Dit is een e-boek geschikte download. Ga voor de online versie met de illustraties en links naar:
http://vahini.org/SathyaSaiVahini/index.html 

 

 
 
SATHYA SAI VAHINI
Een Stroom van Goddelijke Genade
 
 

" Deze fascinerende werkelijk-onwerkelijke wereld is niet in het minst in staat onderscheid te maken tussen waarheid en leugen, tussen het eeuwige en het vergankelijke. Er moet haar worden geleerd waarnaar zij behoort te streven en welke banden zij moet losmaken. Zij moet erop worden gewezen dat de verwerkelijking van het Zelf (Atma) het wezenlijke is waar het in alle godsdiensten om gaat, het kernpunt van alle filosofische systemen en het belangrijkste van elke zedenleer. De wereld moet worden geïnspireerd om filosofisch onderzoek en verbetering van de moraal, waarheid, rechtschapenheid en kracht van de ziel te aanvaarden als sleutels tot succes bij het geestelijk streven. Het goddelijke principe, dat latent in de mens aanwezig is, moet worden aangespoord tot openlijke activiteit in het dagelijkse leven. De mens moet ertoe worden gestimuleerd en aangemoedigd zijn gewone leven te verwisselen voor een werkelijk leven, zonder terecht te komen in de vangnetten van de slimheid en de logica, of zich te verliezen in droge theorieën.

Zie! Gedreven door deze dringende noodzaak en door de wens om de heftige conflicten in jullie denken af te koelen en de brandende dorst van jullie hart te lessen, komt hier nu, opwellend golf na golf, een stroom van goddelijke genade (Sathya Sai Vahini). "

Sathya Sai Baba

======

Inleiding

1. De Hoogste Werkelijkheid

2. Van waarheid naar Waarheid

3. Alleen de Ene

4. Het Wonder der Wonderen

5. De Basis van het Geloof

6. Godsdienst betekent Ervaring

7. Wees Jezelf

8. Gevangenschap

9. Eenwording met de Ene

10. De yogi's

11. De Lessen van de Veda's

12. De Grondslagen van de Latere Teksten

13. De Avatâr als Leraar (Goeroe)

14. Dit en Dat

15. Niveaus en Stadia

16. De Mens en God

17. Kleur en Kaste (sociale geleding)?

18. Bezigheden en Handelingen (soorten karma)

19. Het Gebed

20. Het Voornaamste Doel

21. Onderzoek van het Innerlijk

22. Eeuwige Waarheden

23. Vormen van Aanbidding

24. Het Goddelijke Lichaam

=======

 
Inleiding - Dierbare zoeker! Bhagavân heeft zichzelf aangekondigd als de goddelijke Leraar der waarheid, schoonheid en goedheid. Door voorschrift en voorbeeld, door zijn geschriften en zijn voordrachten, in brieven en gesprekken heeft Hij aan mensen deze hoogste wijsheid voortdurend voorgehouden en de gehele mensheid de opdracht gegeven deze te vertalen in een rechtschapen leefwijze, in innerlijke vrede en universele liefde. 

Toen de Ramakatha Rasa Vahini, de unieke, authentieke stroom van nectar van het Rama-verhaal, in afleveringen was verschenen in het maandblad Sanathana Sarathi (letterlijk: 'eeuwige wagenmenner'; het maandelijkse tijdschrift, gepubliceerd door de S'ri Sathya Sai Books and Publications Trust), zegende Bhagavân zijn lezers met een nieuwe serie; Hij noemde deze: 'Stroom der Indiase spirituele waarden' (Bharatiya Paramartha Vahini). Het is een serie kostelijke opstellen over de grondwaarheden die de Indiase cultuur sinds voorhistorische tijden hebben gedragen en gevoed; nog tijdens het publiceren besloot Bhagavân om het licht der spirituele instructie te laten doorstromen onder een naam die meer omvatte en een grotere betekenis had: Sathya Sai Vahini - de Gangesstroom uit de lotusvoeten van de Heer, de stroom der goddelijke Sai-genade. Derhalve bevat dit boek twee Vahini's die zijn samengevloeid tot èèn enkele hoofdrivier. 

Als inleiding voor deze serie publicaties in de Sanathana Sarathi schreef Bhagavân: 

'Zie, voortgestuwd door het verlangen om de hitte van strijd en meningsverschillen af te koelen en de kwellende dorst naar kennis van het Zelf te lessen waardoor jullie worden geteisterd, komt hier nu de stroom van Sathya Sai, golf na golf, met de Sanathana Sarathi als het medium tussen jullie en mij.' 

Met onbegrensd mededogen verlost Sathya Sai, deze belichaming van de universele wil, miljoenen mensen in alle landen ter wereld van ziekte, benauwdheid en wanhoop, van verslavende bedwelming, zelfverheerlijking en godsontkenning. Hij moedigt mensen aan die lijden in de duisternis van hun eigen koppige verblinding om de lamp der liefde te ontsteken, zodat zij de omringende wereld kunnen zien; vervolgens om de lamp der wijsheid te ontsteken, zodat zij zichzelf kunnen zien. 

'Dit is een echt-onechte wereld vol verlokking; haar schijnbare verscheidenheid is een illusie; zij is Eèn, maar wordt door de vele mensenogen gezien als veelheid', 

zegt Bhagavân. Dit boek is de tweevoudige lamp die Hij voor ons heeft ontworpen. 

Heer Krishna schudde Arjuna (in Zijn Bhagavad Gîtâ) wakker uit de sombere depressie waarin hij door zijn eigen denkwijze was beland; Hij deed dat juist op het ogenblik dat Arjuna's plicht hem gebood zichzelf te zijn - namelijk de wijd en zijd befaamde krijger die hij was, altijd ten volle bereid om in de strijd tegen het kwaad, zich te scharen aan de zijde van het recht. 
Krishna bracht de genezing tot stand door hem te wijzen op het Atma dat zijn diepste wezen was en hem duidelijk te maken dat Hij, Krishna, het Atma was. Bhagavân zegt dat ook wij te snel geneigd zijn: 

'verstrikt te raken in de vangnetten van knappe redeneringen en vast te zitten in de mazen van de dialectische logica. Willen wij succes hebben op spiritueel gebied - en wat is het leven waard als het niet gericht is op dat verheven doel? - dan moeten we bereid zijn een filosofische speurtocht te ondernemen en moreel vooruitgang willen boeken, inspanningen die beide hun bekroning moeten vinden in het bewust zijn van het Atma, dat zowel de bron is als de totaliteit van alle energie en activiteit.' 

Wij allen worden in even grote mate als Arjuna, voortgedreven door angst, twijfel en gehechtheid. Wij staan allen te aarzelen bij het kruispunt tussen dit en DAT - het aardse en het spirituele, tussen de golf - ons kleine ik - en de Oceaan: God. 
Omdat wij echter door Hem zijn geschapen, zijn wij 'een wonder der wonderen'. Bhagavân zegt: 'Alles wat zich niet in de mens bevindt, is buiten hem ook niet te vinden.' 'Het Atma is ongebonden; het is reinheid; het is volheid. Het is onbegrensd. Het heeft zijn middelpunt in het lichaam, maar zijn uiterste omtrek reikt voorbij alle denkbare grenzen.' De mens is begenadigd met een buitengewoon intellect; dat verstand is in staat te beseffen dat er een Atma is en het kan er met succes naar gaan streven zich van dat Atma bewust te worden. 
Er zijn jammer genoeg maar weinig menselijke schepsels die weten wie zij zijn, waarom zij hier op aarde zijn, vanwaar zij komen en waarheen zij op weg zijn. Zij lopen rond met een tijdelijke naam, omsloten door een vluchtig, steeds veranderend lichaam.
Daarom houdt Bhagavân ons staande met de woorden: 'Luister, kinderen der onsterfelijkheid, luister! Luister naar de boodschap van de rishi's die de Hoogste Majesteit (Purushotama) in een visioen hebben gezien; Hij is de Eerste en Enige, die woont ver voorbij het rijk der illusie en begoocheling. O menselijke wezens! Van nature vertegenwoordigen jullie de eeuwige volheid. Jullie zijn waarlijk God, die zich op aarde beweegt. Is er een grotere zonde denkbaar dan jullie "zondaars" te noemen? Wanneer jullie een dergelijke benaming accepteren, brengen jullie jezelf in diskrediet. Ontwaak en sta op! Verwerp de vernederende gedachte dat jullie schapen zijn. Laat je door die gedachte niet in verwarring brengen. Jullie zijn het Atma. Jullie zijn druppels hemelse nectar; jullie zijn onsterfelijke waarheid, schoonheid en goedheid. Je bent zonder begin of einde. Alle materiële dingen zijn aan jullie onderworpen; jullie zijn geen slaven van de materie zoals je je nu inbeeldt.'

Bhagavân zegt: 

'Door zich zonder onderbreking te oefenen in waarheidsliefde, rechtvaardigheid en zelfbeheersing, moet een individu het sluimerende goddelijke principe in zich ertoe bewegen zich te openbaren in zijn dagelijkse leven; zo transformeert hij zijn bestaan in de vreugde van het ware liefhebben.'
Leer de Opperste Werkelijkheid kennen; adem deze in, baad je erin, leef erin; dan smelt DAT volledig samen met jullie en jullie worden volkomen DAT.'

Een stoffelijk voorwerp kan zichzelf niet uitdrukken, heeft geen eigen uitdrukkingsvermogen (svataprakasha). Om zich te kunnen manifesteren, is het volledig afhankelijk van het kennisvermogen (chitshakti) van het geïndividualiseerde Atma. De relatieve stoffelijke wereld is afhankelijk van het relatieve bewustzijn van de individuele ziel, van het geïndividualiseerde Atma. Wanneer wij het voorwerp dan aan een nader onderzoek onderwerpen en de werkelijke basis van al deze veelvormigheid gaan begrijpen, is de logische consequentie dat wij Brahman - het hogere Zelf - erkennen als het Grondprincipe. Later, nadat ons bewustzijn is gezuiverd door zintuiglijke beheersing, gedachtenreiniging, concentratie en innerlijke stilte, begint het te dagen dat dit Principe, dat ons eerst voorkwam als de uitkomst van een logische gedachtengang, een positieve, onveranderlijke Wil is (prajnanam Brahma) die zich in al deze vormen uitdrukt.

Deze Sathya Sai Vahini openbaart ons in ondubbelzinnige bewoordingen dat het Zelf in de mens niets of niemand anders is dan het hogere Zelf of God. Er wordt ons verteld dat dit niet alleen geldt voor de mensheid, maar voor alles wat geschapen is, overal! Eigenlijk creëert de Opperwil deze onwerkelijke veelvormigheid der kosmos bovenop de Ene die Hij in werkelijkheid is. Door diezelfde Wil kan Hij aan dit verschijnsel ook weer een einde maken. 'Het Zijn' - God - ligt verscholen achter 'het Worden', en 'het Worden' lost zich weer op in 'het Zijn'. Daaruit bestaat het eeuwige spel', zegt Bhagavân. 

Zoals Bhagavân het uitdrukt, 'is het uiteindelijke doel van alle opvoeding, het hoogste streven van alle kennisoverdracht, ons behulpzaam te zijn bij de bewustwording van het universele, in ons wonende, onpersoonlijke Principe'. Sathya Sai onderwijst ons in zijn rol als Leraar der leraren, opdat wij dit grootse avontuur der ziel zullen ondernemen. De pelgrims die langs deze route reizen, hebben in Hem een medelevende gids en beschermer, want Hij belichaamt diezelfde Wil die het toneelstuk bedacht heeft.

Terwijl Bhagavân ons leidt door het dal van deze Vahini, houdt Hij ons bij de hand, spoort ons aan om de zieners en wijsgeren uit verschillende landen te waarderen en te bewonderen die op dit terrein pionierswerk hebben verricht, die de grenzen en beperkingen hebben aangegeven, die de voorbereidende disciplines en oefeningen hebben aangereikt die ons pad zullen effenen en het ontdekken van de Waarheid zullen verhaasten. Hij schrijft over de Veda's en over latere spirituele teksten; over de verschillende vormen van verering die de tand des tijds hebben weerstaan en eeuwenlang trouw zijn gepraktiseerd; over de gedragsregels die niet alleen zijn vastgelegd voor de vier stadia in het mensenleven, maar ook voor personen met onmiskenbare, aangeboren karaktertrekken; over de horizontale, expansieve rajasische kwaliteit en over de doffe, bergafwaarts voerende tamasische. Hij verduidelijkt de rol die karma hierbij speelt, met alle daaruit voortvloeiende gevolgen. 
'Als een wrakkig schip dat op zee in een storm is terechtgekomen, klimt de mens naar de top van een reusachtige golf en bereikt de schuimende kam. Het volgende ogenblik wordt hij in het dal geworpen en moet direct weer omhoog. Dit opkomen en dit ten onder gaan zijn beide het gevolg van zijn eigen daden. Met deze daden bouwt hij tegelijk aan zijn paleis en aan zijn gevangenis. Smart en blijdschap zijn de echo's, de afspiegelingen van of reacties op eigen handelingen. De individuele ziel kan aan deze tegenstellingen ontkomen door de houding van toeschouwer aan te kweken, de geestesinstelling van een getuige die zich niet gebonden voelt aan de activiteiten die hij moet uitvoeren.'

Bhagavân beschrijft de yoga als het proces waarin het individuele Zelf en het hogere Zelf, Jivatma en Paramatma, samengebracht worden en Hij gaat dieper in op het pad der liefde (bhakti) en van het onzelfzuchtig handelen (karma); verder bespreekt Hij het meester-zijn over de geest (raja) en het sublimeren van het bewustzijn (jnana). Bhagavân analyseert de rechten en plichten van individu en maatschappij en Hij toont ons dat deze twee de grondslag gemeen hebben en hetzelfde doel moeten dienen: de spirituele verheffing.

