Dit is een e-boek geschikte download.
Terug naar: http://vahini.org
"Mijn Naam is Waarheid"
het leven van Sathya Sai Baba
door
Wim G.J. van Dijk
Copyright © Stichting Sri Sathya Sai Baba - Nederland - 2003
en
Wim G.J. van Dijk, Arnhem
Uitgever: Stichting Sri Sathya Sai Baba - Nederland, Postbus 2349, 3500 GH Utrecht.
ISBN: 90-72308-36-0
INHOUD:
Inleiding
Enige informatie over Sai Baba
1. Wat vooraf ging
2. Jeugdjaren
3. Lagere schooljaren
4. De middelbare school
5. Ik ben Sai Baba
6. Alles is illusie
7. De Oude Mandir
8. Meer tekenen van Zijn ware aard
9. Mijn geliefde broeder
10. Prasanthi Nilayam
11. Toenemende bekendheid
12. Jullie vreugde is mijn voedsel
13. De eenheid van alle godsdiensten
14. Bezoek aan Afrika
15. Liefde kent geen pijn
16. De Vormloze met vorm, de Naamloze met naam
17. Mijn leven is mijn boodschap
18. De 21ste eeuw
Enige verklarende aantekeningen
Belangrijkste geraadpleegde literatuur
Inleiding
Van en over de uit India afkomstige spirituele leraar Sathya Sai Baba zijn inmiddels in vele talen - waaronder ook het Nederlands - zeer vele boeken verschenen. Veel schrijvers behandelen Baba's leven en leringen in zijn totaliteit of lichten een onderdeel uit zijn leringen en behandelen dat tot in de kleinste details. Anderen vertellen over hun ervaringen met Baba of over de ervaringen van anderen. In het Nederlands was er tot nu toe nog geen biografie verschenen over deze spirituele leraar, die van zichzelf zegt: 'Ik ben God!' Met de publicatie van dit boek is deze lacune opgevuld.
Voor de feiten uit Sai Baba's leven is met name gebruik gemaakt van de publicaties die achterin dit boek staan vermeld en daarvan zijn, naast Baba's eigen teksten, de boeken van prof. Kasturi het uitgangspunt geweest. Andere schrijvers wijken soms af van de feiten zoals die bij deze officiële biograaf van Sai Baba vermeld staan. In twijfelgevallen is gekozen voor de versie van Kasturi. Soms is niet duidelijk wie er gelijk heeft, maar je kunt je afvragen of dat wel zo belangrijk is. Sai Baba heeft gezegd dat hij eindeloos redetwisten over wetenschappelijke details betreffende tijd en plaats afkeurt. In biografieën over Baba moet het daarom niet in eerste instantie gaan om de feiten uit zijn leven, maar om de onveranderlijke waarheid, die achter de feiten ligt. Baba zelf brengt de mensen soms in verwarring door in toespraken tegenstrijdige namen en data te noemen. Misschien is dat zijn manier om het onderzoeken van dergelijke weetjes te ontmoedigen.
Niettemin is het onderhavige boek wat de feiten betreft een 'studieboek'. Maar de lezer zal geen overdaad aan namen, plaatsen, jaartallen en voetnoten aantreffen. Voor deze werkwijze is gekozen om de leesbaarheid te vergroten en daarmee zal dit boek voor veel belangstellenden een goede ingang zijn tot Sai Baba's leringen.
Toen Sai Baba van Shirdi (de vorige belichaming van Sathya Sai Baba) hoorde dat Hemadpant zijn leven wilde beschrijven, zei hij: 'Wanneer zijn ego volledig vernietigd is en er geen spoor meer van over is, zal ik zelf in hem gaan en mijn levensloop schrijven. Door het vernemen van de gebeurtenissen uit mijn leven en mijn leringen zal geloof in het hart van de devotees ontstaan en zij zullen zeker zelfverwerkelijking en gelukzaligheid verwerven. Maar laat niemand trachten zijn eigen visie te geven en laat niemand proberen om welke mening dan ook van een ander te weerleggen. '
Dan nog enkele praktische zaken.
Wanneer Sai Baba letterlijk wordt geciteerd, zijn die teksten cursief gedrukt en dat geldt dus ook voor zijn woorden die voorkomen in dialogen. Veel dialogen komen uit de boeken van Kasturi, maar een deel daarvan heb ik zelf aangevuld of aangepast en weer een ander deel van de dialogen heb ik zelf geschreven. Als er sprake is van een dialoog waaraan ook Baba deelneemt, is eenvoudig te zien of Baba's tekst een letterlijk citaat is, aangezien in dat geval zijn tekst cursief gedrukt is. Dialogen maken een tekst levendiger en daarom is er in dit boek geregeld gebruik van gemaakt. Dit heeft evenwel niets aan de feiten op zich veranderd, want ook in de door mijzelf geschreven dialogen ben ik zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst gebleven. Die oorspronkelijke tekst komt meestal uit de boeken van Kasturi, maar soms citeert deze Sai Baba en anderen in verschillende boeken op verschillende wijze. Dan zijn er dus twee verschillende 'letterlijke' citaten betreffende dezelfde gebeurtenis. Kennelijk heeft hij zich bij het citeren enige vrijheid veroorloofd en daarom heb ik gemeend ook enige vrijheid te mogen nemen.
Op het uitgangspunt dat alle letterlijke citaten van Baba cursief gedrukt zijn, is een uitzondering. De tekst van het toneelstukje in hoofdstuk vier is uit praktische overwegingen namelijk niet in zijn geheel cursief gedrukt.
Het is in India de gewoonte om van een pasgeboren baby te zeggen dat hij één jaar is. Er is dus altijd een verschil van één jaar in de leeftijdsaanduiding tussen India en de Westerse wereld. In dit boek is consequent gekozen voor de Westerse telling.
Zij die proberen te leven overeenkomstig de leringen van Sai Baba, worden wereldwijd 'devotees' of 'Sai-devotees' genoemd. In dit boek is daarom steeds dit Engelse woord 'devotee' gebruikt, ook al bestaat er een goed Nederlands woord voor, namelijk 'toegewijde'.
En dan moet ik mij nog bij voorbaat verontschuldigen voor de Sanskriet woorden die zo nu en dan worden gebruikt. Zo nodig is bij het betreffende woord een korte verklaring gegeven. Verder zijn enkele Sanskriet woorden achterin het boek, onder het hoofdje 'Enige verklarende aantekeningen', nog nader verklaard. Onder datzelfde hoofdje is ook een korte toelichting gegeven op enkele namen en begrippen die niet bij alle lezers bekend zullen zijn. De nummers in de tekst verwijzen naar dit overzicht.
Tot slot wil ik Sai Baba bedanken voor de kans die hij mij heeft gegeven om hem te dienen door het schrijven van dit boek. En verder wil ik mijn moeder en Sjoukje van Dalen bedanken. Zij hebben verscheidene versies van mijn manuscript gelezen en ik heb veel gehad aan hun opmerkingen.
Enige informatie over Sai Baba
Aangezien deze publicatie voor sommigen het eerste boek zal zijn dat zij lezen over Sai Baba, is het goed om eerst enige feitelijke informatie over deze Avatar te laten volgen.
In ieder tijdperk zijn er grote wijzen, profeten en boodschappers op aarde geweest om de mens de weg naar God te wijzen. Wanneer de problemen op aarde erg groot zijn, komt God echter zelf naar de aarde in de vorm van een Avatar. Een Avatar is dus de vormloze God die naar de aarde afdaalt en een menselijk lichaam aanneemt.
Sathya Sai Baba is zo'n Avatar. Hij werd geboren op 23 november 1926 in een dorpje in Zuid-India en hij heeft voorspeld dat hij in dit lichaam 95 jaar oud zal worden. Bij zijn geboorte kreeg hij de roepnaam Sathya, hetgeen 'waarheid' betekent. Reeds tijdens zijn jeugd deed hij vele wonderen en toen hij dertien jaar was, maakte hij zich bekend als (Sathya) Sai Baba, de tweede belichaming van de Sai-Avatar. De eerste belichaming werd Sai Baba van Shirdi genoemd. Deze Shirdi Sai leefde van 1835 tot 1918 en bracht het grootste gedeelte van zijn leven door in het dorpje Shirdi, gelegen op ruim driehonderd kilometer ten oosten van Bombay.
Sedert zijn bekendmaking hebben miljoenen mensen zich tot Sathya Sai gewend voor hulp in lichamelijke en geestelijke nood en voor onderricht op het spirituele pad, een pad dat uiteindelijk zal leiden tot het doel van het leven, de eenwording met God.
Sai Baba predikt geen nieuwe godsdienst. Hij wijst ons op de fundamentele waarden die aan alle godsdiensten ten grondslag liggen, namelijk waarheid, juist gedrag, liefde, vrede en geweldloosheid, en hij spoort ons aan om deze waarden in praktijk te brengen.
De schepping, zegt hij, is God met daaraan toegevoegd een tijdelijke naam en een tijdelijke vorm. Er bestaat dus niets behalve God. Deze opvatting heet advaita of monisme en wordt ook Vedanta genoemd.
Na de dood van zijn lichaam zal hij in het huidige tijdperk nog eenmaal op aarde komen. Hij zal dan de naam Prema Sai Baba dragen. Prema betekent 'goddelijke liefde'. Prema Sai zal worden geboren in het dorp Gunaparthi, gelegen tussen de steden Bangalore en Mysore.
Overigens is God in de loop der tijden reeds in vele belichamingen op aarde geweest en Sai Baba noemt met name vaak Rama en Krishna. Rama leefde meer dan twintigduizend jaar geleden en was de belichaming van waarheid en juist gedrag. Krishna leefde ruim vijfduizend jaar geleden en was de belichaming van vrede en liefde. In deze tijd, waarin de wetenschap lacht om spiritualiteit en waarin haat en vrees het hart van de mens hebben verduisterd, is nu de Sai-Avatar gekomen als de belichaming van al deze vier.
Voor uitvoerige informatie over Sai Baba's leringen verwijs ik graag naar mijn boek Bevrijding komt niet uit de hemel vallen. (Uitgeverij Ankh-Hermes, tweede druk, 1992.)
Hierin vindt de lezer ook informatie over Shirdi Sai en Prema Sai, over het leven van Jezus zoals ons dat door Sai Baba is verteld en over de opmerkelijke overeenkomst tussen de leringen van Baba en Jezus.
1. Wat vooraf ging
'Toen Baba werd geboren, kende hij zijn goddelijkheid en wist hij dat hij God zelf was.'
'Jullie zijn allen God. Het enige verschil is dat ik het weet en dat jullie het nog niet weten.' Hij is de totaliteit van goddelijke energie en zijn kracht is veel groter dan de goddelijke kracht die in ieder mens afzonderlijk aanwezig is.
Hij kwam naar de aarde met een bepaalde taak: 'De goddelijkheid, die in iedereen aanwezig is in de vorm van een vonkje, bestaat in mij als de volledige vlam en het is mijn zending om elk goddelijk vonkje in iedereen te ontwikkelen tot de volheid van de goddelijke vlam.'
Om die taak te kunnen vervullen, zou hij geboren worden in de Ratnakaram Raju familie in het dorpje Puttaparthi in het zuiden van India. Daarna zou hij stap voor stap verder gaan.
Laten wij nu eerst teruggaan naar het moment van de conceptie. Hij had besloten niet geboren te worden als de vrucht van het samenkomen van een man en een vrouw, maar de aarde te betreden via rechtstreekse indaling in de moederschoot. Easwaramma zou zijn moeder worden. Zij was wel niet zo jong meer, maar zij was zo deugdzaam, liefdevol, zachtmoedig en bescheiden en toch ook zo verstandig. In de nacht voorafgaande aan de indaling had Lakshamma, de schoonmoeder van Easwaramma, een droom gehad van Sathya Narayana, de vorm van Vishnu (1) die zij zozeer aanbad. En in die droom had deze haar gezegd, Easwaramma te vertellen dat zij niet moest schrikken als er iets vreemds zou gebeuren, want dat zou dan de wil van God zijn.
De volgende morgen in alle vroegte was het gebeurd. Easwaramma was water gaan halen bij de bron toen een grote bal van blauw licht naar haar toe rolde. Zij viel flauw, maar nog juist voordat zij helemaal buiten bewustzijn raakte, ervaarde zij hoe het licht in haar kwam.
Laten wij vervolgens nog verder teruggaan in de tijd.
Kondama en Lakshamma - die de grootouders van Sai Baba zouden worden - hadden twee zonen en drie dochters. De beide zonen hadden zij uit eerbied voor hun goeroe Venkapa genoemd.
Om hen te onderscheiden noemden zij de oudste Pedda en de jongste Chinna, wat zoveel als Senior en Junior betekent. Op een mooie dag in het jaar 1903 besloot Kondama om enige tempels te gaan bezoeken en om dan gelijk een bezoek te brengen aan de huurders van enkele stukken land die hij bezat en aan zijn zuster Venkatamma en haar echtgenoot Subba, die woonden in een afgelegen gebied. Hij nam Pedda Venkapa met zich mee, want het leek hem goed dat deze de huurders zou leren kennen. Bovendien was het een moeilijke en vanwege struikrovers ook gevaarlijke reis, dus was het wel prettig om met zijn tweeën te zijn.
En dan had hij wat Venkapa betreft nog een ideetje, maar dat hield hij voorlopig voor zich, al had hij er wel met zijn vrouw over gesproken.
Na een tocht van meer dan 160 kilometer kwamen de reizigers aan in het dorp Kolimigundla, waar zich de boerderij van Subba Raju bevond. Subba was een overtuigd devotee van Ishvara - een andere naam voor Shiva. In zijn dorp had hij vele jaren eerder zelfs een tempel voor hem gebouwd en zijn oudste dochter had hij Ishvaramba genoemd, hetgeen letterlijk 'moeder van God' betekent.- Subba en zijn vrouw waren erg verheugd Kondama te zien, want hun laatste ontmoeting was al jaren geleden. Na het uitwisselen van allerlei nieuwtjes kwam het gesprek op de huidige situatie in Kolimigundla. Subba klaagde over de onvruchtbaarheid van het land, het onaangename klimaat en het feit dat hij zijn familie zo zelden zag.
