoorden te geven. Laat geen van jullie het lef hebben om zelfs maar te fluisteren dat deze les reeds geleerd is.

Krishna: Mijnheer, u vertelt ons over een koning die nooit loog en toch raadt u ons aan te liegen tegen de inspecteur. Waarom slaat u geen acht op uw eigen leringen? Waarom neemt u geen notitie van het voorbeeld van de waarheidsgetrouwe koning?

Leraar: Jongen, jongen, jij moet nog veel leren. Wil je zeggen dat de raadgever de raad moet opvolgen Je zult wel wijzer worden naarmate je ouder wordt.

(Krishna gaat stilletjes weg, in zichzelf mompelend.)

Krishna: Huichelarij, overal huichelarij.

Scène III

(Het huis van Krishna. Het is tijd om naar school te gaan, maar Krishna is in zijn kamer. Zijn moeder roept hem.)

Moeder: Krishna! Je komt te laat op school. Je moet nu vertrekken.

(Krishna kijkt zijn moeder uitdagend aan en weigert om naar school te gaan. Hij gooit zijn boeken neer.)

Krishna: Ik ga niet. Ik ga niet studeren. School is tijdverspilling. Overal, zelfs op school, zijn huichelaars.

(De moeder en vader zijn ontzet. De vader roept tegen een jongen die langsloopt:)

Vader: Haal de leraar, jongen, snel! Haast je!

(De leraar komt gehaast aanlopen.)

Krishna: Jullie zijn allen schuldig aan huichelarij. Jullie zeggen en onderwijzen dingen, jullie schrijven en leggen dingen uit, maar wanneer de tijd gekomen is om in overeenstemming ermee te handelen, doen jullie het tegenovergestelde. Als dit het gevolg is van studeren, dan weiger ik om onderwezen te worden.

(De drie volwassenen kijken elkaar aan en knikken bevestigend. )

Vader: Jij hebt onze ogen geopend, Krishna. Vanaf heden zullen wij de waarheid spreken en zullen wij de daad bij het woord voegen.

EINDE

5. Ik ben Sai Baba

Een belangrijke dag in Sathya's leven brak aan: 8 maart 1940. 's Avonds om ongeveer zeven uur liep hij met een aantal vriendjes door Uravakonda toen hij pl0tseling met een luide gil opsprong, terwijl hij de grote teen van zijn rechtervoet vastgreep. Omdat er in Uravakonda veel zwarte schorpioenen zaten, dachten zijn vriendjes dat hij door een van die beesten gestoken was, ook al was er nergens een te zien. Zij keken eerst nog wat rond, maar toen Sathya kennelijk bewusteloos raakte, tilden zij hem op en droegen hem naar huis.

Seshama en zijn vrouw waren zeer bezorgd toen zij hoorden wat er was gebeurd, want een dergelijke steek is doorgaans dodelijk. Sathya kwam echter al spoedig weer bij en leek volkomen in orde. Die nacht sliep hij goed en ook de volgende dag leek hij geen pijn te hebben. Iedereen haalde reeds opgelucht adem totdat hij 's avonds precies om zeven uur wederom bewusteloos raakte. Zijn broer veronderstelde dat het 24 uur had geduurd voor het gif van de schorpioen zijn hart had bereikt. Hij aarzelde niet langer en haalde er verscheidene deskundigen bij zoals een arts, een priester en een astroloog. Zij deden allen hun uiterste best, maar de jongen bleef bewusteloos en zijn lichaam werd stijf. Iemand veronderstelde dat een boze geest bezit van hem had genomen en dat het goed zou zijn Muthyalamma, de moedergodin van het dorp, gunstig te stemmen. En dus gingen enkele vrienden en buren naar de tempel om puja te doen. Zij legden bloemen neer, brandden wierook en braken een kokosnoot. Om de aanwezigen te bewijzen dat hij niet bewusteloos was, zei Sathya op het moment dat de noot in de tempel gebroken werd: 'De kokosnoot is in drie stukken gebroken.' Toen de tempelgangers even later met de offergaven weer thuis kwamen, bleken zij drie stukken kokosnoot bij zich te hebben in plaats van de gebruikelijke twee. Toen er na meer dan een dag nog steeds geen enkele verbetering was, vreesde de familie het ergste en Seshama besloot een boodschapper met een brief naar zijn vader te sturen. De boodschapper was nog maar nauwelijks vertrokken toen Sathya weer bij kennis kwam. Ondanks aandringen van zijn broer weigerde hij eten en drinken. Slechts zijn lichaam was in het huis van Seshama; zijn geest was elders. Seshama stuurde onmiddellijk een tweede brief naar zijn vader, waarin hij vertelde dat deze zich niet al teveel zorgen hoefde te maken, ook al was de conditie van Sathya nog slecht.