Samengevat kunnen wij zeggen dat deze Sathya Sai Vahini de Gîtâ is, aan ons gegeven door Hem die als de Eeuwige Leidsman (Sanathana Sarathi) zo gaarne bereid is en klaarstaat om de teugels van onze zintuigen, gedachten, bewustzijn, ego en intellect in handen te nemen en ons veilig naar Prashanti Nilayam te leiden, de verblijfplaats der Hoogste Vrede, die de eindbestemming is voor de gehele mensheid.

Mogen wij allen worden gezegend met zijn liefde en genade.

N. Kasturi. 

1. De Hoogste Werkelijkheid - De zin en het doel van het leven is het bereiken van de Allerhoogste. Met Allerhoogste wordt hier gedoeld op het Zelf (Atma). Allen die in de cultuur van India zijn opgegroeid, weten dat het Atma alomtegenwoordig is. Wanneer men hun echter vraagt op welke wijze zij dat te weten zijn gekomen, beweren sommigen dat de Veda's hun dat geleerd hebben; anderen citeren teksten uit de Shastra's, weer anderen verlaten zich op praktijkervaringen van de grote wijsgeren. Ieder baseert zijn conclusies en bewijst de juistheid daarvan overeenkomstig de omvang van zijn eigen intelligentie. Vele grote mannen hebben hun intelligentie gebruikt om dat alomtegenwoordige Atma te ontdekken en zijn erin geslaagd een beeld te krijgen van dat goddelijke Principe. In ons land, India (Bharat), zijn er predikers geweest, leraren, geestelijke leerlingen en asceten die hebben bewezen dat het gestelde doel te verwezenlijken was wanneer zij dat ernstig bleven nastreven. Toch vinden we onder de vele miljoenen mensen slechts enkelen die in staat zijn geweest het universele Atma te zien.


Geen ander schepsel heeft de twee gaven intelligentie en onderscheidingsvermogen in deze hoogontwikkelde vorm ontvangen. Dat is de reden waarom de mens uitgeroepen kan worden tot kroon der schepping; daarom ook verkondigen de Shastra's dat de kans om als mens geboren te worden een zeer zeldzame, gunstige gelegenheid is. De mens bezit de benodigde kwalificaties om te gaan zoeken naar de oorsprong der schepping; die drang en dat vermogen heeft hij in zich. Hij wendt het geschapen universum aan voor het vergroten van zijn vrede, zijn welvaart en zijn veiligheid; hij gebruikt de energieën en de voorwerpen die de natuur hem biedt om zijn geluk en zijn vreugde te bevorderen. Dit is door de Veda's zelf bevestigd.
Voor miljoenen gelovigen zijn de Veda's de centrale autoriteit en bevatten zij Gods eigen woorden. Hindoes geloven dat de Veda's geen begin hebben gehad en geen einde zullen krijgen. Hierin spreekt God tot de mensen. Het zijn geen boeken die door mensen zijn geschreven, maar openbaringen die God aan vele zoekers heeft geschonken en die aangeven met welke methoden men waardig wordt het hoogste doel te verwezenlijken. Zij bestonden reeds als een degelijk pad, voordat zij aan de mens werden geopenbaard. Dit pad zal zijn waarde behouden, zelfs al zou de mensheid het vergeten. De Veda's zijn niet ontstaan in een bepaalde periode en kunnen ook niet in een ander tijdperk van de aardbodem verdwijnen. Dharma, de goddelijke norm waarop ons door de Veda's een blik gegund wordt, kent evenmin een begin of einde; deze wijst ons immers op het hoogste doel. 

Natuurlijk zullen er enkele mensen zijn die toegeven dat dharma geen einde heeft, omdat de rechtschapenheid ons leidt naar het hoogste doel, maar die toch aanvoeren dat er een begin moet zijn geweest. De Veda's verklaren dat er in de cyclus die loopt van schepping tot ondergang, geen beginpunt is en geen eindpunt; het is een ononderbroken cirkelgang. Wat eveneens onveranderd blijft, is de voorraad kosmische energie - deze neemt niet toe of af en is altijd gelijk, heeft altijd genoeg aan zichzelf. Het geschapene en de Schepper zijn twee parallel lopende lijnen waarvan het begin onbekend is en het einde onbegrijpelijk. Zij bewegen zich van eeuwigheid tot eeuwigheid op gelijke afstand van elkaar. Hoewel God eeuwigdurend in beweging is, zijn de goddelijke wil en macht die aan al die activiteit ten grondslag liggen, voor het menselijk verstand niet te vatten. 

Het allerhoogste, overeenkomstig de Bharatya's, de erfgenamen van de Indiase kultuur, is de Uitgebreidheid Zelve. Het reikt tot de hoogste hoogten en beweegt zich vrij in die uitgestrektheid. Het werd in heldere termen uiteengezet, lang voor die periode van de geschiedenis. 

De studie van het begrip van het Allerhoogste en het uitdragen van dit begrip ging gebukt onder ernstige verdraaiingen in de loop van de geschiedenis. Maar, het heeft ieder van dezen voor succes geplaatst en bewijst zichzelf vandaag als springlevend en aanwezig. Dit vormt het bewijs van de innerlijke kracht van deze openbaring. De ideeën over het Allerhoogste Doel zoals neergelegd in het Judaïsme, de Christelijkheid en de leer van Zoroaster deden hun best om het Barathya-begrip onder te brengen in hun categorieën en het als een deel van henzelf over te brengen; niettemin, nam het geen vreemde status aan in haar zogenaamd eigen geboorteplaats; in tegendeel, het verduidelijkte voor die religies zelf hun eigen idee van het Uiteindelijke, benadrukte de eenheid van alle gezichtspunten, en vestigde hartelijkheid op de basis van de afwezigheid van verschil. Terwijl de stroom van kennis omtrent het Allerhoogste Doel zoals ontdekt door de Bharathiya heiligen verder stroomde, bleven de ideeën van de andere geloven daarnaast bestaan als vijvertjes.

In India zelf rezen de sekten die gebaseerd waren op de hoofdreligie als paddestoelen uit de grond. Zij probeerden de wortels los te trekken of fatale schade toe te brengen aan de hoofddenkbeelden van het hindoeïsme betreffende de hoogste Waarheid, het Opperwezen. Maar zoals het water van de zee bij een verschrikkelijke aardbeving eerst wegebt en dan brullend met duizendvoudig geweld terugstroomt naar dezelfde kust die het ogenschijnlijk verlaten had, zo herstelde zich deze stroom van Indiase wijsheid in haar oorspronkelijke, ongerepte glorie toen zij zich verhief boven de verwarring en conflicten van dit tijdperk. Toen de beroering enigszins was bedaard, werden de verschillende sekten die de mensheid in verwarring hadden gebracht, aangetrokken door deze wijsheid en opgenomen in haar ruimhartige, gastvrije invloedssfeer. Het Atma-principe van de inwoners van India omvat alles en allen, openbaart en verklaart alles en is almachtig. 

De ware godsverering bestaat hieruit dat men geloof en vertrouwen ontwikkelt in dit Atma-principe en het vurig liefheeft. Het Atma is de enige geliefde die de mens heeft. Besef, dat het Atma het enige is dat je liefde waard is; op die wijze kan de mens God werkelijk aanbidden. Zo leren het de Veda's. De Veda's leren ons niet dat wij een stel moeilijke leefregels en voorschriften moeten aanvaarden; zij houden de mens niet het schrikbeeld voor van een gevangenis waarin hij opgesloten zit achter de tralies van oorzaak en gevolg. Zij leren ons dat er Eèn is die alleenheerser is over al deze regels en voorschriften, Eèn die de kern vormt van ieder ding, van elke energie-eenheid, van elk atoomdeeltje, en aan wiens bevel de vijf elementen - ether, lucht, vuur, water en aarde - moeten gehoorzamen. Heb God lief, vereer Hem en aanbid Hem. Zo spreken de Veda's; dat is de grootse liefdesfilosofie die in de Veda's uitgebreid wordt verkondigd. 

Het grote levensgeheim is dat de mens in de wereld waarin hij geboren is, moet leven als een lotusblad; zo'n blad wordt wel door het water gedragen, maar blijft erop drijven zonder te worden beïnvloed of natgemaakt. Natuurlijk is het goed wanneer je God liefhebt en Hem aanbidt met het oog op een kostbare beloning, hetzij hier of in het hiernamaals; maar aangezien er geen ding of vrucht van je handelingen kostbaarder is dan God, of meer de moeite loont dan God, ontvangen wij van de Veda's de goede raad om God lief te hebben zonder een zweem van begeerte. 

Geef liefde, want je moet liefhebben om de liefde zelf; heb God lief, omdat alles wat Hij je geven kan van mindere waarde is dan Hijzelf; heb alleen Hem lief, zonder andere wensen of verlangens. 

Zo klinkt het in de leer van Bharat (India) omtrent het hoogste doel. Dharmaraja, de oudste van de gebroeders Pândava, wordt in de Mahâbhârata afgeschilderd als een persoon die op deze verheven wijze liefhad. Toen hij zijn uitgestrekte rijk, waarbij ook geheel India, aan zijn vijanden had verloren, en gedwongen werd in de grotten van het Himalaya-gebergte te leven met zijn gemalin Draupadî, vroeg deze hem op een dag: 'Heer! U behoort ongetwijfeld tot de grootsten van hen die onverschrokken het pad van de rechtschapenheid volgen, maar hoe komt het toch dat zo'n verschrikkelijke ramp juist U moest overkomen?' Zij was door smart overmand. 

Dharmaraja antwoordde: 'Draupadî, treur maar niet. Kijk eens naar deze bergketen. Wat schitterend! Zoveel schoonheid! Wat prachtig! Wat verheven! Hij is zo luisterrijk dat mijn liefde hiervoor onbegrensd is. Hij schenkt mij niets, maar van nature ben ik geneigd alles lief te hebben wat schoon is en verheven. Daarom verblijf ik hier, in die hoogste liefde, de belichaming van Gods volmaakte liefde. Hier krijgt Gods liefde haar volle waarde en betekenis. 
God is de enige die het waard is lief te hebben. Die conclusie is het resultaat van de eeuwenlange zoektocht die de inwoners van ons land hebben volbracht. Derhalve heb ik God lief. Ik zal van Hem geen enkele gunst verlangen. Ik zal niet bidden om een enkele gave. Hij mag mij laten wonen waar Hij wil. De hoogste beloning voor mijn liefde is zijn liefde, Draupadî! Mijn liefde is geen marktartikel.' 
Dharmaraja begreep dat liefde een goddelijke eigenschap is en als zodanig benaderd moet worden. Hij leerde Draupadî begrijpen dat voor hen die altijd leven in het atmisch bewustzijn, liefde een natuurlijke, spontane opwelling is. 

De liefde die gegrondvest is op het Atma, is zuiver en edel; daar echter de mens gebonden is aan verschillende valse vormen van liefde, vindt hij zichzelf gewoon een individu (jiva), een afgezonderde enkeling, en zo wordt de goddelijke liefde in haar volle omvang hem onthouden. Daarom moet de mens Gods genade winnen. Wanneer hij die bezit, zal het individuele Zelf (Jivi) verlost worden van zijn lichaamsbewustzijn en kan hij zich vereenzelvigen met het Atma. Deze eenwording wordt in de Veda's omschreven als: verlossing uit gebondenheid (bandhavicchedana), of als bevrijding (moksha). 
Voor het bestrijden van de neiging om zich met het lichaam te identificeren en om Gods genade te verkrijgen, worden spirituele oefeningen voorgeschreven, zoals gedachtebeheersing, evenals zintuiglijke beheersing (dama) en de andere disciplines van het zesvoudige pad van sadhana. Ons bewustzijn zal door het beoefenen van deze zes zeer zeker worden gereinigd. Het wordt dan een heldere spiegel die de dingen duidelijk weergeeft. Zo zal het Atma zich volkomen openbaren. Dit reinigen van het bewustzijn (chittashuddhi) vormt de koninklijke weg die voert naar de hoogste Wijsheid (jnanasiddhi). Voor hen die rein zijn van hart is dit niet moeilijk te bereiken. In de Indiase speurtocht naar de hoogste Werkelijkheid staat deze waarheid centraal; het is de levensadem van alle leringen. 

Indiërs vinden het niet nodig tijd te verspillen met discussies en met het belijden van dogma's. De aanblik van lege oesterschelpen die op het strand verspreid liggen, wekt in hen weinig blijdschap. Zij proberen de parels te krijgen die in de diepte van de zee liggen. Zij willen graag in die diepte duiken en dapper naar de parels zoeken. De Veda's tonen hun welke idealen zij moeten nastreven en welke weg naar de verwerkelijking leidt. Hun ideaal is de hoogste Waarheid te ontdekken. Deze ligt ver voorbij de kennis die is verworven met behulp van de menselijke zintuigen. 
De Vedaís herinneren de mens aan het feit dat het onstoffelijke Atma zich bevindt in de stoffelijke persoon, dat in deze individuele belichaming van de Waarheid de Alziel (Paramatma) woont. Alleen die is werkelijk en blijvend; al het andere is vluchtig en voorbijgaand. 