Enthousiast begon Kondama te vertellen over het gebied rond Puttaparthi, dat heel vruchtbaar was doordat de Chitravati erdoorheen stroomde. Bovendien wist Kondama dat er rond Karnatanagapalli, het dorp recht tegenover Puttaparthi op de andere oever van de rivier, grond beschikbaar was om te gaan bebouwen. Waarom verkocht Subba zijn land en zijn huis niet en kwam hij naar Karnatanagapalli? Subba aarzelde, want dat was toch wel een hele grote stap. Hier was hij geboren en hier was hij opgegroeid. Toen hij bleef aarzelen, kwam Kondama met zijn laatste en grootste troef: hoe zou Subba het vinden als Pedda Venkapa zou trouwen met zijn dochter Ishvaramba? Venkapa was nu achttien jaar en hij was een gezonde, sterke, intelligente en deugdzame man. Bovendien bezat Kondama voldoende land om zijn kinderen een goed leven te kunnen bieden. Dit aanbod kon Subba niet weigeren.
Niet lang daarna trouwde de nu dertienjarige Ishvaramba met Venkapa. Nog vóór Subba zijn voornemen om te verhuizen kon uitvoeren, overleed hij. Kort daarop verkocht zijn weduwe alle bezittingen en vestigde zich met haar andere vijf kinderen in Karnatanagapalli.
Na de bruiloft trak Ishvaramba - wier naam later algemeen geschreven werd als Easwaramma - in bij haar schoonfamilie, zoals dat de gewoonte was.
Zij was de oudste schoondochter en als zodanig was het bestieren van het huishouden haar taak. Een zware taak voor een meisje van nauwelijks dertien. Maar zij redde zich aardig. De andere huisgenoten, waaronder ook een oom en tante en enkele neven en nichten, hielpen haar zoveel mogelijk en iedereen ging al snel veel van haar houden. Zij stond altijd voor iedereen klaar en was erg zorgzaam. Evenals haar schoonmoeder bad zij tot Sathya Narayana, de Heer die als de hoogste waarheid in alle wezens woont. Maar ook ging zij geregeld naar de andere tempels in het dorp.
In het eenvoudige huis van Kondama was het altijd een drukte van belang. Officieel behoorden de Raju's tot de kaste van de kshatriya's, de strijders, maar reeds lang geleden hadden zij de uiterlijke strijd vervangen door de innerlijke strijd. Zij streden niet langer tegen uiterlijke vijanden, maar tegen innerlijke vijanden als woede, hebzucht en jaloezie. Door middel van toneel en poëzie probeerden zij de heilige boeken uit te leggen aan en te populariseren voor hun dorpsgenoten en de mensen uit de omliggende dorpen. In het huis van Kondama was het dan ook een komen en gaan van mensen die teksten of muziek schreven, toneelstukken oefenden of instrumenten bespeelden. Bovendien was Kondama persoonlijk zeer geliefd bij velen. Als iemand hulp nodig had, ging hij naar Kondama. Men vroeg zijn zegen bij aanstaande huwelijken, bij de aankoop van een os en zelfs bij ploegen, zaaien en oogsten. Hij stond altijd met raad en daad voor iedereen klaar, maar zijn eigen zaken behartigde hij minder goed. Hij vergat stukken land te verhuren waardoor ze soms jarenlang braak lagen en hij vergat zijn belasting te betalen met het gevolg dat hij na enige tijd vrijwel niets meer bezat.
Met Venkapa en Easwaramma ging het intussen goed. Zij gingen veel van elkaar houden en na enkele jaren kregen zij een zoon, die zij Seshama noemden. En in de jaren daarna kwamen er nog twee dochters: Venkamma en Parvathamma.
Maar daarna kregen zij een moeilijke tijd. Easwaramma kreeg viermaal een miskraam. Omdat zij dachten dat dit te maken had met zwarte magie, gingen zij naar duiveluitdrijvers en droegen zij talismans. Ook hielden zij puja's (erediensten) in de plaatselijke tempels en bezochten zij heilige plaatsen in de omgeving. Toen Easwaramma opnieuw in verwachting raakte, was iedereen heel bezorgd. Haar schoonmoeder bad veel tot Sathya Narayana en vroeg hem om een gezonde kleinzoon. In diezelfde tijd droomde Kondama enkele malen over zijn goeroe Venkavadhuta, die hem in zijn dromen vertelde dat hij voorbereid moest zijn - maar waarop, dat vertelde hij er niet bij.
Easwaramma had slechts heel weinig opleiding gehad, ze kon nauwelijks lezen en schrijven, maar dat was niet zo belangrijk. Zij kende een diep innerlijk weten - het resultaat van ontelbare goede daden in vele vorige levens. Maar ondanks de gebeurtenis bij de bron en ondanks dit diep innerlijk weten, zou het tot Baba's dertiende jaar duren vóór zij diens ware aard werkelijk zou beseffen en zou kunnen aanvaarden en zij zou vrijwel haar hele leven zelfs nog twijfels omtrent zijn goddelijkheid hebben.
Pedda Venkapa, een vroom en eenvoudig man, maakte zich ernstig zorgen. Het was al begonnen toen zijn vrouw hem vertelde dat zij, na vier miskramen, weer zwanger was. Zij had een vreemd verhaal verteld over een gebeurtenis bij de bron, maar het had hem het beste geleken daar maar niet op te reageren. Hij had al genoeg aan zijn hoofd: een vrouw, een zoon, twee dochters en het toezicht op zijn land en personeel. En de laatste tijd was zijn vrouw zo in zichzelf gekeerd. Zij leek hem vaak niet eens te horen wanneer hij haar iets vroeg. En nu kwam daar ook nog die kwestie van de tambura (een snaarinstrument) en de maddala (een trommel) bij. Al verscheidene malen was hij de laatste tijd 's nachts wakker geworden door geluiden in de woonkamer. Het leek wel of de tambura en de maddala uit zichzelf speelden. Maar dat was natuurlijk onzin. Het zou de wind wel zijn, of zouden het wellicht muzikale voorvaderen zijn die iets kenbaar wilden maken? Hij besloot binnenkort eens naar een sterrenwichelaar te gaan; misschien kon die hem wat wijzer maken. Venkapa was eerst naar verscheidene astrologen in het dorp gegaan, maar die konden hem niet helpen. Toen was hij naar een hele beroemde sterrenwichelaar in Bukkapatnam gegaan. Nadat hij had uitgelegd wat er aan de hand was, had de astroloog vragen gesteld, in dikke boeken gebladerd en aantekeningen gemaakt en tenslotte had hij gevraagd: 'Is de muziek mooi en kalmerend?'
'Ja,' had Venkapa geantwoord, 'de klanken gaan dwars door je heen.'
'Is er in uw huis een vrouw die een baby verwacht?'
Hij had bevestigend geknikt.
Vervolgens zei de astroloog: 'Het zijn de goden zelf die deze muziek maken en zij doen dat om de baby in de baarmoeder te plezieren.' Venkapa was verbijsterd geweest. De hele weg naar huis had hij die laatste zin voor zichzelf herhaald. Wat zou de toekomst brengen? Hij huiverde.
2. Jeugdjaren- Het was 23 november 1926, de dag van Sai Baba's geboorte en daarmee de dag waarop zijn taak op aarde begon, ook al wist nog vrijwel niemand dat. Hij bezat reeds alle krachten die hij later een voor een zou openbaren tot heil van de schepping. De volgende dag zou Sri Aurobindo in zijn ashram in Pondicherry aan de aanwezigen vertellen dat Krishna, God, opnieuw op aarde was gekomen en na enige tientallen jaren zou men zich dit herinneren en begrijpen dat hij over de komst van Sai Baba had gesproken.
Puttaparthi, het dorpje waar hij geboren werd, telde in die tijd nog geen duizend inwoners en toch zou het eens miljoenen mensen naar zich toetrekken. Aan één kant van het dorp stroomde de Chitravati en het gehele dorp was omringd door heuvels. Het dorp lag als het ware in een vallei en daardoor kon het er 's zomers erg heet worden, soms wel vijftig graden Celsius of meer. Puttaparthi betekent letterlijk 'een plaats vol mierenheuvels die een schuilplaats bieden aan slangen' - en dan met name aan cobra's.
Easwaramma had zojuist in alle vroegte haar Sathya Narayana puja (eredienst) beëindigd toen de weeën begonnen. Haar schoonmoeder bevond zich op dat moment in het huis van de priester om ook haar puja te doen en de aanstaande vader stuurde onmiddellijk iemand naar haar toe om te vragen of zij direct wilde komen, maar dat weigerde zij. Zij had zoveel vertrouwen in God dat zij eerst haar gebeden wilde afronden voor zij zou komen. Toen zij tenslotte kwam, bracht zij de gezegende bloemen en het gezegende water van de puja mee voor haar schoondochter. Buiten hoorden zij de andere dorpelingen de namen van Shiva zingen, want deze maandag de 22ste november was gewijd aan Shiva en de zon was nog niet opgekomen. Voor de dorpelingen liep in die tijd de dag namelijk nog van zonsopgang tot zonsopgang en dus was het voor hen nog maandag. En op het moment dat de horizon rood kleurde als aankondiging van de opkomende zon, werd God geboren in een menselijk lichaam. Het was 5.06 uur en de maandag ging nu over in de dinsdag, de dag die gewijd is aan Ganesha - hij die de obstakels uit de weg ruimt op de weg naar God.
Lakshamma controleerde de baby van top tot teen en de andere aanwezige vrouwen - waaronder zijn grootmoeder van moeders zijde en buurvrouw Subbamma - keken stralend toe. Groot was hun verrassing toen zij zagen dat het kind op zijn voetzolen moedervlekken had in de vorm van een schelp en een wiel, tekens die zij herkenden als symbolen van Vishnu. De uitgeputte moeder nam het kind in haar armen en allen feliciteerden haar met deze prachtige zoon. Nadat hij gewassen was, legde Lakshamma hem in een bedje van doeken in een hoek van de kamer en dat was het moment voor het eerste wonder na zijn komst op aarde. Aanvankelijk hadden de aanwezige vrouwen niet in de gaten dat de doeken op een vreemde manier gingen bewegen, maar dat duurde niet lang. Subbamma wees opeens angstig naar het bedje en toen schrokken ook de anderen. Nog voor een van hen haar handen had kunnen uitsteken om te kijken wat er aan de hand was, kroop er een cobra onder het bedje vandaan. Allen deinsden terug, want een cobrabeet is dodelijk. De cobra gleed echter weg van het bedje en verdween spoorloos. Snel keek Lakshamma of er niets aan de hand was met de baby en pas toen zij hem rustig zag slapen, was zij gerustgesteld. Deze gebeurtenis zou het hele dorp rondgaan en in het geheugen van velen blijven hangen. Degenen die in de heilige boeken waren onderlegd, zouden spreken over Shesha, de slang waarop Vishnu vóór de schepping rustte in de melkzee, en zij zouden zich afvragen wie er in hun midden een lichaam had aangenomen. En dit was nog maar het begin...
Zijn ouders gaven hem de namen Venkata Sathya Narayana. Venkata, net als zijn vader ter ere van de goeroe Venkavadhuta, en Sathya Narayana op uitdrukkelijk verzoek van zijn moeder, als dank aan deze vorm van Vishnu tot wie zij gedurende de gehele zwangerschap en ook reeds daarvóór had gebeden. Hij had haar de zoon geschonken om wie zij gebeden had; daaraan bestond voor haar geen twijfel. En dus was het deze naam die bij de narnakaranam, de naamgeving, in zijn oor werd gefluisterd. Voorlopig zou hij Ratnakaram Venkata Sathya Narayana Raju heten. In de wandeling: Sathya.
Easwaramma moest haar baby met het stralende gezichtje en de prachtige zwarte krulletjes geregeld uit handen geven en dat viel haar niet altijd licht, hoewel zij ook wel genoot van alle aandacht die haar kind kreeg. Soms nam haar schoonmoeder hem mee naar haar echtgenoot Kondama, die zich vaak in een door hemzelf gebouwd hutje, gelegen naast het ouderlijk huis, afzonderde om te bidden en te mediteren.
'Nee, nee, Swami,' protesteerde
de man in kwestie, 'ik was maar een paar minuten te laat.'
Waarop Baba concludeerde: 'Twintig leerlingen die ieder drie
minuten hebben moeten wachten - een uur te laat!'
Na die twee jaar school in het eigen dorp moesten de kinderen voor
de hogere klassen naar Bukkapatnam, een dorp dat zo'n vijf
kilometer verderop lag, aan de andere kant van de rivier. Maar
eerst moesten zij een soort examen afleggen om te zien wie er
geschikt was om verder te leren. En zo gingen op een dag acht
kinderen en een onderwijzer in een kar getrokken door een os op
weg naar Panwarda in de buurt van Penukonda. De kar was afgeladen
en telkens wanneer zij heuvelopwaarts moesten, kon de os het niet
aan en moesten zij allemaal uitstappen en lopen. Nu zat er ook
geen rem op de kar en dat betekende dat zij ook heuvelafwaarts
moesten lopen. Zo liepen zij meer dan zij reden. In Panwarda gaf
de onderwijzer nog tot vlak voor het examen les, maar daar was
Sathya meestal niet bij aanwezig. Hij had namelijk de taak op zich
genomen om te zorgen voor de maaltijden en dus stond hij een groot
deel van de dag in de keuken om eten te koken. Na drie dagen
examen te hebben afgelegd, gingen zij weer terug naar huis.
Toen de uitslag bekend werd gemaakt, bleek Sathya de enige van de
groep te zijn die verder mocht leren. Dat alle anderen waren
gezakt, werd mede veroorzaakt door het feit dat de kinderen in de
war waren geraakt doordat de onderwijzers erg streng waren
geweest. En dat was weer veroorzaakt door het feit dat dit
speciale examen dat jaar voor het eerst werd afgenomen.
Vanaf die tijd ging Sathya samen met enkele neefjes en vriendjes
en ook enkele oudere jongens iedere dag reeds vroeg met zijn
boekentas op zijn hoofd of over zijn schouder op weg naar
Bukkapatnam. In die tas zat ook zijn middageten, dat zijn moeder
voor hem had klaargemaakt. Meestal bestond dat uit sangti
(rijst en meel tezamen gekookt) en heerlijke chutney (een
pikant mengsel van voornamelijk fruit en allerlei kruiden).