Toen Pedda Venkapa de beide brieven kort na elkaar ontving en aan zijn echtgenote de inhoud ervan vertelde, besloten zij direct te vertrekken naar Uravakonda, ook al hadden zij niet voldoende reisgeld en moesten zij dat lenen van een kennis. Onderweg bad Easwaramma de hele tijd voor Sathya's welzijn. Door allerlei omstandigheden en vaak onverklaarbare vertragingen duurde hun reis veel langer dan normaal en Seshama begon zich steeds meer zorgen te maken. Hij zocht en vond iemand die bereid was om naar Puttaparthi te gaan om te informeren waarom zijn ouders niet naar Uravakonda kwamen. Terwijl hij de man aan het uitleggen was hoe hij bij het huis van zijn ouders moest komen, onderbrak Sathya hem met de woorden: 'Je hoeft niemand meer naar hen toe te sturen. Zij zullen over een half uur hier zijn.' Precies dertig minuten laten arriveerden zij.
Vanaf dat moment zaten zijn vader, zijn moeder en zijn broer vrijwel onafgebroken rond Sathya's bed in de hoop dat hij iets tegen hen zou zeggen of iets zou willen eten of drinken. Sathya sprak echter met onzichtbare wezens, zong bhajans, beschreef bedevaartsoorden die niemand kende, citeerde lange passages in het Sanskriet en verklaarde ingewikkelde religieuze leerstellingen.
Dit alles was weer een stap verder op de weg naar zijn definitieve bekendmaking. Toen Sathya met een gil opsprong en naar de grote teen van zijn rechtervoet greep, was dat een teken dat hij in trance ging om iemand te helpen die in nood verkeerde en God om hulp riep. Ook in de eerste jaren hierna heeft hij vaak van deze methode, het in trance gaan, gebruik gemaakt, ofschoon hij helemaal niet uit zijn lichaam hoefde te treden om iemand te kunnen helpen. Er was absoluut geen sprake van een schorpioenensteek en de priester had iets kunnen vermoeden. Hij wist namelijk dat yogi's hun astrale lichaam via de grote teen van de rechtervoet uitzenden wanneer zij iemand te hulp willen komen. Het enige probleem was dat hij in Sathya geen yogi of iets dergelijks kon zien.
Op een dag beval Sathya zijn vader opeens: 'Ga de buurman, de pundit (schriftgeleerde) Narayana Sastry, voor mij halen. Hij leest de Bhagavatam helemaal verkeerd. Hij legt de tekst verkeerd uit. Breng hem onmiddellijk hier.'
De buurman weigerde om te komen en zei tegen Sathya's vader: 'Wat weet dat joch van deze Sanskriet tekst en van de juistheid of onjuistheid van de betekenis die ik zopas aan deze mensen heb uitgelegd? Hoe heeft hij het trouwens kunnen horen; hij ligt in het huis hiemaast in bed! Zeg hem maar dat hij zich met zijn eigen zaken moet bemoeien.'
Nadat zijn vader hem het antwoord van de pundit had medegedeeld, stuurde Sathya hem weer naar het huis ernaast om nogmaals te benadrukken dat hij de schriftgeleerde wilde spreken. In het daarop volgende gesprek met de pundit zei Venkapa: 'Komt u alstublieft, dan kunt u de jongen een lesje in nederigheid leren. Daarmee zou u mij een groot plezier doen. Hij is de laatste tijd erg onhandelbaar geworden.' De pundit verontschuldigde zich bij zijn bezoekers en ging nu met Sathya's vader mee. Toen hij aan het bed verscheen, vroeg Sathya hem de uitleg die hij eerder had gegeven, voor hem te herhalen. Tijdens deze uitleg onderbrak de jongen hem geregeld om aan te geven waar hij zich vergiste. Aanvankelijk ergerde de geleerde zich hieraan, maar dat veranderde al snel in verbazing en daarna in bewondering toen hij hoorde wat Sathya te zeggen had. Tenslotte viel hij neer aan diens voeten en vroeg hem vergiffenis voor het feit dat hij niet direct was gekomen toen Sathya dat vroeg.
Omdat niemand iets bleek te kunnen doen om Sathya's toestand te verbeteren, stond zijn moeder er tenslotte op, dat hij zou worden teruggebracht naar Puttaparthi. Daar zou zij voor hem zorgen en niemand anders.