De Veda's zijn uitsluitend verschenen om aan te tonen en te benadrukken dat God bestaat. De hindoes die in hun spirituele training het hoogste doel hebben bereikt (siddhapurusha's), hebben allen gereisd langs het vedische pad en hebben hun onderzoek verricht volgens de vedische regels. De Shastra's bevatten het oorspronkelijke verslag van hun ervaringen en daarin wordt de gelukzaligheid beschreven waarmee zij beloond werden. Deze mensen verklaren zowel in de Shastra's als in de Upanishads: 'Wij hebben het atmische bewustzijn bereikt.' 
Hindoes trachten niet zich op te stellen tegenover een dogma of een theorie en er dan over te zegevieren; zij proberen dat dogma of die theorie aan de praktijk te toetsen. Geloofsvertrouwen zonder inhoud is niet hun doel; het gaat om het geestelijk stadium (sthiti) dat men bereikt en om de wijsheid (siddhi) die men zich heeft eigen gemaakt. Het doel dat de inwoners van India zich stellen is vervulling in het leven te vinden door voortdurende, geestelijke oefening (sadhana), een vervulling die voortkomt uit bewustwording van de eigen Goddelijkheid. In het samensmelten met het goddelijke Principe verwerft de mens die volkomenheid. Voor de Bharatiya, de Hindoe, is dat de grootst denkbare overwinning.

 

 
2. Van waarheid naar Waarheid - Er zullen velen zijn die vragen stellen en hun twijfel uitspreken over het niveau waarop iemand zich bevindt die de vervulling heeft bereikt: het volledige spirituele bewustzijn. Zijn leven zal volkomen vervuld zijn van een onvergelijkelijke gelukzaligheid (ananda), en hij zal eenheid met allen ervaren, in gedachten, gevoelen en kennis. (bew.) Dan verkeert hij in een extase die hem doet opgaan in de Ene en Enige, het eeuwige goddelijke Principe; want, dat alleen kan tijdens het leven op aarde vreugde schenken [bew.] Alleen dat verleent de ware, onvervalste vreugde die niets anders in staat is te geven. God vertegenwoordigt de eeuwige, nooit aflatende vreugde. Allen die de cultuur van Bharat (India) trouw zijn, tot welke overtuiging of geloofsrichting zij ook behoren, aanvaarden deze onomstotelijke waarheid: 'God is de meest verheven bron van vreugde.' Daaruit bestaat de dierbaarste en meest vreugdevolle grondslag van hun geloof, hun hoogste verlangen (abhimata). 

Volheid betekent volkomenheid. Volkomenheid houdt in dat er slechts Een is, geen twee of drie. Dan is er geen plaats meer voor individualiteit. Wanneer de individuele Ziel (Jivi) - het afzonderlijke, persoonlijke Zelf - volledig en volkomen geworden is, is terugkeer naar het bewustzijnsniveau van de objectieve wereld uitgesloten. 
Bij menigeen zal er nu wellicht enige twijfel opkomen. Het is echter niet juist aan zulke gedachten toe te geven. Wanneer de individuele Ziel verankerd wordt in het alomvattende geheel (samashti), laat hij elke gedachte aan onderscheid varen en bevindt hij zich voortdurend in het totaliteitsbewustzijn, het bewustzijn van de Ene waarin de velen zijn opgenomen. Dan zal hij beseffen dat de waarheid omtrent de enkeling ook de waarheid is omtrent allen; en dat het ene ondeelbare Atma de hoogste Waarheid is. De gedachte dat er verschil zou bestaan tussen het ene schepsel en het andere, zal bij hem niet te bespeuren zijn. 
Het goddelijke Principe dat hij nu kent als de kern van elk schepsel en elk ding, erkent hij eveneens als zijn eigen goddelijke kern. Zo zal hij de volheid van die gelukzaligheid (ananda) intenser ervaren dan ooit. Hoe zou hij zich dan nog afgescheiden kunnen voelen? Dat is onmogelijk. Het licht van die opperste verrukking (ananda) zendt zijn stralen naar alle delen van de kosmos. De wijzen en verlichte heiligen (rishi's) werden zich bewust van deze gelukzaligheid. In duidelijke, begrijpelijke taal hebben zij hun ervaringen aan de wereld meegedeeld. 
De maan is onbereikbaar, maar toch kan men deze leren kennen door met een vinger te wijzen in de richting waar hij te zien is! Zo brachten onze wijze mannen, ieder overeenkomstig het bewustzijnsniveau dat hij had bereikt, de Waarheid die onbereikbaar is voor het menselijk denken en spreken, binnen de menselijke horizon. Hun lessen waren niet alleen eenvoudig te begrijpen, maar ook vol variatie, om mensen van elk begripsniveau te onderwijzen en te verlichten. 

Een klein voorbeeld: Iemand voelt zich gelukkig wanneer hij weet dat dit kleine lichaam van hem is, nietwaar? Moet hij dan niet dubbel zo gelukkig worden wanneer hij weet dat hij twee lichamen bezit? Op deze wijze zal, met de wetenschap dat hij een groeiend aantal lichamen heeft, de gelukservaring eveneens blijven toenemen. Wanneer hij weet dat de gehele wereld een lichaam vormt, en dat wereldbewustzijn deel wordt van zijn persoonlijk bewustzijn, geeft hem dat de volmaakte geluksbelevenis (ananda). Om dit alomvattende bewustzijn te verkrijgen, moet men de gevangenismuren van de egocentrische beperktheid afbreken. Wanneer het egocentrische zelf zich gaat identificeren met het hogere Zelf (Atma), zal er geen dood meer zijn. 

Wanneer het kleine zelf zich gaat identificeren met de gelukzalige Eenheid, zal er geen smart meer zijn. Het individuele, materiële bewustzijn wordt geboren uit de zinsbegoocheling. Het lichaam dat deze illusie helpt creëren, is niet meer dan een eeuwig ronddraaiend atoom in een grenzeloze oceaan. Het tweede wezen in mij is die andere vorm, namelijk het inwonende hogere Zelf; wanneer mijn ego opgaat in dat Zelf, verdwijnt de illusie, omdat het inzicht groeit dat de werkelijkheid ermee in tegenspraak is. Wanneer met het verstrijken van de tijd het denken van de mensheid tot rijpheid komt, zullen alle denkrichtingen tot diezelfde slotsom moeten komen. 

De waarde van een boom wordt afgemeten aan de vruchten die hij voortbrengt. Neem als voorbeeld het vereren van beelden. Specialisten in de zedenleer, metafysici, filosofen, mensen die het pad van de devotie volgen en de meest vooraanstaande deugdzame mensen in alle delen van de wereld, allen zijn het er over eens dat het aanbidden van een beeld een zeer heilzame uitwerking heeft. Zolang je nog gehecht bent aan je stoffelijke lichaam en aan je bezittingen, is het nodig dat je een stoffelijk symbool aanbidt. Dat symbool is slechts een hulpmiddel. Het wordt echter door veel mensen openlijk afgekeurd als een vorm van bijgeloof. Dat is onterecht; zo moet je het niet beschouwen. Zo'n reactie is niet meer dan een dwaze opwelling. 

Staat het niet vast dat de overtuiging dat jij je lichaam bent, berust op bijgeloof? Kan je lichaam eeuwig blijven leven? Is het niet een levensechte pop met negen openingen [poorten], waarin het leven zo wankel in balans blijft dat het door een niesbui kan instorten? Zouden wij derhalve het leven dat mensen leiden in de overtuiging dat deze wereld echt is, niet moeten typeren als een tweede bijgeloof? Is de gewichtigheid die mensen zich aanmeten omdat zij een machtspositie hebben of zeer rijk zijn, niet eveneens een dwaze vertoning?

Handelingen die gebaseerd zijn op geloof in het Atma, de innerlijke Werkelijkheid, kunnen echter niet bijgelovig of dwaas worden genoemd. Mensen zullen elke mening die je uitspreekt verwelkomen, zolang je die mening met goede argumenten kunt onderbouwen. Wanneer je echter alles wat je niet aanstaat bijgeloof noemt, spreekt daaruit waanzin, dwaasheid of egoïsme. 

Het is ons onmogelijk God lief te hebben of Hem te aanbidden als we niet mediteren op een bepaalde vorm; dit is van even groot belang als ademhalen om in leven te blijven. Dat is een onmisbaar stadium in het levensproces en als zodanig moeten wij het ook accepteren. De kindertijd is de vader van de oude dag. Kan de ouderdom het kinderstadium of de jeugd veroordelen als kwaadaardig? Het aanbidden van een beeld of afbeelding is voor veel mensen altijd een grote steun geweest bij het ervaren van het goddelijke Principe en dat is het nog steeds. Hoe kan dus de beginner op het geestelijk pad of iemand die spirituele disciplines beoefent deze vorm van aanbidding afwijzen, terwijl ook hij dit stadium doorlopen heeft en de goede gevolgen heeft ondervonden? Dat zou volkomen verkeerd zijn en ongepast. 

De ontwikkelingsgang van India in de richting van de hoogste Werkelijkheid is niet een reis van onwaarheid naar waarheid. Deze tocht gaat via de kleine waarheid naar de hoogste Waarheid, van de onvolkomen waarheid naar de volkomen Waarheid, van de gedeeltelijke waarheid naar de volle Waarheid. Immers, wat betekent geestelijk oefenen (sadhana)? Elke poging die de mens doet, van de eenzaam levende woudbewoners en primitieve stammen die de grove vormen van God aanbidden, tot de hoogontwikkelde zoekers die het Volkomene en het Absolute vereren, alles is sadhana. Iedere inspanning in die richting zal de mens een stap vooruithelpen in zijn ontwikkeling. Je kunt elke individuele ziel (Jivi) vergelijken met een vogel. Hij kan door steeds langer en hoger te vliegen, tot ver in het luchtruim stijgen. Tenslotte kan hij het stadium bereiken dat hij de felle schittering van de zonnekrans zo dicht mogelijk kan naderen. 

De onderliggende waarheid van de schepping is dat de Ene verborgen ligt in de velen. De inwoners van India hebben deze waarheid begrepen en hebben altijd vastgehouden aan deze sleutel die toegang geeft tot alle wijsheid. Mensen in andere landen vonden het voldoende om bepaalde axioma's vast te leggen en het geloof in deze stellingen af te dwingen. Zij stonden erop dat zulke geloofsartikelen werden aanvaard en dat de regels en voorschriften die daaruit voortvloeiden, werden nageleefd. Zij hielden de leden van de gemeenschap waarin zij leefden een model jas voor en eisten dat iedereen dezelfde jas droeg; als er mensen waren wie deze maat niet paste, dan was er voor hen geen andere keus. Zij moesten leven zonder een jas die hen beschermde tegen de gure wind. 

De Indiase benadering was een geheel andere. Hier zorgde men dat er voor elk aspect, voor elke variatie, voor elk verschil in gevoelens en gedachten, in wilsuiting en dadendrang een onderscheiden naam en vorm beschikbaar was; men verschafte mensen vormen van verering en wijzen van aanbidding die in overeenstemming waren met de emotionele behoeften en het intellectuele niveau van zoekers en gelovigen. Natuurlijk waren er ook enkele mensen die zo'n aparte behandeling niet nodig hadden. Velen hebben echter hun voordeel gedaan met deze toegevendheid en zij hebben op hun tocht naar wijsheid en bevrijding goede vorderingen gemaakt. 
Eèn ding moet duidelijk zijn: nergens bij enige spirituele activiteit die Indiërs ondernomen hebben, is het aanbidden van beelden ooit dwingend voorgeschreven of aangeduid als een stadium dat men moet doorlopen. Houd echter èèn feit altijd in herinnering en wel dit: de erfgenamen van de Indiase cultuur (Bharatiya's) zijn dan misschien gehecht aan hun lichaam en hechten aan het handhaven en verhogen van hun levensstandaard, zij zullen echter nooit de drang voelen andersdenkenden naar het leven te staan. De Bharatiya die fanatiek zijn eigen godsdienst beoefent, zou liever zichzelf offeren in de vlammen die hij heeft aangestoken en van brandstof voorzien, dan dat hij uit haatgevoelens mensen levend verbrandt die zijn godsdienst niet eerbiedig willen bewonderen of aannemen. De geestelijke traditie van dit land heeft altijd geweigerd mee te doen aan de vernietiging van het Atma, de ene onuitroeibare Waarheid. 

De godsdienst van India heeft immers altijd het geloof voorgestaan dat het hogere Zelf van de mens niets anders is dan de Alziel of God. Deze godsdienst stuurt mannen en vrouwen op een lange reis langs verschillende wegen waarop zij geconfronteerd worden met een grote verscheidenheid aan situaties en moeten leven in uiteenlopende omstandigheden. Maar omdat zij bemoedigd worden door het licht dat zij ontvangen van hun gevarieerde geloofsovertuigingen, reizen zij opgewekt naar het doel: de glorie van het godsbewustzijn. Hoewel hun godsdienstige praktijken en riten oppervlakkig gezien enigszins primitief mogen schijnen, zijn deze niet in tegenspraak met de hoogste Waarheid. Men moet leren inzien dat de schijnbare tegenstellingen nodig kunnen zijn om mensen van verschillende intellectuele, morele, economische en sociale achtergrond te kunnen inspireren. Het licht dat schijnt door een stukje gekleurd glas bijvoorbeeld, komt uit dezelfde bron als het grotere, sterkere licht. De reikwijdte, de felheid en helderheid zijn slechts afhankelijk van het medium dat het licht doorgeeft. De bron van alle licht is die ene Waarheid, de bron van alles, de basis van alles en het doel van alles; het is de werkelijkheid in alles en het centrum van alles. God of de Alziel doordringt alle schepselen als de draad in parels die als een gebedssnoer geregen zijn. Hij doordringt alle schepselen, overal, waar dan ook! Dat is de boodschap van Bharath (India). 

Bestudeer eens zorgvuldig alle teksten en geschriften van de Indiase cultuur en tradities. Probeer er dan èèn op te diepen die gewag maakt van het feit dat bevrijding (moksha) of de hoogste zelfverwerkelijking uitsluitend bereikbaar is voor hen die tot de Indiase cultuur behoren en niet voor anderen. Kun je ook maar èèn enkele regel van die strekking vinden? Wij kunnen nadrukkelijk vaststellen dat je een dergelijke uitspraak nergens zult ontdekken. De spiritualiteit van India is van een grenzeloze uitgestrektheid en is gebouwd op onmetelijk hoge idealen. Zij is een breedstromende rivier gevuld met heiligmakende gedachten die zich kalm, rechtstreeks, onverminderd en zonder onderbreking voortbeweegt naar de oceaan der goddelijke genade. Het is een tocht zonder halteplaatsen over de koninklijke route die leidt naar het hoogste doel. 