Onderweg praatten en zongen de kinderen om de moed erin te houden,
want het viel niet altijd mee. De weg naar Bukkapatnam was in die
tijd nog erg slecht: zij moesten door de modder en over rotsen en
in het regenseizoen moesten zij zelfs door diep water waden. En
als de oudere jongens - die toch al jaloers waren op zijn
studieresultaten - zich verveelden onderweg, dan konden zij Sathya
altijd nog plagen. Zijn moeder zorgde ervoor dat zijn kleding
altijd schoon en netjes gestreken was en dat konden de anderen
niet erg waarderen. Zodra zij buiten het dorp waren, gebeurde het
geregeld dat zij Sathya bij zijn voeten door de modder sleepten
tot zijn kleren minstens even vuil en gekreukt waren als die van
henzelf. Omdat deze handelwijze voortkwam uit onwetendheid, heeft
Sathya er nooit over geklaagd en hij heeft het zijn
schoolkameraadjes ook nooit kwalijk genomen.
Net als in Puttaparthi verzamelde Sathya zijn medeleerlingen om
zich heen voor de lessen begonnen. Hij zette een afbeelding neer
van Rama, Krishna of een andere godheid, zette er wat bloemen
omheen en deed puja (eredienst). Na afloop deelde hij
prasad (gezegend voedsel) uit en dat was voor velen de
reden om de puja bij te wonen. Ook haalde hij soms voor hen uit
zijn schooltas griffels, potloden, prachtig gekleurde knikkers of
snoep tevoorschijn, wetend dat hun ouders dit veelal niet konden
bekostigen. En als een van de kinderen ziek was of pijn had,
haalde hij verse kruiden tevoorschijn die groeiden in het
Himalaya-gebergte. Hij zei dan tegen de zieke dat hij daarop moest
kauwen en het sap moest doorslikken. Wanneer de kinderen Sathya
soms vroegen hoe hij aan al die dingen kwam, zei hij maar, dat hij
die als een bijzondere gunst had gekregen van de dorpsgodin. De
tijd en de kinderen waren nog niet rijp voor het moment van zijn
bekendmaking. Vanuit Sai Baba's standpunt is er geen sprake van
wonderen; alles wat hij doet, is gewoon een deel van hemzelf.
Ondanks zijn verzoek om niet te praten over deze 'wonderen',
vertelden de kinderen vaak aan hun ouders wat er was gebeurd.
Sommige ouders waarschuwden dan hun kinderen dat zij beter niet
met Sathya konden omgaan omdat deze aan zwarte magie deed. De
kinderen trokken zich echter niets aan van dergelijke
waarschuwingen en bleven gewoon met hem optrekken.
Wanneer een leraar hun dingen dicteerde, zat Sathya ook te
schrijven. Wat niemand zag, was dat hij dan soms bhajans
(devotionele liederen) zat te componeren of te vermenigvuldigen om
ze later uit te delen aan zijn klasgenootjes.
Op een keer betrapte een van de leraren, Sri (mijnheer)
Kondappa, hem en hij gaf eerlijk toe dat hij geen aantekeningen
maakte van zijn lessen.
'Meneer,' zei hij, 'waarom zou ik opschrijven wat u
zegt. Ik heb reeds begrepen wat u dicteert. Vraagt u mij maar wat
u wilt over dit onderwerp en ik zal het juiste antwoord geven.
'
De leraar was echter gekwetst in zijn trots en hij vond dat Sathya
een slecht voorbeeld gaf aan de anderen en daarom beval hij hem op
zijn bank te gaan staan en daar te blijven staan tot de les was
afgelopen. Hij ging op de bank staan en stond daar dus nog toen de
bel voor het volgende lesuur ging en Sri Mahbub Khan, de docent
Engels, binnenkwam. Deze was verbaasd en geschokt te zien hoe zijn
geliefde Sathya op de bank stond. Hij gaf heel veel om hem en hij
was in die tijd een van de weinigen die zag dat Sathya goddelijke
eigenschappen bezat. Hij vroeg aan Kondappa wat er aan de hand was
en waarom hij niet van zijn stoel opstond om plaats te maken voor
hem. Gespannen fluisterde deze hem toe dat hij niet van zijn stoel
kon opstaan; wanneer hij oprees, ging de stoel mee. De kinderen
die vooraan zaten, hoorden wat hij zei en begonnen te lachen en op
Sathya te wijzen. Mahbub Khan knikte en adviseerde zijn collega de
jongen van de bank te laten komen. Zodra Kondappa hem daarvoor
toestemming had gegeven, kon hij zelf ook van zijn stoel
opstaan.
Later vroegen mensen Sai Baba weleens waarom hij dat gedaan had.
Had hij zo'n hekel aan die leraar? Nee, dat was het niet. Woede en
haat maken geen deel uit van Baba. Het ging er alleen om de mensen
uit zijn omgeving te laten zien dat hij anders was dan de andere
kinderen. Bovendien was het voor de betreffende docent een les om
te leren zijn trots los te laten.
Overigens werd dit verhaal in geuren en kleuren door de kinderen
van de klas rondverteld en zo kwam het ook Sathya's ouders ter
ore. Die waren erg boos op hun zoon en zijn moeder waarschuwde hem
om zoiets niet nog eens te doen: 'Je zult nog van school gestuurd
worden en dan wil geen enkele andere school je nog hebben. En dan
zul je opgroeien tot een nietsnut, die alleen maar vee kan
drijven!'
Kort daarop hoorde zij dat alle kinderen en leraren haar zoon als
een beroemdheid beschouwden ondanks of misschien wel juist dankzij
dergelijke voorvallen. Kondappa schreef zelfs een gedicht waarin
hij Sathya een goddelijk kind noemde. En toen Sathya korte tijd
later de beste leerling van alle scholen uit de streek bleek te
zijn, was zijn moeder weer trots op hem, al was zij ook wel
enigszins bevreesd voor de jaloezie van de andere ouders.
Als beste leerling van zijn klas kreeg Sathya van de docenten de
functie van toezichthouder over de andere kinderen. Hij moest het
voorbeeld geven bij het schoonhouden van het klaslokaal en bij het
tonen van discipline. Vóór de lessen begonnen maakte
hij daarom altijd het schoolbord schoon en vaak maakte hij ook de
banken schoon. Soms moest hij in opdracht van een leraar zijn
klasgenoten straffen. Dat hoorde ook bij zijn functie. Toen hij op
een keer de enige van de hele klas was die het antwoord op een
vraag wist, zag de leraar daarin een reden om alle andere kinderen
te straffen en Sathya kreeg de opdracht ieder van zijn dertig
klasgenoten enkele klappen in het gezicht te geven. Hij moest hun
neus met zijn linkerhand stevig vastpakken en dan met zijn
rechterhand slaan. Aangezien sommige kinderen veel groter waren
dan hij moest hij zo nu en dan op een bank gaan staan om deze
onplezierige taak te kunnen uitvoeren. Uit mededogen sloeg hij hen
niet erg hard, maar dat beviel de leraar absoluut niet. Hij riep
Sathya bij zich en schreeuwde: 'Heb ik je gevraagd om haldi-poeder
op hun wangen aan te brengen? Ik heb je gevraagd om hen te slaan.
Ik zal je laten zien hoe dat moet!'
Hij pakte Sathya's neus vast en telde de klappen die hij hem gaf -
dertig in totaal. Sathya verdroeg het stilzwijgend, want hij vond
het niet juist tegen een docent in te gaan. Bovendien achtte hij
het zijn eigen schuld dat de straf niet was uitgevallen zoals de
leraar dat had bedoeld, hoe belachelijk het loon ook was voor het
goede antwoord dat hij had gegeven.
Na schooltijd en in de vakanties trok Sathya vaak op met een hele
groep kinderen. Soms gingen zij de heuvels in en andere keren
speelden zij in de droge bedding van de Chitravati. Vaak probeerde
Sathya hun iets te leren: verdraagzaamheid, eerlijkheid, samen
delen. Daartoe haalde hij bijvoorbeeld een groot stuk suikergoed
tevoorschijn dat zij onder elkaar mochten verdelen zonder ruzie te
maken. Ook vertelde hij hun wel over de engelen van God, die zijn
wensen uitvoerden. En soms was er louter lila, spel, om hun
te laten zien dat voor God niets onmogelijk was. Zo verzamelde hij
op een keer een hele groep vriendjes en zei dat zij kikkers zouden
gaan vangen. Nieuwsgierig vroegen zij wat Sathya van plan was, wel
wetend dat hij dieren nooit kwaad zou doen. Hij weigerde evenwel
dat te vertellen en spoorde hen alleen maar aan om mee te gaan.
Zij hadden een vrolijke middag en vingen wel tien of twaalf
kikkers. Sathya liet de kinderen de diertjes in een korf doen die
hij had meegebracht, legde er een doek overheen, hield zijn handen
er even boven en liet toen een van de kinderen de doek wegtrekken.
Deze deed dat met een enigszins angstig gezicht, maar wie schetst
hun verbazing toen er uit de korf een zwerm zwaluwen opvloog. Druk
napratend over dit wonder liepen zij later weer naar huis, waar
zij het verhaal direct aan hun ouders vertelden.
Bij Sathya thuis was het nog altijd een drukte van belang. Er
waren nu bijna twintig kinderen in huis, want behalve zijn ouders
met hun inmiddels vijf kinderen woonden ook de broer en een zus
van zijn vader met hun gezin in hetzelfde huis. Soms haalde Sathya
voor zijn broertje - de vijf jaar na hem geboren Janakiram - en
zijn neefjes en nichtjes pepermuntjes en dergelijke uit een lege
tas als zij hun ouders hielpen met het werk of als zij een goed
cijfer op school hadden gehaald.
Zelf gaf Sathya altijd het goede voorbeeld.
Niemand van het gezin had in die tijd veel kleren. De kinderen
hadden de kleren die zij droegen en een stel extra. Sathya had
vaak nog minder kleren dan de anderen en dat had meerdere
redenen.
Zo gebeurde het eens dat hij op een erg koude morgen buiten kwam
en daar een kind naakt zag lopen, bibberend van de kou. Hij trok
direct zijn shirt uit en hielp hem het aan te trekken. Hoe kon hij
anders handelen wanneer hij lijden zag?
Zo nu en dan bracht zijn vader allerlei kleurige lappen stof mee
uit een winkel in Bukkapatnam of Anantapur om kleren voor de
kinderen van te laten maken. Wanneer hij thuis kwam, dromden ze
allemaal om hem heen om de mooiste lappen uit te zoeken.
Alleen Sathya hield zich afzijdig. Zijn moeder, die dat zag, zei
dan: 'Sathya, moet jij niets uitzoeken?' Deze glimlachte en zei:
'Nee, moeder, geef de anderen de kleren maar die zij uitkiezen.
Wat er overblijft, zal ik nemen.' Zij trok haar zoon dan naar zich
toe, knuffelde hem en probeerde hem over te halen haar te zeggen
wat hij graag wilde hebben. 'Maar jongen, is er dan niets wat je
graag zou willen hebben? Zeg het en je krijgt het van mij.' 'Ik
heb niets nodig, moeder. Wat u mij ook geeft, zal ik aanvaarden.'
Na een dergelijke uitspraak verbaasde zij zich weer even over haar
kleine Sathya en deed er verder het zwijgen toe. Sathya zelf
straalde van vreugde als hij zag dat de andere kinderen gelukkig
waren met hun keuze. En meestal bleef er nog wel iets over om een
nieuwe broek of een nieuw shirt voor hem van te maken.
Soms maakte Easwaramma zich zorgen over het gedrag van haar zoon,
dat nogal afweek van dat van de andere jongens uit het dorp. Hij
vroeg nooit ergens om, was altijd tevreden met wat hij kreeg en
stond altijd klaar om te helpen. Met het oog op de toekomst
probeerde zij hem te stimuleren om meer voor zichzelf op te komen.
Zij hoopte dat hij zanger of danser zou worden, of wellicht
dichter of toneelschrijver of zelfs regisseur, want zij zag
duidelijk dat hij dergelijke capaciteiten bezat. Maar zij wist ook
dat de samenleving vaak hard was en dat hij zou moeten vechten als
hij iets zou willen bereiken in het leven. Haar moeite bleek
evenwel steeds weer vergeefs. Sathya bleef even zachtaardig en
gelijkmoedig als altijd, al betekende dat niet dat hij alle
verkeerde dingen in de dorpsgemeenschap zomaar accepteerde.
Het dorpshoofd, de echtgenoot van Subbamma, was erg trots op zijn
Hitler-snor, zijn dure polshorloge en zelfs op zijn Don
Juan-allures en dat maakte hem niet tot een goed voorbeeld voor de
andere dorpelingen. Daarom schreef Sathya een spotlied op hem en
leerde dat aan zijn vriendjes. Iedere dag zongen de kinderen dit
lied voor zijn huisdeur tot hij woedend naar buiten kwam om hun
mores te leren. Dan renden zij hard weg zodat hij hen niet te
pakken kreeg. Tenslotte werkte het: hij schoor zijn snor af, borg
zijn horloge weg en stopte met zijn heimelijke bezoekjes. Subbamma
had geen moeite met Sathya's gedrag, maar zijn eigen moeder
schaamde zich voor hem en gaf hem een flink standje.
Meer van dergelijke speldenprikken zouden volgen.
In een volgend gedicht schreef hij over de grootgrondbezitters in
het dorp die profiteerden van het werk van hun arbeiders, die in
weer en wind de grond bewerkten om rijst te planten, te verzorgen
en te oogsten. Met als excuus dat het kaste-systeem het nu eenmaal
zo wilde, betaalden zij hun arbeiders vaak slechts een schamel
loon voor hun harde werk. Ook dit lied zongen de jongens op vele
plaatsen in het dorp, evenals liederen tegen andere sociale
misstanden zoals overmatig drankgebruik, ontucht en analfabetisme.