Terug in Puttaparthi bleef Sathya teruggetrokken in zichzelf. Zijn vroegere vriendjes, zijn broertje Janakiram, zijn grootvader Kondama, niemand kon tot hem doordringen. Behalve zijn grootvader maakte iedereen zich zorgen over hem. Kondama citeerde voor Venkapa en Easwaramma teksten uit de heilige geschriften om aan te tonen dat zij zich niet zo druk behoefden te maken over hun zoon. Zo stond er in de Yoga Vasishta dat Rama op ongeveer dezelfde leeftijd als Sathya nu een soortgelijke ervaring had. Grootvader citeerde: 'Zijn lichaam vermagerde, zijn geest fladderde van de ene gedachte naar de andere. Hij zat zo stil dat het leek alsof hij een muurschildering was. (...) "Wat is rijkdom? Wat is onheil? Wat is thuis? Wat is verlangen? Alle zijn slechts onwerkelijk." Aldus sprekend, zat hij stil en alleen.' Voor de grootvader zelf was dit voldoende, maar voor alle anderen was dat niet het geval.
De dorpelingen, die geregeld naar Sathya kwamen kijken, spraken heel verschillend over diens toestand. Sommigen noemden zijn vader gevoelloos, anderen zeiden dat zijn opvoeding de oorzaak was van zijn toestand en weer anderen voorspelden dat het alleen nog maar erger met hem zou worden. Jaloezie en haat liggen altijd op de loer! Sommigen zouden maar wat graag zien dat het gezin zou worden opgescheept met een gehandicapte zonderling.
Sathya bleef onbewogen bij dit alles. Zo nu en dan citeerde hij de heilige geschriften of drukte de aanwezigen op het hart zich los te maken van alle verlangens en zich tot God te wenden.