Een volgend punt is dit: God is de bron van alle spirituele principes die door Indiërs worden gehuldigd; alleen Hij is de pilaar die alles ondersteunt. Daarom hebben zij voor hun godsvertrouwen geen andere steun nodig. De Indiase spiritualiteit vormt het fundament van alle andere godsdiensten; zij neemt de meest vooraanstaande positie in. Zij heeft gezegevierd over vele vijandige vormen van geloof door deze te confronteren met een groot aantal deugdelijke argumenten en theorieën. De inwoners van Bharat hebben geen behoefte aan een godsdienst of spirituele discipline die afwijkt van hun eigen religie. Immers, nergens vind je een leefregel of een waarheid die niet reeds daar bestaat. Andere geloofsovertuigingen hebben slechts het een of andere onderdeel van de Indiase religie en principes aangenomen en deze aan mensen voorgehouden als idealen die men moest verwezenlijken. 

Wat men nooit moet vergeten, is dat de spirituele Geschriften van India de oudste ter wereld zijn. Zij bevatten de eerste studies en ontdekkingen omtrent het Atma, spreken over een persoonlijke en een onpersoonlijke God, over de gedragsregels voor individu en maatschappij, alle gebaseerd op openbaringen en ontdekkingen. In geen ander land, bij geen ander volk hebben leringen het licht gezien die zo oud zijn. Men heeft misschien wel wat vage ideeën en heeft een enkel lichtstraaltje opgevangen, maar de naam spirituele tekst of literatuur mogen deze niet dragen. De vedische literatuur geeft niet alleen een beeld van het geestelijk onderzoek dat is verricht door wijsgeren en spirituele leerlingen, maar ook van hun denkwijze, hun verlangen en streven, hun heilige worsteling en hun wereldse problemen.

3. Alleen de Ene - Aan het begin van de Indiase filosofie staat een gevoel van blijde verwondering, zoals wij dat vinden in de hymnen (riks) van de Rig Veda, de eerste openbaringen van het Indiase denken. Al deze hymnen bezingen de Goden of de 'stralende Wezens' (Devaís). Er zijn veel van zulke Devaís: Indra, Varuna, Mitra, Parjanya, om slechts enkelen te noemen. In deze riks verschijnen zij èèn voor èèn. De aanvoerder is Indra, met de bliksemschicht (vajra) als zijn wapen. Hij is de Oppermachtige die de aarde regen schenkt. Indra wordt zo genoemd omdat Hij de Meester is der zintuigen (indriya's), dat wil zeggen de menselijke geest die de zintuigen hanteert. Hij is ook bekend onder de naam Puruhutha - puru betekent 'dikwijls' en hutha 'uitgenodigdí- zodat de naam als geheel betekent: de god die het meest wordt aangeroepen. 

De denkende geest, die volkomen wordt vereenzelvigd met de zintuigen aangezien hij deze regeert, wordt in de Veda's ook vereerd als Rudra. De denkende geest maakt contact met de buitenwereld en ervaart deze via de vijf zintuigen; dit aspect van de denkende geest is het Indra-aspect. De denkende geest heeft nog een ander vermogen: hij kan de zintuigen beheersen en zich bewust worden van de universele innerlijke waarheid achter de veelvormigheid die wij de materiële wereld noemen. Dit aspect van de denkende geest wordt aangeduid als Rudra. Daarom worden Indra en Rudra in de Veda's beschreven als de Ene met twee namen. 

Ook van de andere goden kunnen wij een dergelijke beschrijving uit de Geschriften aanhalen. Toch leiden alle beschrijvingen uiteindelijk tot dezelfde conclusie. In de riks worden de goden eerst aanbeden omdat zij de heerschappij hebben over deze of gene functie; later worden zij dan meer gezien als verschillende namen en vormen van de ene God in wie alle werelden besloten liggen, de Getuige die verblijft in ieder hart, Hij die de Opperheer is der gehele schepping. Geleidelijk raken alle andere betekenissen en reacties op de achtergrond omdat zij niet meer terzake doen. 

De gedachte aan de godheid Varuna bijvoorbeeld gaat gepaard met een zekere vrees. Deze vrees ontstaat in enkele hymnen en breidt zich verder uit; maar door de wijsheid van de Arya's - de edele, spirituele zoekers - wordt zij al spoedig van ondergeschikt belang. Vele gezangen zijn een gebed gericht tot Varuna dat wordt uitgesproken door mensen die bang zijn door hem te worden gestraft voor hun zonden. Het denkbeeld van een angstaanjagende god kan echter niet gedijen op Indiase bodem. Ook niet de gedachte dat er vele verschillende goden zouden bestaan van uiteenlopende geaardheid. De cultuur van Bharat huldigde de spirituele visie dat er èèn God was (Ishvara).
Daaruit volgt: De Ene en Enige is Ishvara, de Almachtige! Dit axioma, dat er slechts Eèn kan zijn en niet velen, geldt in India sinds onheuglijke tijden. Zelfs uit de oeroude Veda- en Samhitha-literatuur blijkt dat het geloof hierin reeds eeuwen bestond. 
De idee dat er een persoonlijke god zou zijn, kwam de theoretisch en praktisch ingestelde personen van ons land voor als een tamelijk primitief, onrijp stadium in de spirituele ontwikkeling. Het was iets dat niet beantwoordde aan hun hoogste streven. Deze zienswijze, zoals wij die vinden in de openbaringen van de rishi's, is door geleerden en schrijvers van andere landen die de Veda's en aanverwante teksten hebben bestudeerd en van commentaar voorzien, niet begrepen of naar waarde geschat. Zij blijven steeds uitgaan van de vroege geloofsopvatting der 'vele goden' of van de latere opvatting omtrent 'de ene persoonlijke god'. Een Hindoe kan om zoveel onkunde slechts glimlachen. 
In de praktijk zullen zelfs degenen die op moeders schoot hebben geleerd te geloven in een god die bepaalde eigenschappen heeft, in een wezen dat een naam draagt en een herkenbare gedaante heeft, later in een hoger stadium komen en zich bewust worden van de Ene die naar men zegt 'vele namen en vormen bezit'. Alle spirituele oefeningen (sadhana's) zijn gericht op het verwerkelijken van deze waarheid. 

De Ene - alleen in Hem is deze beweeglijke stroom, deze gehele veranderende kosmos gegrondvest. Hij is de gids en de beschermer van ieder individueel bewustzijn. Toch kunnen al deze benamingen niet mèèr aanduiden dan de oppervlakkige buitenkant van de Ene. Westerlingen hebben gezegd dat de menselijke intelligentie dit gewaagde avontuur tot een goed einde kan brengen. Maar de zoekers van ons land hebben een heldendom getoond dat onvergelijkbaar was en niet aan grenzen gebonden. Dit is een feit dat iedereen zal moeten erkennen. Westerse filosofen die befaamd waren om hun gedurfde speurtochten in het rijk van de geest, hebben slechts een sprankje van deze heldenmoed te zien gegeven. Zij waren dan ook zeer verrast over het niveau dat de wijze mannen van India langs speculatieve en experimentele weg hadden bereikt. Deze gevoelens van ontzag en verwondering zijn door professor Max M¸ller [*] op charmante wijze uitgedrukt: 

'In welk ervaringsgebied hun onderzoek naar de oorzaak van al het bestaande hen ook voerde, de Indiase zoekers hebben zich dapper daarheen gewaagd. Nooit hebben zij geaarzeld alles terzijde te schuiven wat zij ervoeren als een hindernis voor het slagen van dit avontuur. Enige angst voor het oordeel van anderen kenden zij niet.' 

Max M¸ller spoorde mensen aan zich te gaan bezighouden met het zoeken naar de Allerhoogste (Bharatiya Paramartha Vahini) - de stroom van nectar die vloeit vanuit India - omdat hij geloofde dat de Indiase, geestelijke aspiranten het rechte pad bewandelden, het pad van de Waarheid. Er is slechts Eèn; de wijzen noemen Het bij vele namen (Ekam sat; viprah bahudha vadanti). 
Deze woorden zijn werkelijk vol schitterende betekenis. Dit is de grondslag van alle spirituele inspanningen die men zich eeuwenlang in India getroost heeft. Ook zelfs de geloofstheorie en -praktijk die zich in de komende jaren over de wereld zullen verspreiden, met ongekend grote, zegenrijke gevolgen, hebben als basis dit grote axioma dat lang, lang geleden is vastgesteld door de zieners van India. 

Er verschenen vedische lofzangen (riks) op de verschillende goddelijke wezens en goddelijke krachten, omdat de zieners wisten dat Hij die als Enige bestaat, door ieder afzonderlijk individu slechts gekend kan worden vanuit zijn of haar eigen gezichtshoek. Dat standpunt verschilt voor iedere persoon en is afhankelijk van het stadium dat men heeft bereikt in het zuiveren en verhelderen van zijn geestelijke visie. Door bovenstaande plechtige bekendmaking maakten zij de wereld deelgenoot van hun ontdekking dat die Ene het onderwerp is dat door alle wijzen en heiligen, alle zieners en dichters, psalmisten en toonkunstenaars is aanbeden en geprezen; in verschillende talen, in uiteenlopende gemoedsgesteldheid, met een grote verscheidenheid aan uitingsvormen. Bovengenoemde stelling: Ekam sat; viprah bahudha vadanti, had voor de gehele wereld een aantal gevolgen van de grootste betekenis. Velen zijn bijvoorbeeld verbaasd dat India het enige land is waar religieus fanatisme ontbreekt, en waar niemand een ander zal hinderen of kwetsen wanneer hij zijn godsdienstige verplichtingen nakomt. Er leven in dit land theïsten, atheïsten, dualisten, non-dualisten, monotheïsten en vele anderen. Zij leven allen in vrede en harmonie, zonder elkaar te kwetsen. 

Er stonden materialistisch-denkende mensen op de trappen van tempels die door brahmanen als heilig werden beschouwd en regelmatig bezocht; deze mensen beschimpten en loochenden God. Zij riepen alle mensen op om hen daarin te volgen. Zij verklaarden dat de godsgedachte berustte op de fantasievoorstelling van een geestesgestoorde. Zij verwierpen God, de Geschriften, de regels der rechtschapenheid, rechtvaardigheid en andere leidende principes; zij zeiden dat het allemaal bijgeloof was, door brahmanen gemaakt en ontwikkeld voor hun eigen verheerlijking. Zij reisden kriskras door het land om deze ideeën te verspreiden en er was niemand die hen daarin hinderde. 
Het Boeddhisme, dat alle geloofsopvattingen en ritueel van het hindoeïsme systematisch afwees, liet men zijn gang gaan en bejegende het vol respect. Ook de Jains weigerden de Veda's en de vedische Godenwereld te accepteren. Zij vroegen spottend hoe het mogelijk was dat er zulke Goden bestonden en hoe je daar nu in kon geloven. 
Er zijn ontelbare andere voorbeelden te geven van de geest van verdraagzaamheid die rechtstreeks voortkwam uit de veelzeggende woorden die hierboven zijn geciteerd. Voordat de verwoesting aanrichtende moslimlegers hier binnenvielen, wist niemand in dit land van Bharat wat er bedoeld werd met geweldpleging. Pas nadat zij door vreemde horden waren overvallen die geweld gebruikten, leerde deze bevolking hoe onverdraagzaam mensen kunnen zijn. 

Het waren hindoes die de christenen hielpen om in India kerken te bouwen. Zij toonden zich bereid met christenen samen te werken. De bewijzen daarvan zijn door het gehele land te vinden. In de omgang met christenen is er nooit enige sprake geweest van bloedvergieten. Het Indiase denken, gericht als het was op de hoogste Waarheid, liet zich niet vervuilen door het aanwenden van geweld. Een ieder die dit bevestigd wil zien en wil begrijpen hoe groot de waarde is van deze levenshouding, moet helder kunnen denken en over een krachtig intellect beschikken. 
De boeddhisten, die de eersten waren die een godsdienst gingen uitdragen, verspreidden hun geloof door met hun boodschap de gehele wereld af te reizen. Die godsdienst kwam in alle landen die destijds bekend stonden om hun hoge beschaving. De monniken die het gewaagd hadden die landen binnen te gaan, werden gemarteld; op keizerlijk bevel werden er honderden gedood. Het duurde echter niet lang of het boeddhisme werd gunstig ontvangen. Deze religie leerde dat men geweld streng moet mijden. Toen werd de Boeddha gezien als een God, als èèn der namen voor de Ene die, zoals de vedische spreuk luidt, vele namen heeft. (Ekam sat; viprah bahudha vadanti). Hij was Indra, Hij was Rudra. Zo bracht deze belangrijkste openbaring der zieners ze allen bijeen. Moge de mensheid deze woorden eeuwig in herinnering houden! 

Indiërs, mensen die opgegroeid zijn in de Indiase cultuur, hebben een diepgeworteld geloof in de gelijkwaardigheid van alle vormen van religie. Of het nu het Hindoeïsme betreft, het Boeddhisme, de Islam, de leer van Zoroaster of het Christendom, zij geloven dat niemand lichtvaardig mag spreken over het aanbidden van God. Zij geloven dat wanneer iemand zich luchthartig uitlaat over een naam of vorm van God die door anderen wordt vereerd, hij daarmee de ene God belastert. Dat was de centrale gedachte die in het Indiase spirituele leven werd hooggehouden. Zij die deze hebben geleerd en zich in de praktijk houden aan die waarheid, zijn de echte zoons en dochters van India. 