Sathya's moeder wrong haar handen bij zoveel brutaliteit van de
kant van haar zoon en vroeg zich af of hij echt wel zo zachtaardig
was als hij vaak leek te zijn. En de andere dorpelingen vreesden
of hoopten juist dat Sathya een revolutie wilde ontketenen. Ja,
hij wilde een revolutie ontketenen, niet met geweld, maar met
liefde!
Sathya begon nu vaker gedichten en bhajans te componeren en
teksten te schrijven voor de professionele uitvoeringen waaraan
zijn grootvader, zijn vader, zijn oom Chinna Venkapa en nog enkele
andere familieleden meededen. Wanneer zij aan het oefenen waren
wanneer Sathya uit school thuiskwam, bleef deze vaak kijken. Hij
gaf dan ook commentaar en zo gebeurde het al spoedig dat men hem
vroeg mee te spelen. Aanvankelijk speelde hij in enkele stukken
mee als de jonge Krishna, maar toen men op een gegeven moment
behoefte had aan iemand die Draupadi, de echtgenote van de vijf
Pandava's, kon spelen en er niemand beschikbaar was, kreeg Sathya
die rol toebedeeld.
Draupadi is een belangrijke figuur uit de Mahabharata, het grote
epos over het leven van Krishna. In het betreffende toneelstuk
ging het om de scene aan het hof van de koning, waarin de
Pandava's eerst al hun bezittingen en dienaren, vervolgens hun
eigen vrijheid en tot slot hun echtgenote tijdens het dobbelspel
verliezen aan de Kaurava's. Wanneer zij vervolgens in opdracht van
de Kaurava's ontkleed zal worden, bidt zij in opperste wanhoop tot
God om hulp. Dan geschiedt een wonder: het blijkt onmogelijk om
haar te ontkleden, want aan de lengte van haar sari komt geen
einde.
In het toneelstuk droeg Sathya maar liefst zeven sari's over
elkaar heen voor deze slotscene, hetgeen alleen mogelijk was omdat
hij zo tenger was. Het applaus was overdonderend!
Het zal niemand verbazen dat hij sindsdien vaker vrouwenrollen
speelde, zoals die van Mohini, Devaki en Tara.
In die tijd bezocht een
populaire toneelgroep de streek rond Puttaparthi. Deze trad op in
vele steden en dorpen en men sprak over niets anders. Toen de
groep een optreden in Puttaparthi verzorgde, ging Sathya ook
kijken. Een van de leden van deze groep was een jong meisje dat
geweldig kon dansen. In een bepaald dansnummer liet dit meisje,
dat zich op het toneel Rishyendramani noemde, gedurende het gehele
optreden een fles op haar hoofd balanceren met daarop een bord en
daarop weer een aantal lichtjes. Op een gegeven moment ging zij
dan op de grond zitten, strekte zich uit op haar buik en pakte met
haar tanden een zakdoek van een lucifersdoosje dat op de grond
lag. Daarna kwam zij weer overeind met de zakdoek tussen haar
tanden, terwijl de fles en het bord met de lichtjes nog steeds op
haar hoofd balanceerden. Een geweldig applaus was haar
beloning.
Thuisgekomen probeerde Sathya haar optreden met de fles, het bord,
de lichtjes en de zakdoek na te doen en dat ging perfect. Ondanks
aandringen van zijn familie weigerde hij deze dans aan zijn
repertoire toe te voegen. Binnen korte tijd wisten heel veel
mensen dat hij dit kunststukje ook kon en toen enige ondernemende
lieden hem enige tijd later vroegen om deze dans op te voeren
tijdens de jaarlijkse veemarkt in Kothacheruvu, liet hij zich
overhalen. Zonder overleg met hem kondigden zij vervolgens aan dat
de beroemde Rishyendramani zou optreden. Op de dag van de
jaarmarkt verkleedden Venkamma en Parvathamma hun broertje als
meisje en brachten hem naar Kothacheruvu. Het gordijn ging open en
het toneelstuk begon. Toen Sathya zijn dans opvoerde, was het
publiek laaiend enthousiast. Niemand had in de gaten dat het
Rishyendramani niet was. En hij had het nummer zelfs nog wat
verbeterd: in plaats van een zakdoek met zijn tanden op te rapen,
raapte hij met de stellage balancerend op zijn hoofd - met zijn
ene ooglid een naald op. Na afloop van het toneelstuk stond de
voorzitter van de feestcommissie erop 'Rishyendramani' een
medaille op te spelden! Sathya's ouders vreesden dat hij nu door
de mand zou vallen, maar alles ging gelukkig goed.
Nadien kreeg hij vele uitnodigingen om deze dans ook elders op te
voeren, maar daaraan gaf hij slechts sporadisch gehoor. Toen hij
enkele jaren later in Uravakonda woonde en daar een feest werd
georganiseerd waarvan de baten bestemd waren voor de uitbreiding
van de school, nodigde men ook Rishyendramani uit. Nu bleek zij op
het laatste moment verhinderd te zijn en dat was een ramp, want de
goede verkoop van de kaartjes was het gevolg geweest van haar
aangekondigde optreden en bovendien waren er allerlei belangrijke
personen uitgenodigd. Daarom ging Sathya naar het hoofd van de
school en bood aan de plaats van Rishyendramani in te nemen. Deze
aanvaardde het aanbod en het optreden was een groot succes. Toen
een van de hoogwaardigheidsbekleders 'Rishyendramani' de volgende
dag een sari als beloning wilde geven, kwam Sathya samen met het
schoolhoofd het toneel op. Toen het hoofd vertelde dat Sathya
degene was die de vorige dag had opgetreden, was iedereen
stomverbaasd en nog dagen lang werd er druk over gepraat.
Toen hij een jaar of negen was, formeerde Sathya de Pandari Bhajan
Groep. De leden van deze groep - totaal een stuk of achttien -
waren merendeels dezelfde jongens als degenen met wie hij de
spotliederen zong. Door middel van deze activiteiten hield hij de
kinderen weg van verkeerde bezigheden zoals de hanengevechten en
van de bioscoop, die inmiddels ook in Puttaparthi zijn intrede had
gedaan. Nu is 'bioscoop' eigenlijk een groot woord voor de films
die werden gedraaid in een achteraf-zaaltje, maar Sathya vond het
belangrijk om de kinderen zo vroeg mogelijk te leren dat de meeste
films een slechte invloed hadden. Zij toonden vaak alleen de
ongunstige kant van het gezinsleven en verheerlijkten wreedheid en
misdaad. De volwassenen kon hij niet tegenhouden, maar de kinderen
vaak wel.
Gekleed in een okerkleurige bloes en broek en voorzien van
enkelbelletjes trok de groep geregeld zingend en dansend door de
straten van het dorp. Een van de kinderen bespeelde daarbij de
trommel, een ander het harmonium en weer anderen droegen een vlag.
Zij zongen bestaande bhajans en balladen, maar ook liederen die
Sathya zelf schreef en die hij de kinderen leerde. De liederen
gingen over pelgrims die verlangden naar darshan (het zien
en/of ervaren) van de Heer, over de beproevingen van de lange
reis, de vreugde bij het bereiken van de tempel, maar ook over een
pelgrimstocht naar Shirdi waar het graf was van ene Sai Baba. Van
Shirdi en Sai Baba hadden de kinderen nog nooit gehoord, maar zij
zongen wat Sathya hun leerde. Veel toehoorders vroegen zich af
waar Sathya gehoord had over die Sai Baba van Shirdi; zij kenden
hem in ieder geval niet. Gezien de naam zou het, dachten zij, wel
gaan om de een of andere moslim-fakir. Aangezien de dagelijkse
bezigheden hen vrijwel volledig in beslag namen, vergaten zij weer
om Sathya ernaar te vragen.
De Pandari Bhajan Groep had veel succes en de meeste dorpelingen
gaven de kinderen graag de kleine financiële bijdrage die zij
vroegen voor het instandhouden van de groep. Het ging om een
vrijwillige bijdrage van slechts één anna per
maand voor papier en pennen voor het vermenigvuldigen van de
bhajans, voor de aanschaf van rijst die zij uitdeelden als
prasad (gezegend voedsel), voor wierook, kamfer enzovoort.
Deze munt, de anna, bestaat nu niet meer, maar hij had een waarde
van één-zestiende roepie.
Tijdens de optredens was Sathya de voorzanger en in de
toneelstukjes speelde hij vele rollen. Een van de teksten ging
over Sri Narasimha van Kadiri en was gebaseerd op een bekend
verhaal uit de streek. Narasimha was een Avatar
(belichaming) van Vishnu en had de vorm van een man-leeuw. De
groep zong over de manhaftigheid en de daden van Sri Narasimha en
bij de regel 'Uit de pilaar van staal sprong de god als leeuw
tevoorschijn' sprong Sathya plotseling op terwijl zijn gezicht een
uitdrukking van woestheid en verontwaardiging aannam. Alle
aanwezigen werden doodsbang bij die aanblik en enkele sterke
mannen probeerden de jongen vast te grijpen. Tevergeefs! Niemand
kon hem benaderen! Pas nadat enkele toehoorders puja voor Sathya -
de gemanifesteerde god Narasimha - hadden gedaan, met de
kamfervlam hadden gezwaaid en kokosnoten voor zijn voeten hadden
gebroken, nam hij zijn normale vorm weer aan waarna het lied werd
voortgezet.
Deze gebeurtenis verspreidde de faam van de groep naar alle dorpen
in de omgeving en de kinderen werden steeds vaker uitgenodigd om
elders op te treden. Immers, zo vertelden de dorpelingen elkaar,
als de Pandari Bhajan Groep optrad, dan manifesteerde God zich
zelf! Soms werden zij met een ossenkar gehaald en gebracht, maar
soms moesten zij wel tien of twintig kilometer lopen om in het
betreffende dorp te komen. Maar dat hadden zij er graag voor
over.
Sathya's zuster Venkamma en haar echtgenoot Subba - hij was een
jongere broer van Easwaramma - hadden besloten een eigen huis te
bouwen. Het moest een stenen huis worden en dat was zeker in die
tijd een hele klus. Met de hulp van vele familieleden, buren en
vrienden hadden zij reeds honderden stenen gevormd uit klei. Deze
lagen te drogen en zouden de volgende dag gebakken worden. Er lag
al een hele berg hout gereed voor dat doel. Nu was het moessontijd
en dat betekende vaak enorme stortbuien. En juist op dat moment,
terwijl de stenen lagen te drogen, werd de lucht donker en
dreigend. Een stortbui zou alle stenen in korte tijd veranderen in
een berg vormeloze klei.
Een van de buren stelde voor om de stenen te bedekken met bundels
gedroogde suikerrietbladeren. Een vriend van hem, die op de andere
oever van de rivier woonde, zou die vast wel beschikbaar willen
stellen. Onmiddellijk waadden alle mannen, vrouwen en kinderen
door de Chitravati naar de tegenoverliggende oever. Sathya sloot
de rij. En toen hij midden in de rivier stond, stopte hij en riep:
'Wacht allemaal!' Toen iedereen naar hem keek, hief hij zijn
handen op naar de lucht en zei: 'Venkamma. Het zal droog
blijven.' En op dat moment dreven de donkere wolken snel weg,
de wind ging liggen en de lucht werd helder. Alle aanwezigen
beseften dat Sathya macht had over de elementen en in doodse
stilte keerde iedereen terug naar huis.
Langzamerhand gingen zijn dorpsgenoten inzien dat Sathya geen
gewoon kind was en velen begonnen hem te bewonderen en lief te
hebben, maar ook begonnen sommigen hem te vrezen, te benijden of
te wantrouwen. Zo is de wereld: waar liefde is, is haat, waar
vreugde is verdriet. De schepping is gebouwd op tegenstellingen,
op dualiteit en deze dualiteit is er de oorzaak van dat de
schepping zonder einde zal zijn. Oorzaak en gevolg zijn
onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Niet alleen maakte Sathya bezwaar tegen het doden van dieren,
zoals reeds eerder is verteld, maar ook maakte hij bezwaar tegen
datgene wat in het dorp - en in vele andere dorpen - werd gezien
als sport en waarbij dieren slecht werden behandeld. Zo ging hij
nooit kijken naar de jaarlijkse ossenkar-races, die werden
gehouden in de droge bedding van de Chitravati. En hij verbood ook
zijn vriendjes om erheen te gaan. De eigenaars van de ossen deden
er alles aan om maar te winnen: zij draaiden de staart van hun os
om, zij sloegen erop los met een zweep enzovoort. Ook
hanengevechten kwamen in het dorp veel voor en soms kwam er iemand
met een beer die hij tegen betaling liet dansen. Lijden
veroorzaken is altijd verkeerd. God is in alles aanwezig, dus hoe
kun je dan dieren kwellen? Meestal was er in dergelijke gevallen
sprake van onnadenkendheid en niet van kwaadwilligheid.
Maya, illusie, benevelde het denken. Ook in latere tijden
heeft Sai Baba devotees er vaak op moeten wijzen dat zij in hun
omgang met dieren moesten nadenken. Zo waren er een keer een
aantal devotees die met een ossenkar van de ashram terugkeerden
naar hun auto's die in Karnatanagapalli stonden. Om dit dorp te
bereiken moesten zij de rivierbedding oversteken en Baba liet hen
speciaal terugroepen om hen erop te wijzen dat zij bij het
bereiken van de zandbedding moesten uitstappen, omdat de kar
anders veel te zwaar zou zijn voor de ossen om te trekken. Geen
enkele van het gezelschap was uit zichzelf daarop gekomen.
Inmiddels had Sathya de lagere school afgemaakt. Zijn ouders waren
het erover eens dat hij beslist naar de middelbare school moest.
Maar er was in een straal van dertig kilometer rond Puttaparthi
geen middelbare school te vinden. Waar moest hij dan naartoe?
Enkele jaren eerder was Seshama getrouwd met een meisje uit
Kamalapur en in dit dorp was een goede middelbare school. Dat
resulteerde in het besluit van zijn vader en broer dat het voor
Sathya het beste was als hij met zijn broer zou meegaan naar
Kamalapur. Ver weg van zijn huidige omgeving zou Seshama er zeker
in slagen zijn broertje om te vormen tot een normale jongen.