Na enige tijd stuurde Seshama zijn ouders een brief waarin hij hun vroeg wanneer zijn broertje terug zou komen. Hij had reeds te veel lessen gemist; de tijd drong dus. Sathya's ouders vonden zijn toestand echter nog niet goed genoeg voor zijn terugkeer naar Uravakonda. Zij lieten eerst zijn horoscoop trekken door een bejaarde pundit uit Kadiri. Hieruit werd geconcludeerd dat Sathya bezeten was door een geest en op grond daarvan besloot de familie dat zij hem naar een beroemde, of beter gezegd beruchte, duiveluitdrijver zouden brengen in Brahmanapalli, een dorp gelegen in de buurt van Kadiri. Alleen grootvader Kondama maakte bezwaar. Volgens hem kon Pedda Venkapa beter nog wat wachten voor hij zo'n drastische stap zou nemen. Aan Easwaramma werd niets gevraagd. Zij kon slechts bidden om hulp.
Toen de duiveluitdrijver hoorde dat Sathya naar hem zou worden gebracht, bazuinde hij rond dat hij de enige was die de jongen zou kunnen genezen. Geen enkele geest, of het nu ging om een hindoe- of een moslimgeest, om een dierlijke of een duivelse geest, kon de kracht van zijn mantra's (heilige woorden) weerstaan, zo pochte hij.
Zijn ouders en zijn beide zusters Venkamma en Parvathamma begeleidden Sathya naar Brahmanapalli. Zijn vader verwachtte veel van de behandeling. Hij verzekerde de angstige vrouwen: 'Deze man zal een puja (eredienst) opdragen voor de godinnen Chandi en Chamundi en hij zal misschien een kip offeren. Dan zal hij het bloed in de vorm van een stip op het voorhoofd van de jongen aanbrengen - en dat zal het eind zijn van deze pijnlijke geschiedenis.'
Toen hij sprak over het offeren van een kip, ging hij zo hard praten dat zijn zoon niet in staat was hem te overschreeuwen. Niet dat het enig verschil zou hebben gemaakt. Er viel op dat moment niet met hem te praten.
De duiveluitdrijver zag er verschrikkelijk uit. Zijn lange haar was een warboel, zijn ogen gloeiden als van een bezetene en hij sprak met een raspend stemgeluid. Hij offerde eerst een kip en vervolgens een lam en dwong Sathya om in een cirkel van bloed te gaan zitten. Daarna begon hij met het schreeuwen van mantra's en daarbij sloeg hij met een grote ijzeren tang met een enorme kracht op de grond. Sathya's familieleden stonden te trillen, maar de jongen zelf bleef volkomen onbewogen. Zijn kalmte gaf hun ook weer wat moed en zij besloten te blijven tot de man zou verklaren dat Sathya was verlost van de boze geest.
Vervolgens begon de duiveluitdrijver Sathya te geselen om zo de geest te verdrijven. Zijn moeder kromp in elkaar en schreeuwde: 'Stop! Stop!'
'Nee!' riep de tovenaar. 'Ik stop niet halverwege de behandeling. Jullie mogen de jongen hebben, maar de geest in hem is voor mij. Neem wat van jullie is, maar pas nadat jullie mij hebben gegeven wat van mij is!'
Hij schoor daarna Sathya's hoofd kaal en kerfde met een scherp mes drie kruisen in zijn hoofdhuid. Het bloed stroomde eruit. In deze wonden goot hij sap van citroenen, knoflook en andere zure vruchten. Tot verbazing van zijn familieleden en tot woede van de duiveluitdrijver ontsnapte Sathya geen enkele kreet van pijn en huilde hij zelfs niet. Daarom besloot de duiveluitdrijver gedurende enkele dagen iedere ochtend 108 potten ijskoud water over de wonden te gieten. Toen de geest na deze behandeling nog steeds geen aanstalten maakte om het lichaam te verlaten, besloot hij zijn sterkste wapen in de strijd te werpen, de kalikam. Dit was een mengsel van allerlei bijtende stoffen en hij smeerde dat mengsel op Sathya's ogen. Als gevolg hiervan zwol diens gezicht zó op, dat hij onherkenbaar werd terwijl zijn ogen zich vernauwden tot bloederige, tranende spleten.
'Nu is de overwinning nabij!' schreeuwde de duiveluitdrijver. 'Nu zal de geest hem verlaten!' Maar nu werd het ook echt teveel voor Easwaramma. Zij had nog liever dat haar zoon door een geest werd bezeten, dan dat hij zulke ondragelijke pijn moest lijden. Per slot van rekening deed de geest hem niet werkelijk kwaad, hetgeen van de duiveluitdrijver niet gezegd kon worden. Zij wierp zich aan de voeten van haar echtgenoot en smeekte hem er een einde aan te maken. Aangezien ook hij zo langzamerhand zijn bedenkingen had, beval hij de tovenaar op te houden, hetgeen deze uiteindelijk met tegenzin deed. Na een royale betaling en vele dankbetuigingen van zijn ouders liet hij Sathya gaan op voorwaarde dat Venkapa en Easwaramma binnen zes maanden weer met hun zoon bij hem zouden komen, want anders kon hij geen enkele garantie geven dat de geest hem definitief zou hebben verlaten. En Venkamma mocht onder geen beding meer meekomen. Die had zijn behandeling voortdurend tegengewerkt door onder meer zalf op Sathya's ogen te smeren als de tovenaar even weg was.