Niet iedereen kan deze waarheid vatten; het is niet voor iedereen weggelegd het antwoord te vinden op vragen als: Wie regeert het universum? Wie bevindt zich buiten het heelal en bestuurt het? Welke oorzaak ligt ten grondslag aan het bestaan van de kosmos? Waar ligt de oorsprong? Hoe kwam dit alles tot stand? Wat is de oorzaak van ons bestaan? Er zijn in de Veda's veel verzen waarin deze raadsels worden besproken en de bewoners van India hebben deze grondig bestudeerd. 

Scheppen betekent het samenvoegen van stoffen; alles wat is samengevoegd, moet na verloop van tijd weer uiteenvallen en vrijkomen. Het individu wordt geschapen, dus moet het daarna sterven en desintegreren. Nu worden sommigen geboren als vreugdevolle schepsels. Sommigen leiden een gezond en gelukkig leven. Anderen zijn diep ongelukkig als zij geboren worden. Er zijn er die op de wereld komen zonder handen of benen. Sommigen zijn bij de geboorte zwakzinnig of geestelijk gehandicapt. Wie heeft hun die pijn toegebracht of hen gekwetst en beschadigd? 
Er wordt wijd en zijd verkondigd dat God rechtvaardig is en de mens welgezind. Dus kun je de vraag stellen hoe een dergelijke God ooit partijdig kan zijn en bevooroordeeld. [BG 9:29] Hoe kan er in dit goddelijke rijk, dat door Hem bestuurd wordt, ooit ruimte zijn voor zoveel verschil in behandeling? Deze twijfel is heel natuurlijk. Aan de wijsgeren van Bharat, wier geestelijke visie het denken van dit land vorm heeft gegeven, werd echter geopenbaard dat God deze verschillen niet heeft teweeggebracht. Zij zijn het gevolg van daden waaraan het individu zich heeft overgegeven in levens die voorafgingen aan het huidige. Uit die levens komen zijn geluk en verdriet voort, zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid, of zijn gebreken. [karma] 

Zowel goed als kwaad wordt door de mens zelf veroorzaakt. Het zijn de resultaten van de dingen die hij in vroegere incarnaties heeft gedaan. Kan het lichaam van een mens, zijn algemene toestand, de voor- en tegenspoed die hij in zijn leven ondervindt, kunnen al deze dingen niet de optelsom zijn van beslissende invloeden en neigingen die hij van vroeger heeft meegebracht? Wanneer wij over dit onderwerp nadenken, is het alsof er twee elementen als parallellopende lijnen voor ons liggen: de mentale en de stoffelijke. Wanneer wij in het materialisme een bevredigend antwoord kunnen vinden op alle vragen met betrekking tot de menselijke natuur met zijn bijzondere eigenschappen, is er geen grond te geloven dat er nog een factor in het spel is die Atma of Ziel genoemd wordt! Het is echter onmogelijk om aan te tonen dat het vermogen om te denken bijvoorbeeld, zich heeft ontwikkeld vanuit de materie. 

Wanneer wij een bepaald soort werk bij herhaling blijven doen, ontstaat daaruit langzamerhand een gewoonte en een vaardigheid, of niet? Derhalve moet de bepaalde vaardigheid of gewoonte die een pasgeborene aan de dag legt, te danken zijn aan het feit dat hij die handelingen langgeleden constant herhaald heeft. Dat oefenen heeft dan natuurlijk plaatsgevonden in een vorig leven of in meerdere levens. Daarom is het nodig duidelijk vast te stellen dat het geloof in vroegere en toekomstige levens op waarheid berust en geldt voor alle levende schepsels. Dat is in het religieuze denken van Indiërs een basisprincipe. 

4. Het Wonder der Wonderen - Indiërs, de kinderen van Bharat, geloven dat zij, ieder afzonderlijk, het Atma zijn. Zij zijn zich ervan bewust dat het Atma niet in tweeën gespleten kan worden door een zwaard, dat vuur het niet kan verbranden, water het niet kan natmaken en dat de wind het niet kan uitdrogen. Het Atma kent geen grenzen. Het heeft zijn centrum in het lichaam, maar de buitenste grens is nergens. Dood zijn betekent dat het Atma zich verplaatst heeft van het ene lichaam naar het andere. Dat geloof is in het denken van iedere Indiër vast verankerd. 

Het Atma is niet gebonden aan materiële of wereldlijke beperkingen of wetten. Het is in diepste wezen vrij. Het staat voor ongebondenheid, reinheid, heiligheid, volkomenheid. Daar Het echter in relatie staat tot stoffelijke, inerte lichamen, verbeeldt Het zich dat Het ook een product is dat uit materie is samengesteld. Dat nu is het wonder, het mysterie, het mirakel waarvan Het getuigt! Het is aan niemand gegeven om dit mysterie te ontraadselen en dit wonder te verklaren. 

Hoe heeft de volkomenheid (purna) van het Atma verstrikt kunnen raken in de waan dat Het onvolkomen (apurna) is, dat Het slechts een deel is en niet volledig? Wanneer de inwoners van Bharat zeggen dat de idee van onvolkomenheid nooit in hen kan opkomen, zijn er misschien mensen die hen ervan beschuldigen dat zij zich uit een onmogelijke situatie willen draaien. Wellicht zeggen zij dat het listig bedacht is om het feit te verhullen dat zij de hoogste waarheid niet kennen. Hoe kan de hoogste zuiverheid, het ondeelbare, ook maar iets van zijn aard verliezen? De inwoners van Bharat zijn eenvoudig en oprecht. Zij zijn zelden gekunsteld, onecht. Zij zouden nooit proberen onder een situatie uit te komen met schoonschijnende argumenten. Zij hebben de moed om elk willekeurig probleem waarmee zij geconfronteerd worden manhaftig onder ogen te zien. Daarom luidt het antwoord op deze probleemstelling: deze illusie - dat het Atma zichzelf zou zien als gedeeltelijk - kan niet bestaan! De vergissing om 'onvolkomenheid' toe te schrijven aan 'het volkomene' mist elke grond. De entiteit die zichzelf vol en volledig noemt, het Atma, kan zichzelf niet voorstellen dat het gebrekkig is en niet-volkomen. Het kan niet van zichzelf vinden dat het begrensd is en beheerst wordt door het stoffelijk omhulsel waarvan het zelf de kern is. 

Iedere persoon weet dat hij zichzelf ziet als een lichaam. Kan iemand ons duidelijk vertellen hoe die idee is ontstaan en is blijven bestaan? Er is niemand die op deze vraag een antwoord heeft. Wanneer wij, zoals sommigen doen, beweren dat het de wil van God is, dan geeft dat geen antwoord op de vraag. Wanneer je ronduit zegt: 'Ik weet het niet', zeg je in feite hetzelfde als 'het is de wil van God'. Uit die laatste woorden word je niet wijzer dan uit de eerste. Waar het om gaat is dit: het Atma in het individu (Jivatma) is eeuwig, onsterfelijk, volkomen. Er is geen dood; wat men voor dood aanziet, is het verhuizen van de atmische kern. 

Onze huidige conditie en omstandigheden worden bepaald door de daden die wij in voorgaande levens hebben verricht. Op vergelijkbare wijze worden de omstandigheden waaronder wij in de toekomst moeten leven, bepaald door alles wat wij nu doen. Tussen het ene leven en het volgende, tussen het ene overlijden en het andere, gaat het individu vooruit of valt terug, het verruimt zichzelf of het krimpt in. Als een zwak schip dat op zee in een storm is terechtgekomen, klimt de mens naar de schuimende top van een reusachtige golf en het volgende ogenblik wordt hij met schrikbarende snelheid in het diepste dal gesmeten. Dit stijgen en dalen is het onontkoombare gevolg van zijn goede en zijn slechte daden. 

O, gij kinderen der onsterfelijkheid! Luister! Luister naar de boodschap van de rishi's; zij hebben een visioen gehad van de hoogste majesteit (Purushottama) die verblijft buiten het rijk der duisternis en zinsbegoocheling. 
'O, gij menselijke wezens! Broeders! Als jullie jezelf willen bevrijden uit de opeenvolging van geboorte en dood, is de enige weg die openstaat: Hem te kennen. 
Denk niet dat jullie zondaars zijn, want de eeuwige gelukzaligheid (ananda) is jullie erfrecht. Jullie zijn 'evenbeelden' van God die deel hebben aan het onuitputtelijke, hoogste geluk. Jullie zijn in wezen heilig, altijd volkomen. Jullie zijn werkelijk God die op aarde wandelt. Is er een grotere zonde denkbaar dan wezens als jullie zondaars te noemen? Verwerp het gevoel dat je een schaap bent; laat je door die idee niet van de wijs brengen. Jullie zijn het Atma, druppels van de nectar der onsterfelijkheid, wezens die geen begin en geen einde kennen. Alle materiële dingen zijn volkomen aan jullie onderworpen; jullie zijn geen slaven van de materie.' 

Zo spreken de rishi's. Hoe kunnen mensen die niet intensief naar deze waarheid gezocht hebben, deze uitleg van Indiërs begrijpen? Indiërs zijn de gelukkigen die zich grote geestelijke kracht verworven hebben doordat zij God beschouwden als hun vader, moeder, goeroe, vriend en geliefde. Zij hebben altijd God aanbeden als degene die hen hier op aarde en in het hiernamaals dierbaarder is dan iemand of iets anders. Hoe kunnen mensen die zich alleen bewust zijn van het plezier dat de zintuigen geven, kennis dragen van deze meest verheven Waarheid? Door het hunkeren naar zintuiglijke genoegens wordt de Waarheid aan het innerlijk oog onttrokken. Deze hunkering treedt op talloos verschillende manieren aan de dag, schept steeds meer hevige verlangens die voortdurend dwingen tot handelen. Zij houden de waarheid verborgen als achter een dik gordijn. 


Het betekent een grote spirituele stap vooruit wanneer wij erkennen dat dit gordijn er is. Dat is het mâyâ-element waarover de leer der Veda's spreekt. Sinds onheuglijke tijden heeft dit gordijn de waarheid voor de mens verborgen gehouden, terwijl zij toch zo voor de hand lag. Reeds eeuwen geleden hebben Indiërs ontdekt dat hier het voornaamste obstakel ligt. Hoe moet dit gordijn worden verwijderd, zodat wij de werkelijkheid kunnen waarnemen? Indiërs wisten dat het antwoord niet te vinden is in de objectieve, uiterlijke wereld en dat het daarom zinloos zou zijn daar te zoeken. Al blijf je honderden jaren zoeken in de stoffelijke wereld, het levert geen resultaat op. Je wordt immers alleen overtuigd door de innerlijke ervaring. 

Voor het verkrijgen van geestelijke ervaring, legden Indiërs zich strikte onthouding op en begonnen streng gedisciplineerd onderzoek te doen totdat zij de waarheid onderkenden, en deze verkondigden zij aan de wereld. Zij zwoeren alle zintuiglijke impulsen af, evenals de veelsoortige verleiding die verbonden is met het actieve bezigzijn in de materiële wereld. Dat was de les die zij aan de wereld meegaven. Voor deze Indiase speurders was de denkende geest het instrument waarmee die verborgen kennis te voorschijn gebracht kon worden, de grondslag van de hoogste wijsheid die zij beschouwden als hun kostbaarste bezit. Nu werd het dringend nodig dat zij zich met het menselijk denken zelf gingen bezighouden. Zij moesten nagaan wat het was en welke eigenschappen het bezat. Al spoedig beseften zij dat het bestuderen van de uiterlijke wereld nergens toe leidde. Toen richtten zij hun aandacht op de innerlijke wereld, de wereld van het bewustzijn. Op deze wijze legden zij het fundament voor het vedantische, filosofische denken. 

Het is niet nodig om de waarheid ergens anders te zoeken. Zoek in de mens zelf; hij is het wonder der wonderen. Alles wat zich niet in de mens bevindt, is buiten hem ook nergens te vinden. Alles wat in de buitenwereld te zien is, is slechts een grove afspiegeling van de werkelijkheid in zijn binnenste! Langgeleden geloofde men dat God (Ishvara) de wereld regeerde en dat Hijzelf erbuiten stond. Deze gedachte werd door de Indiase denkers gedurende hun sadhana aan de werkelijkheid getoetst. Toen kwam aan het licht dat God in de wereld was en is, en dat Hij er ook toe behoort. Dit is de eerste bijdrage die Indiërs aan het spirituele denken in deze wereld hebben geleverd: God bevindt zich niet buiten de mens, maar Hij is zijn diepste wezen. Zij verklaarden dat Hij onmogelijk verwijderd kan worden uit het hart waarin Hij woont. Hij is de Opperziel van onze ziel; Hij is de innerlijke Werkelijkheid in ieder van ons.