Sathya's moeder was het met deze gang van zaken niet eens. Omdat
zijn eigen broer geloofde dat hij bezeten was door een boze geest,
zouden de mensen in Kamalapur Sathya zeker niet serieus nemen en
hem belachelijk maken. Gezien zijn hoge intelligentie vond
Easwaramma het ook niet juist de jongen verdere scholing te
onthouden en dus stemde zij met pijn in het hart in met het
besluit van haar man en haar oudste zoon.
Seshama's rijke schoonouders toonden zich bereid een arm
familielid van hun schoonzoon in huis op te nemen. Hij moest wel
wat karweitjes doen, zoals water halen en hout sprokkelen, maar
daartoe was Sathya gaarne bereid. Seshama zelf was niet zo vaak
aanwezig aangezien hij bezig was met een opleiding tot leraar. Op
grond van zijn prestaties werd Sathya toegelaten tot de derde klas
van de middelbare school. De studie leverde geen probleem op, maar
er waren wel andere problemen.
Zo had hij aanvankelijk maar één shirt en
één broek en die moest hij dus iedere dag dragen.
Hij maakte er een gewoonte van om zijn kleren 's avonds te wassen
en 's morgens te strijken, zodat hij toch iedere dag schone kleren
kon dragen. Gelukkig stuurde zijn moeder hem na korte tijd een
shirt, dat zij gemaakt had van een oude sari en ook later stuurde
zij zo nu en dan enige kleding.
Een ander probleem was zijn zakgeld. Hij had wel niet veel nodig,
maar soms moest hij toch wat spullen voor school kopen of moest
hij een broek of shirt laten herstellen. Van zijn vader had hij
bij zijn vertrek naar Kamalapur twee anna gekregen, maar die waren
al snel op. Sathya besloot daarom zijn eigen zakgeld te gaan
verdienen. Op een dag ontmoette hij een plaatselijke winkelier,
Kote Subbanna genaamd, die vertelde dat hij wat meer zou willen
doen aan reclame. Sathya bood aan tegen een kleine vergoeding
versjes te maken met daarbij een pakkend wijsje op willekeurig
welk huishoudelijk product. De winkelier accepteerde dit aanbod en
zo maakte Sathya als proef een versje op Bala Bhaskara, een
wondermiddel tegen alle kwalen. Subbanna stuurde enige kinderen -
met wat zakgeld in het vooruitzicht - de straat op met borden met
daarop de naam van dit nieuwe product. Zij liepen in optocht door
het dorp en zongen daarbij in koor het versje. De verkoop steeg
aanzienlijk en vanaf die tijd maakte Sathya vaker versjes voor
hem. Wanneer hij dan van huis naar school liep en langs Subbanna's
winkel kwam, snelde deze naar buiten en vertelde de jongen om welk
product het ging. Op de terugweg van school naar huis leverde hij
meestal zijn lied al weer bij hem in. Toen andere winkeliers het
succes van de versjes zagen, begonnen zij ook naar Sathya toe te
komen voor versjes in de hoop op deze manier van hun moeilijk
verkoopbare artikelen af te komen.
Aangezien hij tamelijk goed was in sport, kon Sathya erg goed
opschieten met de gymnastiekleraar. Toen deze op school een
afdeling van de padvinders oprichtte, vroeg hij ook aan Sathya om
- net als de meeste van diens klasgenoten en vrienden - padvinder
te worden. Zonder hem te hoeven uitleggen dat hij daar geen geld
voor had, slaagde Sathya er aanvankelijk in dit beleefd te
weigeren. Maar enige tijd later gaf hij op aandringen van zijn
klasgenoten toch toe en werd lid van de padvinders. Toen er kort
daarop in het bijna vijftien kilometer verderop gelegen dorp
Pushpagiri een jaarmarkt werd gehouden, besloot de leraar-hopman
een kamp te organiseren om de mensen daar te helpen. Er zou genoeg
te doen zijn voor de jongens. Er zou drinkwater moeten worden
gehaald voor de enorme menigte die er werd verwacht, er zouden
zoekgeraakte kinderen moeten worden opgespoord en er zou een
eerste-hulp-post moeten worden ingericht.
'Raju, alle padvinders gaan naar Pushpagiri. Je gaat toch ook
mee?', 'Wij kunnen niet zonder jou!' en 'Als jij niet meegaat,
Raju, dan gaan wij ook niet,' riepen al zijn klasgenoten en
vrienden.
'Goed, ik zal meegaan,' antwoordde Sathya en een luid gejuich
weerklonk.
Het zou een mooie gelegenheid zijn om hun een voorbeeld te geven
van waarachtige seva (onbaatzuchtige dienstverlening) en
die mocht Sathya niet voorbij laten gaan. Misschien klinkt het wat
vreemd dat de kinderen hun schoolkameraadje 'Raju' noemden en niet
'Sathya', maar dat was een gebruikelijke familiaire aanspreekvorm
in die tijd.
Toen Sathya die dag de klas had verlaten, zei zijn vriendje
Sudhir, die aan de rechterkant in de schoolbank naast hem zat,
tegen zijn andere vriendje Ramesh, die aan zijn linkerkant zat:
'Ramesh, je weet toch wel dat het de bedoeling is dat wij tijdens
dat kamp allemaal een padvindersuniform dragen om makkelijk
herkenbaar te zijn? Raju heeft geen uniform en volgens mij heeft
hij ook geen geld om er een te kopen.' Ramesh antwoordde: 'Nee,
hij heeft inderdaad nog geen uniform. Dat zei hij mij vanmorgen
nog. Misschien moeten wij het voorleggen aan de hopman.' 'Ik denk
niet, dat Raju dat prettig vindt. Weet jij geen oplossing?' 'Ik
zal aan mijn vader vragen om twee uniformen voor mij te laten
maken. Mijn ouders hebben toch geld genoeg. En dan geef ik er
één aan Raju.' Toen Sathya op een ochtend de klas
binnenkwam, lag het uniform op zijn bank met daarbij een briefje
van Ramesh waarin hij hem vroeg dit geschenk te aanvaarden.
Hoe goed bedoeld dit ook was, het zou in strijd met dharma
(juist gedrag) zijn geweest als Sathya dit had geaccepteerd.
Hij schreef het volgende briefje aan Ramesh en legde dat met het
uniform op diens plaats:
'Als je wilt dat wij vrienden blijven, moet je je niet
bezighouden met dit spel van schenken en aanvaarden van
stoffelijke zaken. Wanneer een behoeftige iets aanvaardt van een
ander, maakt hij zich diep vanbinnen bezorgd over de vraag hoe hij
de gunst kan terugbetalen, terwijl trots op zijn daad van
liefdadigheid de geest van de schenker bezoedelt. Ware vriendschap
moet van hart tot hart zijn. Wanneer wij vriendschap grondvesten
op basis van geven-en-nemen, voelt de ontvanger zich klein en
voelt de gever zich trots. Een dergelijke vriendschap zal niet
standhouden. Daarom zal ik de kleren die jij op mijn bank hebt
neergelegd, niet aanvaarden. Ik geef ze je met dit briefje
terug. '
De volgende dag zei Ramesh tegen Sathya: 'Waarom aanvaard je het
uniform toch niet? Je kunt het mij dan teruggeven zodra je geen
lid meer bent van de padvinders.'
Maar ook dat weigerde hij. 'Ik heb geen hulp nodig en ik zoek
die ook niet,' antwoordde hij. 'Ik zoek alleen de mogelijkheid om
te helpen en om anderen te laten zien hoe zij het beste kunnen
helpen. Bovendien heeft jouw vader die uniformen voor jou laten
maken. Ze waren niet bedoeld voor mij. Ik ben waarheid, zoals mijn
naam aangeeft. Wanneer ik het draag in plaats van jij, zal ik de
waarheid geweld aandoen.'
Sathya zou dus meegaan, zij het zonder uniform, maar hij had niet
de benodigde twaalf roepie voor de reis- en verblijfkosten. Daarom
zei hij tegen de hopman dat zijn familie ook naar de jaarmarkt zou
gaan en voor hem zou zorgen. Dan hoefde hij niet met de bus mee en
hoefde hij ook niet mee te eten in de kantine. Dat zou een stuk
goedkoper zijn. Sprak hij nu onwaarheid? Nee, want zijn niet alle
mensen zijn familie!
Omdat hij toch wel wat geld nodig had, verkocht hij de dag
vóór het vertrek zijn oude, maar nooit gebruikte
schoolboeken aan een andere arme leerling. Deze had niet meer dan
vijf roepie, opgespaard in de vorm van losse koperen muntjes.
Sathya was daar tevreden mee en nam het geld mee naar huis. Hij
wilde de muntjes ergens in doen, maar dat ging mis, en alles rolde
over de vloer. De schoonmoeder van Seshama kwam op dit geluid af,
zag het geld en meende dat hij het gestolen had. Hoe kon hij
immers anders aan zoveel geld komen? Zij weigerde naar zijn uitleg
te luisteren, nam hem het geld af en gaf hem een paar stevige
tikken.
Sathya besloot nu om niet tot de volgende ochtend te wachten, maar
om direct te vertrekken. Het was die dag erg heet en toen hij 's
avonds - na een tocht van vijftien kilometer - in Pushpagiri
aankwam, had hij erge dorst. Nu was het in die tijd erg moeilijk
om aan drinkwater te komen. Er was wel een grote bak waarin de
boeren hun vee wasten, maar dat water was erg vies. Niettemin
dronk hij er iets van. Bij deze bak vond hij een pakje sigaretten
en een anna. Hij vroeg aan de mensen in de omgeving van wie die
zaken waren, maar toen niemand ze opeiste, nam hij de sigaretten
en het muntje mee. De sigaretten brak hij in stukjes die hij
vervolgens onder het zand stopte. Niet ver daarvandaan zat een man
met een gokspelletje. Sathya zette zijn anna in en won er elf bij.
Omdat het een arme man was, liet hij het daarbij. Dit zou
overigens de enige keer in zijn leven zijn dat hij had gewed! De
padvinders zouden ruim een week in Pushpagiri blijven en dus
verdeelde Sathya zijn geld zó, dat hij iedere dag iets te
eten zou hebben. Nadat hij enkele dosa's (een soort
pannenkoeken) gegeten had, ging hij - net als vele anderen - naar
de rivieroever om te slapen. Uit veiligheidsoverwegingen knoopte
hij zijn resterende geld in een lap, stopte die onder het zand en
gebruikte dat bergje zand als kussen. Omdat hij erg moe was van de
lange tocht, sliep hij die nacht heel diep. Kennelijk had iemand
gezien waar hij zijn geld verborg, want toen hij de volgende
morgen wakker werd, was het verdwenen. Hij maakte zich echter
helemaal geen zorgen en begon enthousiast met de taken die de
hopman hem opdroeg. Deze wist immers niet, dat Sathya niets te
eten had en dus ontzag hij hem niet bij het verdelen van het werk.
Ramesh merkte evenwel dat zijn vriendje geen geld had en bracht
hem iedere dag iets te eten zonder dat de anderen het merkten. Na
afloop van de jaarmarkt gingen de andere jongens terug met de bus
en Sathya liep weer terug naar Kamalapur. Maar eerst leende hij
een anna van Ramesh om kumkum en prasad te kunnen kopen als
souvenir voor Seshama's vrouw. Hiermee kon hij haar zijn respect
tonen.
Toen hij thuiskwam, bleek zijn broer erg boos te zijn. Sathya had
zijn plicht verzuimd aangezien hij ruim een week lang geen water
voor het gezin had gehaald. Seshama gaf hem een flink aantal
tikken op zijn handen met een houten liniaal, zoals hij wel vaker
deed wanneer hij van mening was dat zijn broertje verkeerd had
gehandeld.
Enkele dagen later werd het gezin van Seshama in diepe rouw
gedompeld door de dood van hun oudste zoon. Seshama stuurde zijn
ouders een telegram en daarop kwam zijn vader direct naar
Kamalapur om zijn zoon en diens gezin bij te staan. Toen Venkapa
zag dat Sathya's handen in het verband zaten, vroeg hij wat er was
gebeurd, maar Sathya slaagde erin om de zaak te bagatelliseren.
Hij wilde geen lelijke dingen zeggen over anderen. Later die dag
hoorde Venkapa van de buren dat Sathya vaak werd geslagen en
daarom probeerde hij hem over te halen om met hem mee terug te
gaan naar Puttaparthi. Dat weigerde Sathya omdat dat aanleiding
zou geven tot praatjes en hij zag het als zijn plicht de eer van
de familie hoog te houden.
Slechts hoogst zelden ging Sathya dan ook in tegen de woorden van
een van zijn familieleden. In het volgende geval deed hij dat
wèl.
Er was een schommelstoel in huis en op een avond zat Sathya daar
juist even in toen de zwager van zijn broer binnenkwam. Deze werd
onmiddellijk erg boos en schreeuwde: 'Wie heeft jou toestemming
gegeven om in die kostbare stoel te gaan zitten schommelen als een
maharaja! Ga eruit en maak dat je wegkomt.'
Sathya antwoordde rustig: 'De dag zal komen dat ik een maharaja
zal zijn, zittend op een zilveren stoel. Je zult die dag
beleven.' Deze woorden maakten hem weliswaar nog bozer, maar
hij was toch zo verstandig er verder het zwijgen toe te doen.
Zeven jaar later kreeg Sai Baba een zilveren stoel cadeau van de
rani (koningin) van Chincholi, aangezien zij het niet
langer kon aanzien dat hij op een houten stoel moest zitten.
Ofschoon niemand de reden daarvan begreep, gaf Baba geen
toestemming om de stoel uit te pakken. Dat moment kwam pas op de
dag van zijn verjaardag. Op die dag kwam namelijk de zwager van
zijn broer naar Puttaparthi en aan hem vroeg Baba om de stoel uit
te pakken en op de verhoging in de tempel neer te zetten. Toen de
zilveren stoel tevoorschijn kwam, liepen de tranen hem over de
wangen en hij vroeg Baba om vergeving voor zijn woorden van
weleer.
Toen Seshama zijn opleiding tot leraar had voltooid, werd hij al
snel benoemd tot leraar Telugu aan de middelbare school van
Uravakonda, gelegen op meer dan honderd kilometer van Puttaparthi.