Waarom heeft Sai Baba al die martelingen eigenlijk ondergaan? Het was zijn bedoeling dat de mensen zouden weten dat hij volkomen onberoerd bleef, wat er ook met zijn lichaam gebeurde. Hij voelde geen pijn, want hij kent geen enkele vereenzelviging met het lichaam. Hij is het lichaam niet. En evenmin zijn wij het lichaam. Wij zijn het atma, de ziel. Het lichaam is slechts een voertuig, ons door God geschonken om Hem te dienen door het dienen van onze medeschepselen. De wereld is ons oefenterrein. Wij moeten leven in de wereld, maar wij moeten de wereld niet in ons laten leven! In de wereld is slechts sprake van kortstondige vreugde, afgewisseld door verdriet; slechts God is eeuwige vreugde.

Sathya's ouders namen hun zoon mee terug naar Puttaparthi. Langzaam genas hij van zijn verwondingen, maar zijn gedrag bleef voor de meesten een raadsel. Daarom trachtte zijn moeder hem uit te leggen dat hij moest proberen zijn gedrag te veranderen.
'Iedereen is bezorgd over jouw ziekte, Sathya,' zei zij. 'De man uit Brahmanapalli zei dat je koorts had, maar dat is onzin. Ik weet dat je geen koorts hebt. Maar wanneer je begint te praten als een pundit, zeggen de mensen dat je bezeten bent en wanneer je aanmerkingen maakt op het gedrag van je oom en neefjes, dan zeggen die dat jij het niet kan zijn die die dingen zegt. Wanneer je bijvoorbeeld Venkamma vraagt om 's avonds naar de lucht te kijken om de devata's (goden) langs te zien gaan, dan zeggen zij dat je gek bent. O, Sathya! Probeer gewoon te doen! Ga terug naar je broer en ga weer naar school. Gedraag je niet als een goeroe, een Brahmajnani (een kenner van God). De mensen noemen je zo alleen maar om je belachelijk te maken.'
Hoewel hij mededogen voelde met zijn lieve moeder, die zoveel voor hem deed, kon Sathya op dat moment weinig voor haar doen. Het moment naderde waarop hij zijn ware aard bekend zou maken en hij moest de mensen daarop voorbereiden.
Ofschoon hij geleidelijk van zijn verwondingen was genezen, wilde er geen haar meer groeien op de plaatsen van de kruisen op zijn hoofd. Er vormde zich daar alleen litteken-weefsel met als gevolg een onevenwichtige haargroei. Alleen door zijn haar zorgvuldig te kammen kon hij de kale plekken goed bedekken. Wanneer het waait, kunnen de devotees ook nu soms nog deze kruisen op zijn hoofd zien en degenen die het verhaal kennen, realiseren zich dan dat het een herinnering is aan die gebeurtenis uit zijn jeugd.