Mensen die vurig verlangen het hoogste inzicht te krijgen in de vedantische filosofie, moeten eerst enkele fundamentele ideeën goed begrijpen. Filosofie is geen boek; het is ook niet het werk van èèn persoon. Manu (plaatje), de verhevene, heeft dit land van Bharat Brahmavarta genoemd, de landstreek van Brahmâ, het spirituele gebied waar het zoeken begonnen is naar de Ene, het inwonende en alles ontstijgende principe, en waar het ook gevonden is. Vanuit dit land van Bharat kwam een bonte, feestelijke stoet op gang van heiligen die zich met dit innerlijk speuren bezighielden. Deze stoet marcheerde van hieruit over alle continenten. Zoals machtige rivieren ontspringen in enorme bergketens, zo ontsprong deze stroom van spirituele oefening, gericht op het ontdekken van de hogere waarheid, hier in dit land. Het heeft zijn spirituele boodschap aan de wereld verkondigd met het zelfvertrouwen en de durf van donderslagen uit dikke wolkenmassa's. Toen vijandige grootmachten Bharat binnenstormden, wist dit heilige land de slag te overleven. Het moest zich dapper teweerstellen en kreeg veel agressie te verduren. Vele malen moest het de aanvallen verdragen van invasielegers. Daarbij werd het ernstige schade en veel leed toegebracht. Ondanks dit alles heeft ons land zijn roem en glorie niet geheel verloren en is krachtig en standvastig op deze weg voortgegaan. Het was vanuit dit land dat de grote Nanak, die de belichaming was van gelijkmoedigheid en mededogen, zijn grootse, wondermooie boodschap der Liefde predikte. Een hart dat het gehele universum omsloot, kwam in dit land tot bloei. De Bharatiya's, de kinderen van dit land, erfgenamen van deze cultuur, openden hun armen wijd om niet alleen de hindoe-filosofie te omsluiten, maar eveneens die van de Islam. Goeroe Govind Singh behoorde tot hen die tot het bittere einde de hindoe-cultuur heldhaftig verdedigd hebben. Hij liet zich niet weerhouden door de martelingen die hem dwongen zijn eigen bloed te vergieten en dat van hen die hij liefhad. De mensen voor wie hij deze kwellingen onderging, lieten hem in de steek. Toch sprak hij tegen zijn landgenoten geen woord van verwijt, maar begaf zich naar de Deccan-hoogvlakte en gaf de geest, zoals de koning der dieren sterft wanneer hij in zijn hart geraakt is. Moge de roem van deze man eeuwig op aarde voortleven! Aan zulke vooraanstaande volksleiders is de gehele mensheid dank verschuldigd, omdat zij zich in dienst stellen van alle mensen, waar zij zich ook bevinden. 

Zoals ieder individu als schepsel uniek is, zo bezit ook ieder afzonderlijk volk een uniek karakter. Iedere persoon verschilt in bepaalde opzichten van anderen en is begiftigd met een aantal specifieke karaktereigenschappen die alleen hij heeft. Zo heeft ook elke natie bepaalde speciale kenmerken die bij andere ontbreken. Ieder individu moet een rol vervullen als deel van het geheel. Zijn eigen vroegere handelingen (karma) hebben een zekere levenslijn voor hem uitgestippeld die zijn weg bepaalt. Zo is het ook gesteld met de geschiedenis der volkeren. Ieder volk heeft een rol te spelen die reeds in zijn lotsbestemming is vastgelegd. Elke natie heeft een bepaalde eigen boodschap over te brengen aan de wereldgemeenschap. Daarom is het belangrijk dat de bewoners van Bharat vÛÛr alles beseffen welke rol ons volk moet vervullen, welke melodie het moet spelen in het wereldorkest van vrede en geluk. Allen die hebben geluisterd naar verhalen voor kinderen, zullen wel eens gehoord hebben dat bepaalde slangen edelstenen in hun schild hebben en dat het niet mogelijk is deze te doden zolang de kostbare stenen hun schild versieren. Wanneer jullie dit goed in gedachten houden, zullen jullie ook het meest wonderbaarlijke feit in de geschiedenis der mensheid kunnen begrijpen, namelijk dat de spirituele cultuur van India de eeuwen heeft getrotseerd. 

5. De Basis van het Geloof - Eeuwenlang heeft de islam zich hardnekkig verzet tegen de Sanathana Dharma - de eeuwige goddelijke wetten. Het probleem werd nog vergroot door de politieke onderwerping van de hindoes. De roep 'Allaho-Akbar' weergalmde overal en vormde een rechtstreekse bedreiging voor de cultuur van Bharat die de zieners door de eeuwen heen hadden bewaard. Er is geen ander volk geweest dat zolang in diepe angst heeft geleefd. Maar de eeuwige rechtschapenheid (dharma) van dit land, altijd fris en vitaal, heeft de beproevingen doorstaan en tegenwoordig is deze Sanathana Dharma even levensvatbaar en waardevol als ooit. Deze is in staat elke uitdaging te aanvaarden, uit welke richting die ook komt. De tekenen wijzen erop dat deze cultuur in onze tijd een krachtige, overheersende rol speelt. Zij is zelfs zover gereed dat zij kan voortmarcheren om haar positieve invloed op grotere terreinen uit te oefenen. Uitbreiding is immers een teken van leven! 

Theorie en praktijk van de Indiase cultuur, de levensopvattingen en gevoelens die daarin als een heilige schat worden bewaard, blijven in deze tijd niet rustig binnen de grenzen van dit subcontinent. Of wij het prettig vinden of niet, zij vinden hun weg naar andere landen en worden daar gemeengoed. De voornaamste ideeën, de belangrijkste Indiase denkbeelden, dringen door tot de literatuur van die volkeren en beïnvloeden hun denkwijze. In een paar landen en bij enkele volkeren hebben deze ideeën zelfs zonder enige tegenstand een dominerende plaats gekregen. Als bijdrage aan de vrede en welvaart van de gehele wereld, heeft Bharat een hoeveelheid spirituele wijsheid te bieden van onschatbare waarde. Deze bijdrage heeft een grotere zielsverheffende functie dan die van enig ander land. Zij is van fundamenteel belang, dringender nodig en kostbaarder dan alles wat andere naties te geven hebben. Dit feit begint de gehele mensheid nu langzamerhand duidelijk te worden. 

De vroege voorvaderen van ons land hadden ook geen aversie tegen andere problemen. Evenals andere volkeren probeerden ook zij de geheimen van de stoffelijke wereld te ontsluieren. En ook op dit gebied verkreeg dit verbazingwekkende volk met de inzet van zijn scherpzinnig intellect resultaten die de stoutste dromen van mensen in andere landen overtroffen. 

Het einddoel van onderwijs en opvoeding, het hoogste streven van alle kennisoverdracht, is de mens bewust te maken van het 'universele in hem wonende onpersoonlijke principe'. Dat is de waarheid die de Veda's met luide stem verkondigen. De zieners en wijsgeren van Bharat begonnen onverschrokken aan dit avontuur. De eeuwig wisselende facetten van de natuur, het ontstaan en vergaan die zij bewerkstelligt, zijn misschien een prachtig onderwerp voor studie. Maar onze wijzen verkondigden dat het alles overstijgende principe dat het universum doordringt, de onveranderlijke eeuwigheid, de belichaming van onsterfelijke, onvergankelijke ananda, verblijfplaats van de onaantastbare, onverminderde vrede, de laatste toevlucht van de individuele Ziel (jivi) - de hoogste vorm van wetenschap is die de mens moet verwerven. 

De kennis omtrent principes die van kracht zijn in de stoffelijke wereld kan mensen hoogstens voorzien van voedsel en kleding. Hierdoor leren mensen de wegen en middelen kennen om deze te verschaffen. Dit leidt weer tot uitbuiting van de zwakken door de sterkeren. Wanneer de bewoners van Bharat al hun energie hadden gericht op het ontdekken van geheimen op materieel gebied, zouden zij daarin gemakkelijk hun meesterschap bewezen hebben. 

Reeds vrij vroeg kwam het Indiase volk tot de erkenning dat het van secundair belang was in die richting te zoeken en dat spiritueel onderzoek op de eerste plaats behoorde te komen. Zij kwamen tot de slotsom dat het navorsen van de geheimen der uiterlijke wereld niet de levensopgave was van de ware Indiër. Dit inzicht heeft India roem en eer gebracht. In andere landen was men niet in staat het gebied zelfs oppervlakkig te verkennen. Evenals de legendarische Prahlâda hebben Indiërs altijd het vermogen gehad vuurproeven te doorstaan en ongedeerd te voorschijn te komen uit martelingen die eeuwenlang voortduurden. Mensen zonder die spirituele gerichtheid werden niet als Bharatiya erkend. 
In het buitenland waren er velen die geloofden dat Indiërs meer politiek dan spiritueel geˆrienteerd waren. Zij dachten dat slechts een kleine minderheid spiritueel geïnteresseerd was; dat was een verkeerde veronderstelling. In India is men immers altijd uitgegaan van de regel dat een leefwijze gericht op spiritualiteit de allereerste plicht was van iedere Indiër. Hadden Bharatiya's eenmaal aan die eis voldaan, dan meenden zij elke kans te moeten aangrijpen om hun spirituele capaciteiten te versterken en te vergroten. En dat is nu precies wat er in het verleden is gebeurd. 

Vroeger bedoelde men met nationale integratie, dat alle spirituele energie en streven van alle zoekers verspreid door het gehele land werd samengebracht en geconcentreerd. Het woord 'natie' betekende in India het groepsgewijs samenvoegen van harten die gezamenlijk slaan op de maat van hetzelfde lied, harten die meetrillen op dezelfde golflengte en daarom reageren op dezelfde spirituele boodschap. De hoofdgedachten die in dit geloof werden verbreid, waren ruim als het uitspansel en eeuwigdurend als de schepping. Deze waarheden werden op velerlei indringende manieren uiteengezet en nauwkeurig en diepgaand van commentaar voorzien. Maar juist omdat deze waarheden werden ontdekt en vastgesteld door mensen die een weidse visie hadden ontwikkeld, was het onvermijdelijk dat er nieuwe vormen van geloof ontstonden op de basis die zij hadden gelegd. 

Verscheidenheid in opvattingen en levenspraktijk is een natuurlijke zaak en deze behoort men blijmoedig te aanvaarden. Er is geen enkele behoefte aan een star, geharnast geloof. Maar er is helaas geen ruimte voor een allesomvattend geloof. Wanneer mensen van verschillende levensopvatting elkaar bestrijden, zal dat een land nooit vrede en welvaart brengen. Zonder geloofsvrijheid kan de wereld zich niet ontplooien. India leerde dat een kleine groep nooit de alleenheerschappij over de onuitputtelijke, natuurlijke hulpbronnen van deze wereld mag hebben. India heeft altijd gezegd dat om een gemeenschap effectief te laten functioneren, de te verrichten arbeid verdeeld moest worden onder verschillende groepen van de bevolking en dat ieder deel van de samenleving tot taak had zijn bijdrage te leveren aan het welzijn van allen. Dit maakte een grotere verscheidenheid mogelijk en bood meer kans tot samenwerking. Die verschillen werden goed bevonden voor het praktisch gebruik van de spirituele vermogens en mogelijkheden. Groepsdenken en groepsstrijd is dus niet nodig. Bovendien bestaat die verscheidenheid slechts aan de oppervlakte. Er is een betoverend besef van mysterie, dat deze verscheidenheid kan onderzoeken en de sleutel kan ontdekken om de Ene achter de velen te zien. Dat, zeggen de oude teksten, is het kostbaarste wat de mens geopenbaard kan worden. 
Alleen de Ene bestaat. Wijze mannen beschrijven Het op veel verschillende wijzen (Ekam sat: viprah bahudha vadanti). 

Derhalve kan men gerust stellen dat de religie van de Bharatiya's de enige is die alle andere geloofsvormen aanvaardt en met eerbied behandelt. Wanneer wij met betrekking tot ons eigen geloof, of dat van anderen, verdeeldheid en fanatisme in ons hart toelaten, bezorgen wij als afstammelingen van zulke wijze voorvaderen onszelf een slechte naam. Of wij nu de klassieke vedantische geloofsregels aanhangen of een modernere richting in de vedantische filosofie volgen, toch zullen wij bepaalde universele waarheden altijd in gedachten moeten houden. Allen die de naam Hindoe dragen, moeten in deze basis geloven en in overeenstemming daarmee hun leven inrichten. Mogen zij de wil tonen om zo te handelen. 

1. De eerste regel is: Bharatiya's staan niet op het standpunt dat iedereen zich behoort te houden aan èèn en dezelfde opvatting, of moet blijven bij èèn enkele vertolking of tekstverklaring, met uitsluiting van elke andere uitleg of invalshoek, of dat iemands leefwijze tot in de kleinste bijzonderheden moet worden goedgekeurd door èèn bepaalde persoon of groep. In de cultuur van Bharat is het een afschuwelijke zonde om in spirituele aangelegenheden druk uit te oefenen op wie dan ook. 

2. Het volgende punt is dit: De Veda's onderwijzen de mens in de leer van de eeuwige, universele rechtschapenheid (dharma). Het geheel van heilige teksten dat men de vedische leringen noemt, bestond reeds bij de schepping; niemand kan het begin of het einde ervan vaststellen. Al het zoeken in de wereld van geest en ziel, op de hoofd- en zijpaden van de religie, vindt daarin zijn vervulling en zijn einde. Iedereen die de Vedaís bestudeert en in praktijk brengt, moet onvermijdelijk tot deze conclusie komen. Voor alle problemen die ontstaan door verschil in spirituele benadering, ontvangen we het overtuigende antwoord rechtstreeks uit de vedische teksten. Men kan van mening verschillen over de vraag welk deel van de Veda's voor het onderhavige probleem het beslissende woord spreekt. Mensen van de ene geloofsrichting vinden bepaalde hoofdstukken wellicht verhevener en heiliger dan andere. Niettemin zijn zij allen broeders en hebben zij allen evenveel recht op de leringen en lessen die de Veda's hun bieden. 

Alles wat in onze tijd geldt als zielsverheffend en weldadig, alles wat heilig is, reinigend en veredelend, is tot ons gekomen vanuit en door middel van deze wondermooie teksten uit vroeger tijden. Wat kunnen kleine meningsverschillen over minder belangrijke zaken nog voor scheuring teweegbrengen wanneer wij hiervan overtuigd zijn? Dat is de reden waarom wij de vedische lessen en principes algemene bekendheid moeten geven, zodat zij zich tot in de verste uithoeken van de aarde zullen verbreiden. 