Hij besloot met zijn vrouw en kinderen daarheen te verhuizen en
zijn broertje mee te nemen. Zij zouden daar beiden naar de
middelbare school gaan: Seshama als leraar en Sathya als
leerling.
Iedere morgen kwamen alle leraren en leerlingen vóór
de lessen begonnen bijeen om te bidden en al spoedig werd Sathya
gevraagd om deze bijeenkomsten te leiden. Door middel van zijn
woorden en gebeden probeerde hij zowel leraren als leerlingen te
inspireren om zich die dag volledig te wijden aan hun taken.
Via familie en kennissen in andere dorpen hadden veel inwoners van
Uravakonda reeds vernomen dat Sathya in staat was verloren
voorwerpen terug te vinden. En net als in de plaatsen waar hij
eerder had gewoond, kwamen er hier al spoedig mensen naar hem toe
die iets waardevols kwijt waren. Wanneer zijn schoolkameraadjes
iets kwijt waren, hielp hij hen op weg door een hint in de goede
richting te geven. Had iemand iets van hen gestolen, dan noemde
hij bijvoorbeeld alleen de initialen van de dader. Zij moesten dan
verder maar zelf zien hoe zij het betreffende voorwerp
terugkregen.
Op een keer was een van de leraren een kostbare pen kwijt en hij
vroeg Sathya herhaalde malen nadrukkelijk: 'Raju, jij weet beslist
wie mijn kostbare pen heeft meegenomen zonder mijn toestemming.
Vertel mij wie het is!' Tenslotte gaf Sathya toe en zei: 'De
bediende 'x' heeft hem gestolen.'
'Nee, dat is onmogelijk. Die is juist buitengewoon betrouwbaar en
eerlijk.' Omdat Sathya volhield dat hij de dader was, doorzocht de
leraar de kamer van de betreffende bediende toen deze weg was. Dit
leverde niets op en enigszins verontwaardigd sprak hij zijn
leerling hierover aan.
'U heeft niets in zijn kamer gevonden,' antwoordde deze, 'omdat
hij de pen naar zijn zoon heeft gestuurd. Ik zal het u bewijzen.'
Nu stuurde de bediende geregeld een brief naar zijn zoon, die in
Anantapur studeerde en die liet hij schrijven door een
briefschrijver uit het dorp. Hij was namelijk zelf analfabeet.
Sathya liet nu een brief schrijven zogenaamd uit naam van deze
bediende en in die brief vroeg 'de vader' ook of de pen die hij
hem, zijn zoon, gestuurd had, beviel. En hij adviseerde hem om
zuinig te zijn op deze pen aangezien hij erg duur was geweest en
gemakkelijk gestolen zou kunnen worden. Voor antwoord sloot Sathya
een reeds geadresseerde kaart bij.
Vier dagen later ontving de leraar het antwoord. De zoon liet
weten dat de pen geweldig schreef en dat hij er erg zuinig op was,
gezien de hoge prijs en het feit dat het een geschenk was van een
liefhebbende vader.
Dit is maar een van de vele voorbeelden waarmee Sathya bewees dat
hij over bijzondere krachten beschikte.
Een ander voorbeeld betreft de moslim die zijn paard kwijt was.
Het lijkt een beetje op een gebeurtenis die plaatsvond tijdens
zijn leven als Shirdi Sai Baba. Deze man had een jutka en
met deze paard-en-wagen vervoerde hij mensen en goederen. Hiermee
verdiende hij zo'n twee roepie per dag, net voldoende om van te
leven. Op een dag was zijn paard verdwenen, weggelopen of
gestolen, dat wist hij niet. Hij doorzocht heel Uravakonda en
vervolgens kamde hij samen met enkele vrienden de hele omgeving
uit. Tevergeefs. Tenslotte vertelde iemand hem over Sathya's gaven
en hij ging diep wanhopig naar hem toe. Onmiddellijk adviseerde
Sathya hem om naar een bepaalde plek, ruim twee kilometer buiten
de stad, te gaan en toen hij dat deed, vond hij daar zijn paard.
Het stond rustig te grazen, zich van geen kwaad bewust.
Deze gebeurtenis vergrootte Sathya's bekendheid in de
moslimgemeenschap van het dorp en vanaf die tijd kreeg hij
geregeld een lift van of naar school van een passerende jutka.
Op een avond kwam een groepje vrouwen uit een nabijgelegen dorp
naar Uravakonda om een film te zien. Zij zaten dicht opeen gepakt
in een ossenkar en een van de vrouwen maakte van de opkomende
duisternis gebruik om een gouden haarspeld uit het haar van de
vrouw naast haar te halen. Toen zij uit de kar stapte, merkte de
betreffende vrouw dat haar speld verdwenen was en riep
vertwijfeld: 'Mijn gouden speld is weg!'
'Misschien is hij onderweg losgeraakt en op straat gevallen,'
meende de een.
'Weet je zeker dat je hem hebt ingedaan?' vroeg een ander.
Niemand wist de oplossing, waarop de voerman zei: 'Er woont hier
een wonderjongen. Die zouden wij kunnen raadplegen. Hij is de
broer van de leraar Telugu.' Zij begaven zich naar het huis van
Seshama en zodra zij binnenkwamen, zei Sathya: 'Janakamma! Geef
het sieraad terug!' Geschrokken deed Janakamma direct wat hij
haar zei en vervolgens bleef zij met gebogen hoofd wachten op wat
er nu zou gebeuren.
'Ga nu!' zei Sathya tegen de anderen in het algemeen en
tegen de bestolen vrouw in het bijzonder. 'En neem haar ook mee
naar de film. Berouw is voldoende straf. Vergeet deze misstap. Het
was jouw fout om deze zwakke vrouw in verleiding te brengen. Ik
weet zeker dat zij zoiets niet nog eens zal doen, want zij is door
mij gezegend. '
Een van Seshama's buren in
Uravakonda was Sri Thammiraju, die net als Seshama les gaf aan de
middelbare school. Hij was erg op Sathya gesteld en hij sprak veel
met hem over spirituele zaken. Op deze manier had Sathya de
gelegenheid Thammiraju's twijfels op dit gebied weg te nemen. Zijn
collega's vernamen dit van hem en op een keer kwamen zij met een
flink aantal naar Sathya toe met het verzoek hun vragen eveneens
te beantwoorden. Sathya vroeg hun hun vragen allemaal tegelijk te
stellen en dat deden zij. Het was een lawaai van jewelste, waarin
geen enkele vraag te verstaan was. Vervolgens gaf hij iedere
leraar apart naar volle tevredenheid antwoord op zijn speciale
vragen.
Thammiraju's echtgenote Kamesvaramma was zeer devotioneel en zij
was zich er toen reeds van bewust dat Sathya goddelijk was. Zij
was een zeer eenvoudige vrouw die vrijwel nooit buiten haar eigen
dorp kwam. Juist die eenvoud gaf haar de kans zijn ware aard te
herkennen. Haar geest werd niet afgeleid door allerlei wereldse
zaken, hoewel de dood van haar dochter haar een tijdlang sterk
terneerdrukte. Sathya kwam geregeld bij haar en soms nam hij de
kinderen van zijn broer mee. Kamesvaramma kon namelijk prachtig
vertellen en de kinderen luisterden graag naar haar verhalen over
Rama, Krishna en andere goden.
Toen Sathya op een keer naar Puttaparthi was, stuurde hij een
grote hommel naar haar toe met tussen zijn poten een rol papier.
Hij vl00g door een raam naar binnen en liet de rol voor haar op de
grond vallen. Toen zij hem uitrolde, zag zij dat het een foto was
van Sai Baba van Shirdi. Vanaf dat moment vereerde zij deze foto
iedere donderdag. Toen zij een paar dagen later bezig was haar
sari te drogen op het balkon van haar huis, liet een aapje een
linnen tas voor haar voeten vallen en ging er toen weer snel
vandoor. Zij opende de tas en vond daarin een laddu
(snoepgoed in de vorm van een balletje) als prasad en een brief
van Sathya, waarin deze schreef: 'Onlangs heb ik je via een
hommel mijn portret gestuurd. Ik ben blij dat je het oprecht
vereert. Vandaag stuur ik je hierbij prasad. ' Eens heeft hij
haar op de muur van het huis afbeeldingen getoond van de tien
algemeen bekende Avatars (goddelijke belichamingen). Toen
Narasimha, de Avatar die half mens en half leeuw is, brulde,
schrok zij zo, dat zij op datzelfde moment stokdoof werd! Doofheid
is voor de meeste mensen een handicap, maar Sathya schonk haar
deze doofheid als een gunst. Haar echtgenoot schreeuwde namelijk
altijd tegen haar en vanaf dat moment hoefde zij zich niets meer
van dat geschreeuw aan te trekken zonder dat zij haar man daarmee
beledigde. Bovendien kon zij haar geest nu nog veel gemakkelijker
op God richten. Een handicap als genade. Het klinkt vreemd, maar
dat is het dus niet altijd. Zo zou er eens een dove naar Sai Baba
toekomen met het verzoek hem te genezen. Baba liet hem weten:
'Je oren zijn je goeroe. Zij hebben jou bij mij gebracht. Wees
nu dankbaar dat tenminste een bron van gehechtheid door de
Voorzienigheid buiten bedrijf is gesteld. '
En ergens in de zeventiger jaren zou een blinde Baba vragen om hem
te genezen. Ook in zijn geval heeft Baba dat niet gedaan, want hij
wist dat deze man zichzelf zonder meer te gronde zou richten
wanneer hij hem zijn gezichtsvermogen zou teruggegeven. Sai Baba
is liefde, en uit liefde heeft hij deze mensen niet genezen!
Gedurende zijn verblijf in Kamalapur en Uravakonda kwam Sathya
alleen in de vakanties naar huis, dat wil zeggen naar Puttaparthi.
Zijn ouders hoorden wel verhalen over de wonderen en genezingen
die hij daar verrichtte. Dit gaf zijn moeder kracht, maar deed
zijn vader verdriet.
Tijdens zijn bezoeken aan Puttaparthi gaf zijn moeder hem soms een
versterkend oliebad. Zij smeerde Sathya dan helemaal in met olie
en masseerde zijn spieren, waarna zij hem met heet water en zeep
weer afspoelde. Het viel haar daarbij op, dat hij altijd over zijn
hele lichaam striemen had, waaruit bleek dat hij geregeld met een
rietje geslagen werd. Zij kende de hardhandige opvoedingsmethode
van Seshama, maar omdat Sathya er niet over wilde praten, zweeg
zij er ook over. Op een keer ontdekte zij op zijn schouders een
strook van donker eelt. Het viel haar op, dat hij niet klaagde
over pijn wanneer zij erop drukte, maar toch wilde zij graag weten
hoe hij aan die eeltlagen kwam. Aanvankelijk wilde hij het haar
niet zeggen, maar toen zij aandrong, zei hij: 'Misschien komt het
doordat ik vaak een juk draag met daaraan twee potten water. Weet
u, er is in Uravakonda maar één bron met drinkbaar
water. Het water in alle andere bronnen is brak. En juist die ene
goede bron is bijna een kilometer ver van het huis van Seshama
vandaan. Ik ga meestal 's morgens driemaal en 's avonds driemaal
naar die bron.' 'Maar Sathya,' zei zijn moeder, 'zoveel water
heeft Seshama's familie toch iedere dag niet nodig?' 'Nee,
moeder,' antwoordde hij, 'maar er zijn nog twee buren die allebei
al oud zijn en niet meer zelf helemaal naar die bron kunnen lopen.
Dus haal ik ook voor hen water.' Bezorgd zei zijn moeder: 'Je moet
daar niet blijven. Zij maken misbruik van je goedheid en je
verlangen om te helpen. Waarom moeten zij van jou afhankelijk zijn
voor water?' 'lk zie het als mijn plicht, amma (moeder).
Hoelang zouden de kinderen het overleven als zij slechts brak
water te drinken kregen? lk draag het levenswater met plezier over
die afstand. lk ben gekomen om dienstbaar te zijn. ' Hier kon
zijn moeder weinig tegenin brengen en dus zweeg zij verder.
In de vakanties speelde Sathya nog altijd in de toneelstukken die
in Puttaparthi en de omliggende dorpen werden opgevoerd en een
enkele keer speelde hij zelfs in een stuk dat werd opgevoerd in
een grote stad. Zo was er het stuk dat werd opgevoerd in
Kothacheruvu ter gelegenheid van een belangrijke feestdag. Sathya
speelde de held. Op een gegeven moment dreigde deze gestraft te
worden voor een misdaad die hij niet had begaan. Het publiek zat
vol spanning te kijken en hier en daar werd er iets geroepen.
Easwaramma leefde zich echter zo in het stuk in, dat zij opsprong,
het toneel opstormde en tot grote hilariteit van het overige
publiek riep: 'Hij is onschuldig! Hij heeft het niet gedaan!'
De reeds eerder genoemde Thammiraju, de leraar die zich onder meer
bezighield met toneel en die wel wist dat Sathya toneelspeelde en
liederen schreef, vroeg hem op een keer of hij een toneelstukje
zou willen schrijven voor een schoolfeest. Sathya was toen net
dertien jaar en zat pas korte tijd op de middelbare school in
Uravakonda.
Hij voldeed graag aan dit verzoek en schreef het stuk Voegt men
de daad bij het woord? Tijdens de opvoering ervan speelde hij
zelf de rol van Krishna. Later heeft hij nog vele andere stukken
geschreven, maar dit is het eerste door hem geschreven
toneelstuk.
Voegt men de daad bij het woord?
Scène I
(Een keurig geklede dame,
Krishna's moeder, leest voor uit een boek en legt de tekst
vervolgens uit aan een groep vrouwen.)
Moeder: Kijk, het is de plicht van alle huisvrouwen om
alleen aalmoezen te geven aan hen die dat verdienen en aan degenen
die niet in staat zijn zelf in hun levensonderhoud te voorzien, en
niet aan hen die rijk zijn en niets uitvoeren.
(De toespraak is afgelopen en de vrouwen gaan weg. De moeder
blijft achter met haar zoon, Krishna, die scherp heeft opgelet. Er
komt een blinde bedelaar binnen, die de moeder om aandacht en hulp
vraagt. De reactie van de moeder is verre van
menslievend.)