Sathya's ouders kregen veel goede raad en zijn moeder luisterde hoopvol naar ieder voorstel. Eén van die voorstellen betrof een dokter in Gorantla. Deze zou zeer deskundig zijn en haar zoon zeker kunnen genezen van zijn waanvoorstellingen. Dus vertrokken zij op een dag met de ossenkar naar Gorantla. Maar toen kreeg Sathya er genoeg van. Halverwege sprak hij: 'Ik wit nergens heen. Laten wij teruggaan.' Onmiddellijk stopten de ossen. De medereizigers - familieleden en enige andere dorpsgenoten - probeerden de dieren weer aan het lopen te krijgen, maar duwen, trekken en het omdraaien van de staarten mocht niet baten. En toen de mensen na meer dan een uur de strijd opgaven, keerden de ossen zich om en gingen terug naar huis.
Kort daarop bood weer iemand zijn hulp aan en Sathya's ouders kregen weer hoop, want het ging niet om de eerste de beste. De man die zijn hulp aanbood, was een bekende advocaat uit Penukonda. Ofschoon hij nu in deze grote stad woonde, was hij geboren in Puttaparthi, waar hij ook zijn jeugd had doorgebracht. Deze Krishnamachari had gehoord over Sathya via familie van hem die nog in het dorp woonde en hij wilde nu zelf wel eens komen kijken. Hij kwam, hij zag... en hij oordeelde. Venkapa en Sathya waren samen met hem in de kamer en Easwaramma en haar beide dochters stonden buiten met hun oor tegen de wand te luisteren. Deze geleerde man, wiens naam voorzien was van allerlei titels, zei vol overtuiging tegen Venkapa: 'Een boze geest is in deze jongen gevaren en het is een buitengewoon krachtige geest. Menselijke duiveluitdrijvers kunnen niets doen en zelfs gewone goden zullen falen. Alleen god Narasimha heeft de kracht om deze geest af te schrikken en hem te dwingen Sathya los te laten. Breng de jongen naar de grote Narasimha-tempel in Ghatikachalam, want daar zijn reeds meer dan honderd van dergelijke gevallen door zijn genade genezen.'
Venkapa was direct enthousiast over dit voorstel en hij wilde reeds aantekeningen gaan maken over de te volgen route toen Sathya zijn hand tegenhield en zei: 'Krishnamachari! Dat is nu toch wel een vreemd advies van u. Wie denkt u dat er in die tempel in Ghatikachalam is? Ik! En u wilt dat deze mensen mij naar mij brengen?'
Easwaramma aan de andere kant van de wand voelde een golf van vreugde door zich heengaan, maar dat was slechts voor even. Het leven hernam zijn gewone gang. Sathya's gedrag bleef onvoorspelbaar. Zijn moeder maakte zich weer zorgen en zijn vader wist geen weg met zijn frustraties.

Op 23 mei 1940 kwam het moment waarop hij zich voor het eerst bekend zou maken. De aanleiding was een woede uitbarsting van zijn vader. Op die dag werd de spanning van het mysterie hem teveel. Reeds jarenlang zag hij lijdzaam toe hoe zijn zoon voor zijn vriendjes geschenken, zoals griffels en potloden, snoep en foto's, tevoorschijn haalde uit een lege tas of uit de lucht, hoe hij liederen componeerde en zong en hoe hij aan belangstellenden de heilige geschriften verklaarde. En nu had hij iemand die zijn best voor hem deed, een belangrijke advocaat uit Penukonda, een onbeschoft antwoord gegeven. Dit kon zo niet langer doorgaan. Sathya was toch gewoon zijn zoon... of was hij toch iets meer? Twijfel verscheurde hem al heel lang en nu volgde de uitbarsting. Die dag verzamelde Sathya zijn huisgenoten om zich heen op de veranda van het hutje van zijn grootvader en materialiseerde voor hen brokken kandijsuiker en bloemslingers. Toen de buren dit zagen, kwamen zij ook toegesneld. Hij gaf hun ook kandijsuiker en bloemen en alle aanwezigen gaf hij bovendien een bal rijst gekookt in melk. Zijn vader was op dat moment aan het werk en iemand ging hem roepen. Dit mocht hij niet missen.
'Hoe durft die kwajongen te beweren dat hij Narasimha is? Wat een brutaliteit! Dat neem ik niet langer!' schreeuwde hij reeds uit de verte. 'En wat is hij nu weer aan het doen, daar op de