3. In de Veda's gaat het om de Allerhoogste (Ishvara). Daarin wordt uiteengezet dat Hij het universum geschapen heeft en het onderhoudt; dat het na verloop van tijd weer in Hem opgaat en dat bovendien deze verbazingwekkende kosmos zijn gestalte is waarmee Hij zich aan ons manifesteert. Wij hebben misschien ieder weer andere ideeën over het wezen en de eigenschappen van deze Allerhoogste. De èèn stelt zich wellicht voor dat Hij een menselijk wezen is met een menselijk karakter. De ander gelooft misschien dat Hij de Opperheer is, zonder vorm, die de bovenmenselijke eigenschappen vertegenwoordigt. Al deze mensen kunnen in de Vedaís teksten vinden waarin hun zienswijze wordt bevestigd. Blijft toch het feit dat zij, ondanks hun uiteenlopend inzicht, allen geloven in God. Dat wil zeggen dat zij allen zonder aarzeling geloven dat er een alles overstijgende eeuwige Macht bestaat; dat de ons omringende wereld daaruit is ontstaan, en dat dit alles er weer in moet opgaan. Dat geloof is het ware kenmerk van de Bharatiya. Iemand die hiervan niet overtuigd is geraakt, heeft geen recht op de naam Bharatiya. Die persoon mag geen Hindoe heten. 

Wat voor aard en eigenschappen heeft dan die Ishvara zoals jullie die leren? Deze vraag doet voor ons weinig ter zake; hij [de vraag] is niet zo belangrijk. Laten wij niet gaan redetwisten over de verschillende standpunten die mensen van elkaar gescheiden houden. Het moet ons genoeg zijn dat Ishvara algemeen wordt aanvaard en een vooraanstaande plaats inneemt. Want hoewel de ene schets of beschrijving misschien beter en duidelijker is dan de andere, kan geen enkele beschrijving of schets 'slecht' zijn. De eerste is in zo'n geval wellicht 'goed', de tweede 'beter' en de derde de 'beste'. In dit steeds stromende avontuur van de Indiase spiritualiteit verdient geen enkele beschrijving of voorstelling het stempel 'slecht en onaanvaardbaar'. Het is om deze reden dat Ishvara zijn genade doet neerdalen op allen die een goddelijke naam of vorm onderwijzen die zo waardevol en heilig is dat hij mensen aantrekt en inspireert. Moge deze vorm van geloof meer en meer groeien. Immers, hoe meer men ernaar handelt, des te meer spirituele vooruitgang het brengt. Alleen moet het streven wel gericht zijn op God of Ishvara. 

4. Je wordt niet geschikt om een spirituele speurtocht te beginnen doordat je rijk bent en je wordt daarvoor niet ongeschikt vanwege je armoede. Deze waarheid moet worden overgebracht op alle kinderen van Indiase ouders; zij behoren met deze ruimhartige opvatting op te groeien. 

5. Het geloof zoals dit wordt gekoesterd door mensen uit andere landen, dat het universum een paar duizend jaar geleden vorm heeft gekregen en dat het op een zeker moment in de toekomst onherroepelijk en voor eeuwig ten onder zal gaan, wordt door de bewoners van India niet aanvaard. Bharatiya's geloven niet in de theorie dat het universum uit het niets is ontstaan. Zij geloven dat deze objectieve schepping begin-loos en eind-loos is en dat zij volgens de wetten der evolutie mettertijd van het grofstoffelijke zal terugkeren naar het fijnstoffelijke niveau, om zich vervolgens, na een periode in dat stadium, terug te trekken in de causale sfeer waaruit zij is voortgekomen. Vanuit de Ene waarin zij is opgegaan, manifesteert de schepping zich geleidelijk als veelheid, via het fijnstoffelijke en grofstoffelijke uitdrukkingsstadium. 

6. Godsdienst betekent Ervaring - Sinds het begin der tijden is er een golfbeweging geweest van voortstuwen en terugtrekken, van opkomen en wegvloeien; deze zal pas ten einde zijn wanneer de Tijd ten einde gekomen is; het is een eigenschap van de eeuwigheid - zo geloven het de Bharatiya's. De mens is meer dan dit grofstoffelijke lichaam; daarin bevindt zich een fijnstoffelijk element, de denkende geest. Binnen die denkende geest is een element van nog fijnere structuur, de individuele Ziel (Jivatma), de bron van energie en dadendrang; deze Jivatma is zonder begin of einde en kent dood noch geboorte. Dat is in India de grondslag van het geloof. 

Een volgend geloofsartikel is een uniek kenmerk van de Indiase geestelijke uitrusting: Tot aan het ogenblik dat de individuele Ziel wordt verlost uit het verpersoonlijkingsproces en opgaat in het universele Principe, zodat hij de volkomen bevrijding (moksha) kan bereiken, zal hij zich moeten opsluiten in het ene lichaam na het andere en wordt gedwongen het proces te ondergaan dat wij 'leven' noemen. Dit is een gedachte die bij geen ander volk leeft. Het gaat hier om het begrip samsara, dat in de Shastra's, de oude teksten, wordt geopenbaard en verkondigd. Samsara betekent: het voortbewegen van de ene vorm naar de andere. Alle filosofische richtingen en sekten onder het Indiase volk aanvaarden het feit dat Zielen (Atma's) - ogenschijnlijk behorend bij een persoon - in wezen eeuwig zijn en onaantastbaar voor verandering. Er is mogelijk wel enig verschil in de wijze waarop zij de relatie tussen Atma en God (Ishvara) beschrijven of aanduiden. De ene denkrichting stelt wellicht dat deze twee altijd apart blijven; een andere verklaart misschien dat de individuele Ziel (Jivatma) een vonk is van het universele vuur dat Ishvara heet; een derde kan beweren dat deze twee niet van elkaar verschillen. De hoogste Waarheid blijft echter dat het Atma zonder begin is en zonder einde; en daar het niet geboren wordt, kent het ook geen dood. Het persoonlijke evenbeeld zal moeten evolueren via een reeks van lichamen, totdat zij haar voltooiing heeft gevonden in de mens. Alle denkrichtingen zijn het met deze stelling eens, hoe gevarieerd hun andere interpretaties ook zijn. 

Nu komen wij bij de luisterrijkste van al deze waarheden, de verbazingwekkendste grondgedachte die het menselijk intellect op spiritueel gebied heeft kunnen blootleggen: het Atma is van nature reinheid, volkomenheid en gelukzaligheid (parishuddha, paripurna en ananda). Die gedachte schenkt levensenergie aan al onze filosofische scholen, of het nu gaat om mensen die de Shakti-, Shiva- of Vishnu-aanbidding beoefenen, of dat het Boeddhisten betreft of Jains. Iedere hindoe erkent dit. 

De dualisten (dvaitins) geloven dat de ware aard van het Atma eigenlijk ananda is. Deze gelukzaligheid vermindert en droogt op door de gevolgen van handelingen die mensen in opeenvolgende levens verrichten. Derhalve moet zij worden hersteld en van nieuw leven worden voorzien door Gods genade. De monisten (advaitins) geloven dat er van aantasting of uitdroging geen sprake kan zijn. Zij beweren dat het Atma stralend en volmaakt is, maar dat onder invloed van de begoocheling der onwetendheid (mâyâ), die een vals beeld projecteert op alles wat waar is, het de schijn wekt achteruit te zijn gegaan. 

Hoeveel verschil in interpretatie er ook mag zijn, wanneer wij uitgaan van de centrale kern, de gedachte die alle richtingen gemeen hebben en waarin oost en west samenkomen, dan ontdekken wij een brede, onderliggende toegangsweg waarop zij alle reizen naar hetzelfde doel. 

De bewoners van oosterse landen pogen zich bewust te worden van deze glorierijke, weldadige eindbestemming door te gaan zoeken in het innerlijke rijk van hun eigen ziel. Tijdens onze godsaanbidding sluiten wij de ogen en proberen God te zien in ons innerlijk. Mensen uit het westen heffen hun gezicht op omdat zij zich God voorstellen in de oneindige ruimte buiten de aarde. Zij geloven dat hun heilige teksten zijn opgeschreven door uitverkoren mensen die onder Gods leiding stonden. Bharatiya's geloven dat hun heilige Geschriften (Vedaís) Gods persoonlijke influistering zijn en dat Hij de betekenis van deze woorden heeft gegeven aan de zieners die Hem op het altaar van hun hart hadden geplaatst. 

Het volgende feit moeten wij goed begrijpen en altijd in gedachten houden: Als wij aan ons geloof niet dag en nacht onwankelbaar blijven vasthouden, is het voor het behalen van de eindoverwinning niet bruikbaar. Alleen door die vasthoudendheid en op geen andere manier behalen wij succes. Wanneer iemand van zichzelf beweert dat hij laaghartig is en gemeen, en dat hij maar weinig weet, dan wordt hij werkelijk laaghartig en gemeen en de kennis die hij heeft, schrompelt verder weg. Wij worden wat wij van onszelf geloven. Wij zijn kinderen van de almachtige God, begiftigd met de allerhoogste macht, glorie en wijsheid. Wij zijn kinderen der onsterfelijkheid. Wanneer deze gedachte ons steeds vergezelt, hoe kunnen wij dan ooit minderwaardig zijn en onwetend? In de spirituele cultuur van Bharat wordt aan iedereen de plicht opgelegd te geloven dat de mens oorspronkelijk van de hoogste verhevenheid is en dat hij zich altijd van dit feit bewust dient te zijn. 

In voorbije eeuwen hebben Indiërs volledig vertrouwd op hun grootse Werkelijkheid. Tengevolge van dit geloof en dit vertrouwen werd hun inzet met succes bekroond, stegen zij tot grote hoogte en bereikten het toppunt van materiële en geestelijke welvaart. Voornamelijk omdat wij ons geloof in het inwonende Atma verloren hebben, zijn wij afgegleden naar het huidige dieptepunt. Dat was het begin van onze val. Verlies aan vertrouwen in het Atma - het Zelf - brengt immers ook verlies aan geloof in God zelf mee. Alleen geloof in de alomtegenwoordige God die alle schepselen innerlijk beweegt, die de schering en inslag is van lichaam en denkende geest, van gevoel en verstand, is het middel om het hoogste doel van de mens te verwerkelijken. Zo luidt de les die het spirituele verleden van India ons wil leren. Kinderen van Bharat! Onderwijs je kinderen van jongs af aan in deze levensreddende, luisterrijke, hartverrijkende Waarheid. Het Atma is volkomen en onafhankelijk. Dat is het heiligende inzicht dat Bharatiya's verworven hebben. Het is een prachtige ontdekking, een opwindende gedachte! Het Atma is in wezen volledig; een dergelijke volheid hoeft niet te worden bereikt of voltooid, er hoeft niets aan te worden toegevoegd. Als er aan iets dat volkomen is nog toegevoegd kon worden, dan zou het na verloop van tijd ook weer kunnen verminderen. 
Indien de mens van nature onrein is, zal hij zich later in onreinheid moeten wentelen, zelfs wanneer het hem lukt tien minuten lang rein te blijven, want de reinheid van die kleine tussentijd zal door de omstandigheden gemakkelijk worden weggevaagd. Daarom zeggen alle spirituele denkers van India dat wij in diepste wezen zuiver zijn en dat volmaaktheid onze ware aard is. Zij hebben gezegd dat er aan ons nooit werkelijk iets ontbreekt. Die les hebben de Bharatiya's aan de wereld geleerd. Dat is de krachtige spirituele vloed die vanuit India over de wereld gestroomd is en die haar vruchtbaar heeft gemaakt. 

Aan het eind van zijn leven behoort de mens zich voor de geest te halen welke ideeën hij in zijn leven heeft verwezenlijkt en welke hooggestemde gevoelens hij heeft gekoesterd. Dat voorschrift geven de wijsgeren van India. Zij eisen niet dat hij de fouten en vergissingen die hij in zijn leven heeft begaan, weer in herinnering moet roepen. Deze zijn onvermijdelijk; iedereen begaat die. Zij hebben daarentegen verklaard dat men zich altijd bewust moest zijn van zijn eigen werkelijkheid en zich behoorde bezig te houden met het overdenken van deze majesteitelijke glorie. 'Dat', zeiden zij, 'is de allerbelangrijkste stap vooruit'. 

Er is nog een punt dat meer dan enig ander onze aandacht verdient. Voor Indiërs betekent godsdienst: ervaring, en niets anders. Wij zijn wel zeer te beklagen omdat wij dit belangrijke feit zo dikwijls vergeten. Dit is een geheim dat bij iedereen in het hart gegrift moet worden. Alleen dan kan men zich zeker en veilig voelen. Maar dat is niet alles. Het is de Indiase denkwijze vreemd om er vanuit te gaan dat alles te bereiken is door eigen inspanning. Een Bharatiya weet dat de goddelijke wil de basis vormt van alles wat bestaat. Religieuze grondgedachten moeten in praktijk gebracht worden, zodat zij hun geldigheid kunnen bewijzen. Alleen luisteren naar een uiteenzetting van zulke principes heeft geen enkel nut. Het is niet genoeg om een vaste serie argumenten en conclusies uit het hoofd te leren en deze als een papegaai te herhalen. Wanneer zulke argumenten ons verstand aanspreken en daarom als juist worden aanvaard, levert dat geen enkele steun. Wij moeten erdoor worden getransformeerd. Indien Indiërs God vooropstellen en zeggen dat Hij zowel Zijn is als Worden, spreken zij uit ervaring, en die ervaring levert het hoogste bewijs. 

Deze uitspraak is niet ontstaan in het hoofd, in het menselijk verstand (yukti). Onze voorvaderen zeiden dat er in elk schepsel iets woont dat het Atma heet en dat het slechts een vonk was van het universele Atma. Dat was de diepe, onwankelbare overtuiging die zij hadden verworven. In het verleden hebben duizenden mensen deze ervaring gezocht en zij werden beloond met dit visioen. Ook vandaag zijn er zulke mensen en in de toekomst zullen zij er eveneens zijn. Het betreft hier een dorstend verlangen waarvoor de mens ontvankelijk is. Hij zal door deze dorst gekweld blijven, achtervolgd door de knagende pijn dat hij iets mist, tenzij hij zich bewust wil worden van het Atma dat zijn diepste werkelijkheid vertegenwoordigt. 