Moeder: Eruit! Verlaat mijn huis, zwerver, en ga ergens
anders bedelen.
(Er komt een welvarend uitziende Brahmin (priester) binnen met
een koperen bedelnap voor graan en een rijk versierde tambura (een
snaarinstrument). De moeder begroet de priester hartelijk.
)
Moeder: Welkom, heer; welkom, eerbiedwaardige priester. Hoe
gaat het op deze prachtige ochtend met uw gezondheid? Aanvaard
alstublieft mijn nederige gastvrijheid. Neem alstublieft wat rijst
en wat geld.
(De moeder valt aan de voeten van de priester.)
Moeder: Wilt u mij alstublieft zegenen? Zegen mij,
eerbiedwaardige priester, zegen mij.
(Krishna kijkt minachtend naar zijn moeder en de priester. De
priester vertrekt.)
Krishna: Moeder, ik begrijp het niet. Vijf minuten geleden
zei u dat de zwakken en armen aalmoezen moeten krijgen, en de
sterken en rijken juist niet. Maar nu stuurt u een bedelaar weg en
u beloont een priester, voor wie goed wordt gezorgd.
Moeder: Ik voel mij gekwetst door jouw onbeschaamdheid.
Denk je nu werkelijk dat mensen kunnen en moeten handelen in
overeenstemming met wat zij zeggen? Ga naar je vader toe.
(De moeder trekt Krishna een kamertje in waar zijn vader, een
boekhouder, druk bezig is met zijn dossiers. De vader geeft zijn
zoon advies.)
Vader: Krishna, je vorming is belangrijk. Je moet hard
studeren en alle lessen volgen om over te gaan.
(De toespraak van de vader wordt onderbroken door het opengaan
van de deur. Er komt een schooljongen binnen, die naar Krishna's
vader kijkt. )
Jongen: Alstublieft, mijnheer, ik kan mijn schoolgeld niet
betalen. Ik heb maar één roepie nodig. Als ik niet
betaal, zal ik van de leerlingenlijst worden geschrapt en dan zal
ik de aantekening van aanwezigheid niet krijgen die ik nodig heb
om over te gaan.
(De vader laat de schooljongen een lege portemonnee
zien.)
Vader: Zie je wel? Ik heb geen geld. Ik kan je niets
geven.
(De jongen vertrekt en er komen enkele boekhouders van de firma
van de vader binnen. Een van hen steekt hem een intekenlijst
toe.)
Boekhouder: Mijnheer,
mijnheer. Hier is de intekenlijst voor een welkomstdiner. Het is
voor de functionaris die binnen enkele dagen de zorg voor het
kantoor op zich zal nemen. Wilt u ook wat geld geven?
Vader: Maar natuurlijk. Hier heb je twintig roepie. We
moeten het aangenaam maken voor de nieuweling. Alles moet naar
tevredenheid worden geregeld.
(De vader haalt twintig roepie uit een la. De boekhouders
vertrekken. Krishna kijkt afkeurend.)
Krishna: Vader, u hebt gelogen tegen de schooljongen en u
hebt gelogen tegen mij. U zei tegen hem dat u geen geld had
terwijl u meer dan genoeg had. U zei tegen mij dat het belangrijk
was om alle lessen bij te wonen. Als dat zo is, waarom gaf u de
jongen dan niet alleen die ene roepie die hij nodig had?
Vader: Houd je mond, jongen. Wat weet jij er nu van? Je zou
er verstandig aan doen om geen oordeel over mij uit te spreken. Je
bent nog jong en begrijpt het niet. Moet men de daad bij het woord
voegen? Ga nu zonder dralen naar school.
Scène II
(Het toneel verplaatst zich naar school. Krishna komt binnen en
ziet daar de leraar die opgewonden tegen zijn leerlingen praat
over het bezoek van de onderwijsinspecteur de volgende
dag.)
Leraar: Leerlingen, morgen komt de onderwijsinspecteur bij
ons op bezoek. Jullie moeten pienter en schoon zijn en jullie
moeten je keurig gedragen. Ik duld van niemand van jullie gekheid.
Doe je uiterste best en lach vriendelijk wanneer je hem tegenkomt.
Dan is er nog iets en dat is zeer belangrijk. Hij zal jullie
misschien vele vragen stellen, maar er is er één
waarover ik mij vooral zorgen maak. Stel dat hij vraagt: 'Hoeveel
lessen hebben jullie al gemaakt?' Noem dan niet het werkelijke
aantal, 23. Zeg 32, want ik zal jullie les 33 geven, die gaat over
de koning die nooit loog. Laten wij dan nu deze les oefenen zodat
jullie morgen in staat zullen zijn mij dezelfde, juiste antwoorden
te geven. Laat geen van jullie het lef hebben om zelfs maar te
fluisteren dat deze les reeds geleerd is.
Krishna: Mijnheer, u vertelt ons over een koning die nooit
loog en toch raadt u ons aan te liegen tegen de inspecteur. Waarom
slaat u geen acht op uw eigen leringen? Waarom neemt u geen
notitie van het voorbeeld van de waarheidsgetrouwe koning?
Leraar: Jongen, jongen, jij moet nog veel leren. Wil je
zeggen dat de raadgever de raad moet opvolgen Je zult wel wijzer
worden naarmate je ouder wordt.
(Krishna gaat stilletjes weg, in zichzelf mompelend.)
Krishna: Huichelarij, overal huichelarij.
Scène III
(Het huis van Krishna. Het is tijd om naar school te gaan,
maar Krishna is in zijn kamer. Zijn moeder roept hem.)
Moeder: Krishna! Je komt te laat op school. Je moet nu
vertrekken.
(Krishna kijkt zijn moeder uitdagend aan en weigert om naar
school te gaan. Hij gooit zijn boeken neer.)
Krishna: Ik ga niet. Ik ga niet studeren. School is
tijdverspilling. Overal, zelfs op school, zijn huichelaars.
(De moeder en vader zijn ontzet. De vader roept tegen een
jongen die langsloopt:)
Vader: Haal de leraar, jongen, snel! Haast je!
(De leraar komt gehaast aanlopen.)
Krishna: Jullie zijn allen schuldig aan huichelarij. Jullie
zeggen en onderwijzen dingen, jullie schrijven en leggen dingen
uit, maar wanneer de tijd gekomen is om in overeenstemming ermee
te handelen, doen jullie het tegenovergestelde. Als dit het gevolg
is van studeren, dan weiger ik om onderwezen te worden.
(De drie volwassenen kijken elkaar aan en knikken bevestigend.
)
Vader: Jij hebt onze ogen geopend, Krishna. Vanaf heden
zullen wij de waarheid spreken en zullen wij de daad bij het woord
voegen.
EINDE
5. Ik ben Sai Baba
Een belangrijke dag in Sathya's leven brak aan: 8 maart 1940.
's Avonds om ongeveer zeven uur liep hij met een aantal vriendjes
door Uravakonda toen hij pl0tseling met een luide gil opsprong,
terwijl hij de grote teen van zijn rechtervoet vastgreep. Omdat er
in Uravakonda veel zwarte schorpioenen zaten, dachten zijn
vriendjes dat hij door een van die beesten gestoken was, ook al
was er nergens een te zien. Zij keken eerst nog wat rond, maar
toen Sathya kennelijk bewusteloos raakte, tilden zij hem op en
droegen hem naar huis.
Seshama en zijn vrouw waren zeer bezorgd toen zij hoorden wat er
was gebeurd, want een dergelijke steek is doorgaans dodelijk.
Sathya kwam echter al spoedig weer bij en leek volkomen in orde.
Die nacht sliep hij goed en ook de volgende dag leek hij geen pijn
te hebben. Iedereen haalde reeds opgelucht adem totdat hij 's
avonds precies om zeven uur wederom bewusteloos raakte. Zijn broer
veronderstelde dat het 24 uur had geduurd voor het gif van de
schorpioen zijn hart had bereikt. Hij aarzelde niet langer en
haalde er verscheidene deskundigen bij zoals een arts, een
priester en een astroloog. Zij deden allen hun uiterste best, maar
de jongen bleef bewusteloos en zijn lichaam werd stijf. Iemand
veronderstelde dat een boze geest bezit van hem had genomen en dat
het goed zou zijn Muthyalamma, de moedergodin van het dorp,
gunstig te stemmen. En dus gingen enkele vrienden en buren naar de
tempel om puja te doen. Zij legden bloemen neer, brandden wierook
en braken een kokosnoot. Om de aanwezigen te bewijzen dat hij niet
bewusteloos was, zei Sathya op het moment dat de noot in de tempel
gebroken werd: 'De kokosnoot is in drie stukken gebroken.'
Toen de tempelgangers even later met de offergaven weer thuis
kwamen, bleken zij drie stukken kokosnoot bij zich te hebben in
plaats van de gebruikelijke twee. Toen er na meer dan een dag nog
steeds geen enkele verbetering was, vreesde de familie het ergste
en Seshama besloot een boodschapper met een brief naar zijn vader
te sturen. De boodschapper was nog maar nauwelijks vertrokken toen
Sathya weer bij kennis kwam. Ondanks aandringen van zijn broer
weigerde hij eten en drinken. Slechts zijn lichaam was in het huis
van Seshama; zijn geest was elders. Seshama stuurde onmiddellijk
een tweede brief naar zijn vader, waarin hij vertelde dat deze
zich niet al teveel zorgen hoefde te maken, ook al was de conditie
van Sathya nog slecht.
Toen Pedda Venkapa de beide brieven kort na elkaar ontving en aan
zijn echtgenote de inhoud ervan vertelde, besloten zij direct te
vertrekken naar Uravakonda, ook al hadden zij niet voldoende
reisgeld en moesten zij dat lenen van een kennis. Onderweg bad
Easwaramma de hele tijd voor Sathya's welzijn. Door allerlei
omstandigheden en vaak onverklaarbare vertragingen duurde hun reis
veel langer dan normaal en Seshama begon zich steeds meer zorgen
te maken. Hij zocht en vond iemand die bereid was om naar
Puttaparthi te gaan om te informeren waarom zijn ouders niet naar
Uravakonda kwamen. Terwijl hij de man aan het uitleggen was hoe
hij bij het huis van zijn ouders moest komen, onderbrak Sathya hem
met de woorden: 'Je hoeft niemand meer naar hen toe te sturen.
Zij zullen over een half uur hier zijn.' Precies dertig minuten
laten arriveerden zij.
Vanaf dat moment zaten zijn vader, zijn moeder en zijn broer
vrijwel onafgebroken rond Sathya's bed in de hoop dat hij iets
tegen hen zou zeggen of iets zou willen eten of drinken. Sathya
sprak echter met onzichtbare wezens, zong bhajans, beschreef
bedevaartsoorden die niemand kende, citeerde lange passages in het
Sanskriet en verklaarde ingewikkelde religieuze
leerstellingen.
Dit alles was weer een stap verder op de weg naar zijn definitieve
bekendmaking. Toen Sathya met een gil opsprong en naar de grote
teen van zijn rechtervoet greep, was dat een teken dat hij in
trance ging om iemand te helpen die in nood verkeerde en God om
hulp riep. Ook in de eerste jaren hierna heeft hij vaak van deze
methode, het in trance gaan, gebruik gemaakt, ofschoon hij
helemaal niet uit zijn lichaam hoefde te treden om iemand te
kunnen helpen. Er was absoluut geen sprake van een
schorpioenensteek en de priester had iets kunnen vermoeden. Hij
wist namelijk dat yogi's hun astrale lichaam via de grote teen van
de rechtervoet uitzenden wanneer zij iemand te hulp willen komen.
Het enige probleem was dat hij in Sathya geen yogi of iets
dergelijks kon zien.
Op een dag beval Sathya zijn vader opeens: 'Ga de buurman, de
pundit (schriftgeleerde) Narayana Sastry, voor mij halen. Hij
leest de Bhagavatam helemaal verkeerd. Hij legt de tekst verkeerd
uit. Breng hem onmiddellijk hier.'
De buurman weigerde om te komen en zei tegen Sathya's vader: 'Wat
weet dat joch van deze Sanskriet tekst en van de juistheid of
onjuistheid van de betekenis die ik zopas aan deze mensen heb
uitgelegd? Hoe heeft hij het trouwens kunnen horen; hij ligt in
het huis hiemaast in bed! Zeg hem maar dat hij zich met zijn eigen
zaken moet bemoeien.'
Nadat zijn vader hem het antwoord van de pundit had medegedeeld,
stuurde Sathya hem weer naar het huis ernaast om nogmaals te
benadrukken dat hij de schriftgeleerde wilde spreken. In het
daarop volgende gesprek met de pundit zei Venkapa: 'Komt u
alstublieft, dan kunt u de jongen een lesje in nederigheid leren.
Daarmee zou u mij een groot plezier doen. Hij is de laatste tijd
erg onhandelbaar geworden.' De pundit verontschuldigde zich bij
zijn bezoekers en ging nu met Sathya's vader mee. Toen hij aan het
bed verscheen, vroeg Sathya hem de uitleg die hij eerder had
gegeven, voor hem te herhalen. Tijdens deze uitleg onderbrak de
jongen hem geregeld om aan te geven waar hij zich vergiste.
Aanvankelijk ergerde de geleerde zich hieraan, maar dat veranderde
al snel in verbazing en daarna in bewondering toen hij hoorde wat
Sathya te zeggen had. Tenslotte viel hij neer aan diens voeten en
vroeg hem vergiffenis voor het feit dat hij niet direct was
gekomen toen Sathya dat vroeg.
Omdat niemand iets bleek te kunnen doen om Sathya's toestand te
verbeteren, stond zijn moeder er tenslotte op, dat hij zou worden
teruggebracht naar Puttaparthi. Daar zou zij voor hem zorgen en
niemand anders.
Terug in Puttaparthi bleef Sathya teruggetrokken in zichzelf. Zijn
vroegere vriendjes, zijn broertje Janakiram, zijn grootvader
Kondama, niemand kon tot hem doordringen. Behalve zijn grootvader
maakte iedereen zich zorgen over hem. Kondama citeerde voor
Venkapa en Easwaramma teksten uit de heilige geschriften om aan te
tonen dat zij zich niet zo druk behoefden te maken over hun zoon.
Zo stond er in de Yoga Vasishta dat Rama op ongeveer
dezelfde leeftijd als Sathya nu een soortgelijke ervaring had.
Grootvader citeerde: 'Zijn lichaam vermagerde, zijn geest
fladderde van de ene gedachte naar de andere. Hij zat zo stil dat
het leek alsof hij een muurschildering was. (...) "Wat is rijkdom?
Wat is onheil? Wat is thuis? Wat is verlangen? Alle zijn slechts
onwerkelijk." Aldus sprekend, zat hij stil en alleen.' Voor de
grootvader zelf was dit voldoende, maar voor alle anderen was dat
niet het geval.
De dorpelingen, die geregeld naar Sathya kwamen kijken, spraken
heel verschillend over diens toestand. Sommigen noemden zijn vader
gevoelloos, anderen zeiden dat zijn opvoeding de oorzaak was van
zijn toestand en weer anderen voorspelden dat het alleen nog maar
erger met hem zou worden. Jaloezie en haat liggen altijd op de
loer! Sommigen zouden maar wat graag zien dat het gezin zou worden
opgescheept met een gehandicapte zonderling.
Sathya bleef onbewogen bij dit alles. Zo nu en dan citeerde hij de
heilige geschriften of drukte de aanwezigen op het hart zich los
te maken van alle verlangens en zich tot God te wenden.
Na enige tijd stuurde Seshama zijn ouders een brief waarin hij hun
vroeg wanneer zijn broertje terug zou komen. Hij had reeds te veel
lessen gemist; de tijd drong dus. Sathya's ouders vonden zijn
toestand echter nog niet goed genoeg voor zijn terugkeer naar
Uravakonda. Zij lieten eerst zijn horoscoop trekken door een
bejaarde pundit uit Kadiri. Hieruit werd geconcludeerd dat Sathya
bezeten was door een geest en op grond daarvan besloot de familie
dat zij hem naar een beroemde, of beter gezegd beruchte,
duiveluitdrijver zouden brengen in Brahmanapalli, een dorp gelegen
in de buurt van Kadiri. Alleen grootvader Kondama maakte bezwaar.
Volgens hem kon Pedda Venkapa beter nog wat wachten voor hij zo'n
drastische stap zou nemen. Aan Easwaramma werd niets gevraagd. Zij
kon slechts bidden om hulp.
Toen de duiveluitdrijver hoorde dat Sathya naar hem zou worden
gebracht, bazuinde hij rond dat hij de enige was die de jongen zou
kunnen genezen. Geen enkele geest, of het nu ging om een hindoe-
of een moslimgeest, om een dierlijke of een duivelse geest, kon de
kracht van zijn mantra's (heilige woorden) weerstaan, zo
pochte hij.
Zijn ouders en zijn beide zusters Venkamma en Parvathamma
begeleidden Sathya naar Brahmanapalli. Zijn vader verwachtte veel
van de behandeling. Hij verzekerde de angstige vrouwen: 'Deze man
zal een puja (eredienst) opdragen voor de godinnen Chandi
en Chamundi en hij zal misschien een kip offeren. Dan zal hij het
bloed in de vorm van een stip op het voorhoofd van de jongen
aanbrengen - en dat zal het eind zijn van deze pijnlijke
geschiedenis.'
Toen hij sprak over het offeren van een kip, ging hij zo hard
praten dat zijn zoon niet in staat was hem te overschreeuwen. Niet
dat het enig verschil zou hebben gemaakt. Er viel op dat moment
niet met hem te praten.
De duiveluitdrijver zag er verschrikkelijk uit. Zijn lange haar
was een warboel, zijn ogen gloeiden als van een bezetene en hij
sprak met een raspend stemgeluid. Hij offerde eerst een kip en
vervolgens een lam en dwong Sathya om in een cirkel van bloed te
gaan zitten. Daarna begon hij met het schreeuwen van mantra's en
daarbij sloeg hij met een grote ijzeren tang met een enorme kracht
op de grond. Sathya's familieleden stonden te trillen, maar de
jongen zelf bleef volkomen onbewogen. Zijn kalmte gaf hun ook weer
wat moed en zij besloten te blijven tot de man zou verklaren dat
Sathya was verlost van de boze geest.
Vervolgens begon de duiveluitdrijver Sathya te geselen om zo de
geest te verdrijven. Zijn moeder kromp in elkaar en schreeuwde:
'Stop! Stop!'
'Nee!' riep de tovenaar. 'Ik stop niet halverwege de behandeling.
Jullie mogen de jongen hebben, maar de geest in hem is voor mij.
Neem wat van jullie is, maar pas nadat jullie mij hebben gegeven
wat van mij is!'
Hij schoor daarna Sathya's hoofd kaal en kerfde met een scherp mes
drie kruisen in zijn hoofdhuid. Het bloed stroomde eruit. In deze
wonden goot hij sap van citroenen, knoflook en andere zure
vruchten. Tot verbazing van zijn familieleden en tot woede van de
duiveluitdrijver ontsnapte Sathya geen enkele kreet van pijn en
huilde hij zelfs niet. Daarom besloot de duiveluitdrijver
gedurende enkele dagen iedere ochtend 108 potten ijskoud water
over de wonden te gieten. Toen de geest na deze behandeling nog
steeds geen aanstalten maakte om het lichaam te verlaten, besloot
hij zijn sterkste wapen in de strijd te werpen, de kalikam.
Dit was een mengsel van allerlei bijtende stoffen en hij smeerde
dat mengsel op Sathya's ogen. Als gevolg hiervan zwol diens
gezicht zó op, dat hij onherkenbaar werd terwijl zijn ogen
zich vernauwden tot bloederige, tranende spleten.
'Nu is de overwinning nabij!' schreeuwde de duiveluitdrijver. 'Nu
zal de geest hem verlaten!' Maar nu werd het ook echt teveel voor
Easwaramma. Zij had nog liever dat haar zoon door een geest werd
bezeten, dan dat hij zulke ondragelijke pijn moest lijden. Per
slot van rekening deed de geest hem niet werkelijk kwaad, hetgeen
van de duiveluitdrijver niet gezegd kon worden. Zij wierp zich aan
de voeten van haar echtgenoot en smeekte hem er een einde aan te
maken. Aangezien ook hij zo langzamerhand zijn bedenkingen had,
beval hij de tovenaar op te houden, hetgeen deze uiteindelijk met
tegenzin deed. Na een royale betaling en vele dankbetuigingen van
zijn ouders liet hij Sathya gaan op voorwaarde dat Venkapa en
Easwaramma binnen zes maanden weer met hun zoon bij hem zouden
komen, want anders kon hij geen enkele garantie geven dat de geest
hem definitief zou hebben verlaten. En Venkamma mocht onder geen
beding meer meekomen. Die had zijn behandeling voortdurend
tegengewerkt door onder meer zalf op Sathya's ogen te smeren als
de tovenaar even weg was.
Waarom heeft Sai Baba al die martelingen eigenlijk ondergaan? Het
was zijn bedoeling dat de mensen zouden weten dat hij volkomen
onberoerd bleef, wat er ook met zijn lichaam gebeurde. Hij voelde
geen pijn, want hij kent geen enkele vereenzelviging met het
lichaam. Hij is het lichaam niet. En evenmin zijn wij het lichaam.
Wij zijn het atma, de ziel. Het lichaam is slechts een
voertuig, ons door God geschonken om Hem te dienen door het dienen
van onze medeschepselen. De wereld is ons oefenterrein. Wij moeten
leven in de wereld, maar wij moeten de wereld niet in ons laten
leven! In de wereld is slechts sprake van kortstondige vreugde,
afgewisseld door verdriet; slechts God is eeuwige vreugde.
Sathya's ouders namen hun zoon mee terug naar Puttaparthi.
Langzaam genas hij van zijn verwondingen, maar zijn gedrag bleef
voor de meesten een raadsel. Daarom trachtte zijn moeder hem uit
te leggen dat hij moest proberen zijn gedrag te veranderen.
'Iedereen is bezorgd over jouw ziekte, Sathya,' zei zij. 'De man
uit Brahmanapalli zei dat je koorts had, maar dat is onzin. Ik
weet dat je geen koorts hebt. Maar wanneer je begint te praten als
een pundit, zeggen de mensen dat je bezeten bent en wanneer je
aanmerkingen maakt op het gedrag van je oom en neefjes, dan zeggen
die dat jij het niet kan zijn die die dingen zegt. Wanneer je
bijvoorbeeld Venkamma vraagt om 's avonds naar de lucht te kijken
om de devata's (goden) langs te zien gaan, dan zeggen zij
dat je gek bent. O, Sathya! Probeer gewoon te doen! Ga terug naar
je broer en ga weer naar school. Gedraag je niet als een goeroe,
een Brahmajnani (een kenner van God). De mensen noemen je
zo alleen maar om je belachelijk te maken.'
Hoewel hij mededogen voelde met zijn lieve moeder, die zoveel voor
hem deed, kon Sathya op dat moment weinig voor haar doen. Het
moment naderde waarop hij zijn ware aard bekend zou maken en hij
moest de mensen daarop voorbereiden.
Ofschoon hij geleidelijk van zijn verwondingen was genezen, wilde
er geen haar meer groeien op de plaatsen van de kruisen op zijn
hoofd. Er vormde zich daar alleen litteken-weefsel met als gevolg
een onevenwichtige haargroei. Alleen door zijn haar zorgvuldig te
kammen kon hij de kale plekken goed bedekken. Wanneer het waait,
kunnen de devotees ook nu soms nog deze kruisen op zijn hoofd zien
en degenen die het verhaal kennen, realiseren zich dan dat het een
herinnering is aan die gebeurtenis uit zijn jeugd.
Sathya's ouders kregen veel goede raad en zijn moeder luisterde
hoopvol naar ieder voorstel. Eén van die voorstellen betrof
een dokter in Gorantla. Deze zou zeer deskundig zijn en haar zoon
zeker kunnen genezen van zijn waanvoorstellingen. Dus vertrokken
zij op een dag met de ossenkar naar Gorantla. Maar toen kreeg
Sathya er genoeg van. Halverwege sprak hij: 'Ik wit nergens
heen. Laten wij teruggaan.' Onmiddellijk stopten de ossen. De
medereizigers - familieleden en enige andere dorpsgenoten -
probeerden de dieren weer aan het lopen te krijgen, maar duwen,
trekken en het omdraaien van de staarten mocht niet baten. En toen
de mensen na meer dan een uur de strijd opgaven, keerden de ossen
zich om en gingen terug naar huis.
Kort daarop bood weer iemand zijn hulp aan en Sathya's ouders
kregen weer hoop, want het ging niet om de eerste de beste. De man
die zijn hulp aanbood, was een bekende advocaat uit Penukonda.
Ofschoon hij nu in deze grote stad woonde, was hij geboren in
Puttaparthi, waar hij ook zijn jeugd had doorgebracht. Deze
Krishnamachari had gehoord over Sathya via familie van hem die nog
in het dorp woonde en hij wilde nu zelf wel eens komen kijken. Hij
kwam, hij zag... en hij oordeelde. Venkapa en Sathya waren samen
met hem in de kamer en Easwaramma en haar beide dochters stonden
buiten met hun oor tegen de wand te luisteren. Deze geleerde man,
wiens naam voorzien was van allerlei titels, zei vol overtuiging
tegen Venkapa: 'Een boze geest is in deze jongen gevaren en het is
een buitengewoon krachtige geest. Menselijke duiveluitdrijvers
kunnen niets doen en zelfs gewone goden zullen falen. Alleen god
Narasimha heeft de kracht om deze geest af te schrikken en hem te
dwingen Sathya los te laten. Breng de jongen naar de grote
Narasimha-tempel in Ghatikachalam, want daar zijn reeds meer dan
honderd van dergelijke gevallen door zijn genade genezen.'
Venkapa was direct enthousiast over dit voorstel en hij wilde
reeds aantekeningen gaan maken over de te volgen route toen Sathya
zijn hand tegenhield en zei: 'Krishnamachari! Dat is nu toch
wel een vreemd advies van u. Wie denkt u dat er in die tempel in
Ghatikachalam is? Ik! En u wilt dat deze mensen mij naar mij
brengen?'
Easwaramma aan de andere kant van de wand voelde een golf van
vreugde door zich heengaan, maar dat was slechts voor even. Het
leven hernam zijn gewone gang. Sathya's gedrag bleef
onvoorspelbaar. Zijn moeder maakte zich weer zorgen en zijn vader
wist geen weg met zijn frustraties.
Op 23 mei 1940 kwam het moment waarop hij zich voor het eerst
bekend zou maken. De aanleiding was een woede uitbarsting van zijn
vader. Op die dag werd de spanning van het mysterie hem teveel.
Reeds jarenlang zag hij lijdzaam toe hoe zijn zoon voor zijn
vriendjes geschenken, zoals griffels en potloden, snoep en foto's,
tevoorschijn haalde uit een lege tas of uit de lucht, hoe hij
liederen componeerde en zong en hoe hij aan belangstellenden de
heilige geschriften verklaarde. En nu had hij iemand die zijn best
voor hem deed, een belangrijke advocaat uit Penukonda, een
onbeschoft antwoord gegeven. Dit kon zo niet langer doorgaan.
Sathya was toch gewoon zijn zoon... of was hij toch iets meer?
Twijfel verscheurde hem al heel lang en nu volgde de uitbarsting.
Die dag verzamelde Sathya zijn huisgenoten om zich heen op de
veranda van het hutje van zijn grootvader en materialiseerde voor
hen brokken kandijsuiker en bloemslingers. Toen de buren dit
zagen, kwamen zij ook toegesneld. Hij gaf hun ook kandijsuiker en
bloemen en alle aanwezigen gaf hij bovendien een bal rijst gekookt
in melk. Zijn vader was op dat moment aan het werk en iemand ging
hem roepen. Dit mocht hij niet missen.
'Hoe durft die kwajongen te beweren dat hij Narasimha is? Wat een
brutaliteit! Dat neem ik niet langer!' schreeuwde hij reeds uit de
verte. 'En wat is hij nu weer aan het doen, daar op de