Eerst moet de mens de Waarheid begrijpen. Zodra hij de werkelijkheid gaat vatten, zullen alle godsdienstige tegenstellingen en twisten verdwijnen als sneeuw voor de zon. Iemand mag alleen dan gelden als een persoon die volgens een godsdienstige gedragscode leeft, als hij God ervaren heeft en zijn glorie heeft beseft. Alleen bij mensen die Hem in hun hart hebben gesloten, kunnen de ketenen waarmee zij vastgebonden zijn op het rad van geboorte en dood, worden verbroken. Met toespraken houden voor grote bijeenkomsten lever je niet het bewijs dat je de Waarheid hebt beseft die via de godsdienst je eigendom moet worden. 

Godsvertrouwen is gebaseerd op echte ervaring. Zodra wij dit feit aanvaarden, begint ons zelfonderzoek en krijgen wij de mogelijkheid na te gaan hoever we reeds gevorderd zijn op de weg naar ons doel, of hoever wij zijn afgedwaald. Dan zullen wij ons realiseren dat wij in het duister rondtasten en dat wij bovendien anderen in die duisternis hebben meegesleurd. Dan pas zullen mensen alle gevoelens loslaten van haat en verdeeldheid die uit naam van de religieuze strijdbaarheid worden gekoesterd jegens hen die een ander geloof belijden. Eigenlijk moeten wij de volgende vraag stellen aan allen die in godsdiensttwisten verwikkeld zijn: 'Hebben jullie God gezien? Proberen jullie, die in het donker worstelen, ook mij daarin te trekken? Kan een blinde aan een andere blinde de weg wijzen? Dat is een onmogelijke opgave. Besef daarom eerst jouw eigen, persoonlijke werkelijkheid, voordat je die van mij besmeurt met leugen en laster.'

7. Wees Jezelf - Iemand die inzicht heeft gekregen in het Atma-principe dat adem geeft aan alles wat leeft, kan nooit de religie van anderen veroordelen. Hij zal zich nooit inlaten met gekibbel en geruzie over godsdienstige zaken. Hij zal nooit lichtvaardig en neerbuigend spreken over andermans geloof. Hij zal nooit uit minachting het godsvertrouwen van een ander willen verstoren. Alleen mensen die niets afweten van spirituele ervaringen, zij die de diepste waarheden niet kennen, zullen het wagen de geloofsovertuiging van anderen te veroordelen. Het past de mens niet om zich te verlustigen in religieuze conflicten of om deze aan te moedigen; om de riten en ceremoniën te bespotten waarmee anderen God vereren of om godsdienstige gebruiken van medemensen te bestempelen als bijgeloof. Eenieder aanvaardt immers de vorm van aanbidding die hem houvast biedt en hem het hoogste geluk schenkt! 

Zij die weten, beschrijven de Ene als veelvormig. Verschillende mensen zien en ervaren hetzelfde ding op verschillende wijze, afhankelijk van hun gezichtspunt, hun intelligentie en bewustzijnsniveau. Verschillende mensen beschrijven hetzelfde voorwerp of eenzelfde ervaring ieder weer op andere wijze. Hoe zou iemand kunnen beweren dat zij ongelijk hebben of dat hun omschrijving verkeerd is? Niemand heeft het recht een bepaalde zienswijze te geringschatten of af te wijzen. 

Alleen degenen die zich inzetten om aan het hier en nu te ontstijgen en zich bewust willen worden van het transcendente goddelijke Principe, verdienen de naam hindoe. Mensen die vreugde scheppen in het kwetsen van anderen doen die naam geen eer aan. 

De kern van de Indiase cultuur wordt gevormd door dit besef van het atmische, het eenheidsprincipe dat ieder hart vult met universele liefde. Alle mensen die zich bewust zijn van die eenheid, zijn de naaste verwanten van Bharatiya's, uit welk land zij ook komen, met welke taal zij ook zijn opgegroeid. Vele menselijke gemeenschappen baseren hun geloof op de theorie dat de mens een samenbundeling is van materie, en dat deze materie onderworpen is aan de wetten van natuur- en scheikunde. In de westerse talen wordt doodgaan aangeduid als 'het leven laten', terwijl het in de taal van Bharat heel 'het lichaam (deha) verlaten'. Dat komt omdat westerlingen geloven dat zij een lichaam zijn, terwijl een Indiër gelooft dat hij niet het lichaam is. Bharatiya's stellen heel duidelijk dat zij het Atma bezitten als hun hoogste Werkelijkheid en dat het omsloten wordt door een lichaam. 

Deze twee zienswijzen liggen ver uit elkaar. Een beschaving die gebouwd is op het drijfzand van wereldlijk genot, kan slechts korte tijd bestaan en zal van de aardbodem verdwijnen. Maar de beschavingen van Bharat en van de landen die deze naar waarde schatten en navolgen, zijn eeuwenlang blijven bestaan en hebben tot in deze tijd hun levenskracht bewaard. Er zijn daar vele tekenen te bespeuren van een nieuw, verjongd, creatiever leven. Alle Indiërs die hun leven hebben gewijd aan het imiteren van andere beschavingen en culturen, moeten dit wel bedenken. Op imitatie kan men geen standvastige cultuur bouwen; daaruit kan geen 'beschaving' groeien. Het is een bewijs van lafheid, en dat is geen eigenschap waarmee de vooruitgang zeker te stellen is. Dat is de brede, gemakkelijke weg naar de ondergang. Hoe kan een mens geïnspireerd worden tot zelfverheffing wanneer hij zichzelf voortdurend haat en minachtend denkt over zijn eigen prestaties? Een Indiër behoort geen schaamte te voelen wanneer hij terugdenkt aan zijn voorvaderen, aan de ouderen en leraren uit het verleden die de cultuur hebben opgebouwd waaruit hij is gevoed. Hij behoort eerder trots te zijn op die voorouders, op de oudere, wijze mensen en leraren die voor hem een lichtend voorbeeld zijn geweest. Hij moet er trots op zijn dat hij zo'n voorgeslacht heeft gehad, dat zijn volk zo'n hoge graad van heiligheid bezit en dat zijn land begenadigd is met zulke heilige eigenschappen. De kinderen van Bharat moeten trots zijn op het feit, dat uit hun geboorteland wijze mensen zijn voortgekomen die de toppen van de zelfverwerkelijking hebben bereikt; dat er daarnaast nog vele anderen zijn geweest die tot de hoogste graad van volmaaktheid zijn gestegen. 


Laat zien hoeveel kracht er schuilt in eigen inspanning! Grijp niet naar het listige en gemakkelijke middel van de imitatie. Neem van andere mensen liever de goede eigenschappen over die zij wellicht bezitten. Wij planten het zaad in de aarde. Daarna voorzien wij het van de elementen die het nodig heeft: water, frisse lucht en mest. Het zaad loopt uit, groeit op tot een jonge boom en tenslotte wordt het een enorm grote boom. Je ziet dus dat het zaad zelf geen aarde wordt, geen mest, lucht of water. Dat zijn de dingen waarvan het zaad gebruik maakt; het behoudt zijn eigen aard en groeit uit tot een boom. Mogen jullie ÛÛk leven als die boom.

Natuurlijk hebben wij veel van anderen te leren; dat is ongetwijfeld waar. Mensen die hun kennis niet op deze wijze willen vergroten, veroordelen zichzelf tot domoren. Je kunt van andere mensen alles leren wat jouzelf spiritueel vooruit zal helpen. Neem die elementen volledig in je op, voor zover zij voor jouw persoonlijke dharmische pad zijn voorgeschreven. Jij moet je eigen leven leiden, en niet dat van een ander. Laat je nooit door anderen afbrengen van je aangeboren aard, je diepste wezen. Blijf verzonken in de God in je, in je eigen denkbeelden en gevoelens over God en in de grote vreugde die je ontvangt uit je spirituele oefeningen. Wanneer anderen proberen je daarvan te weerhouden, verzet je dan tegen zulke mensen met alles wat in je is, al gaat het ten koste van je eigen leven. Ontzeg jezelf dat goddelijke bewustzijn en die goddelijke vervoering niet. Dat is de aansporing die je hoort weergalmen door de gehele Paramartha Vahini - Stroom van de hoogste Werkelijkheid - van de Bharatiya's. Verwijder alle hindernissen die in de weg staan en die een onbelemmerde doorstroming tegenhouden van de cultuur van dit land, een cultuur die zoveel lieflijkheid en kracht te geven heeft. Ruim de blokkades op in de kanalen waardoor zij stroomt en reinig ze. Dan kan zij ongehinderd haar weg vervolgen. 

Deze spirituele levenstaak heeft Sai voor ons land zo gewild. Het op God gerichte dharma van dit land is te lang blijven stilstaan. Te lang is deze starre onbeweeglijkheid karakteristiek geweest voor dit land. Het moet nu dynamisch gemaakt worden. Deze taak moet elk menselijk schepsel in zijn dagelijks bestaan nieuw leven en inspiratie kunnen schenken. Zij moet doordringen tot in ieder huis en daar het leven tot bloei brengen, van de ministeriële paleizen tot in de allerarmste hutten. 
Het is een schat die aan iedereen toebehoort; iedereen heeft het recht deze te beërven; je geboorte als mens geeft je het recht op dat erfdeel. Dat is de reden waarom de inwoners van Bharat de plicht hebben deze schat te brengen aan de deur van ieder huis en elke bewoner uit te nodigen zijn deel in ontvangst te nemen. Zoals in Gods schepping de lucht die wij inademen voor ieder schepsel verkrijgbaar is, zo moet het pad naar het godsbewustzijn, naar het besef van Gods macht en majesteit, voor allen beschikbaar zijn. Wanneer Bharatiya's vasthouden aan deze weidse visie en aan deze universele, eenheid-brengende boodschap, zullen alle conflicten tussen verschillende geloofsovertuigingen vanzelf verdwijnen en zullen vrede en liefde op aarde in hun oorspronkelijke luister worden hersteld. 

Denk eens aan een huis waarin reeds eeuwenlang duisternis heeft geheerst. Je zou het gebouw kunnen binnengaan en de duisternis vriendelijk kunnen verzoeken het pand te verlaten. Je zou de duisternis ook dagenlang kunnen begraven onder een vloed van scheldwoorden of haar proberen bang te maken door met geweld te dreigen. De duisternis blijft, is niet tot vertrek te bewegen en zal voor geen enkele tactiek wijken. Wegjagen wil gewoon niet lukken. Maar steek je een lamp aan, dan slaat zij direct op de vlucht. Het licht der wijsheid kan de mens redden uit eeuwenlange duisternis. Dit feit behoort goed tot de mens door te dringen. Beseft hij het eenmaal, dan moet hij zijn leven daarop instellen. 

Ieder mens heeft een oneindigheid in zich; op deze grondwaarheid berust de Indiase filosofie. Het is werkelijk een raadsel waarom de mens zichzelf is gaan beschouwen als een wezen dat tot de ondergang gedoemd is! De ene persoon maakt op ons misschien een goddelijke indruk, de ander een duivelse. In beiden echter is het Atma de werkelijkheid in even volle glorie. Je kunt niet zeggen dat het Atma in de èèn weinig waard is en in de ander meer. Wanneer je in iemands karakter fouten aantreft, zul je slechts tot de slotsom mogen komen dat zijn gedrag gebreken vertoont. Maak daaruit niet op dat er geen goddelijke Ziel (Atma) in hem aanwezig is. Door het gezelschap waarin hij verkeert, of door de gebrekkige aanpak van de samenleving waarin hij is opgegroeid, zijn de aanwezige gebreken groter geworden. Zij behoren niet tot zijn oorspronkelijke aard, want deze is in wezen goddelijk. Je zult hem goed gezelschap moeten geven en een weldadige omgeving. Dan zul je hem zover moeten brengen dat hij daarin ook wil leven. In geen geval mag je hem veroordelen als een geboren onverbeterlijk iemand en hem afzonderen. 

Het lichaam bestaat uit cellen die zijn opgebouwd uit atomen. De atomen zijn een verschijnsel van de materie als alle andere: in wezen een samenstelling der elementen, zonder gevoel. Vedantisten spreken van een fijnstoffelijk lichaam dat losstaat van het grofstoffelijke lichaam en dat eveneens materie is. Daar ligt het centrum van de fijnstoffelijke krachten en vaardigheden. In dat lichaam bewegen zich alle innerlijke gevoelens en agitaties. Elke energie kan zich slechts uitdrukken door middel van iets dat stoffelijk is. Dezelfde kracht die het grofstoffelijke lichaam activeert, beweegt ook de fijnstoffelijke gedachte-processen. Er zijn geen twee verschillende grootheden. De ene is de fijnstoffelijke verschijningsvorm van de andere, dat is alles. 

Wat is de bron van deze energieën? Wanneer wij ons hierin verder verdiepen, zullen wij zien dat er in de natuur twee entiteiten zijn: ruimte (akasha) en energie (prana). Akasha is de bron van alle grofstoffelijke en fijnstoffelijke dingen die wij tegenkomen. Wanneer de levenskracht (prana) hiermee in contact wordt gebracht, transformeert het akasha-principe zich in grofstoffelijke of fijnstoffelijke vormen, in afwisselende hoeveelheden. Prana is evenals akasha alomtegenwoordig. Deze energie kan overal doordringen, in elk ding. Zoals er uit water ijsblokken kunnen voortkomen die op het water drijven en bewegen, zo werkt de levensenergie (prana) in op akasha en daaruit komen lichamen te voorschijn. Prana is de energie die akasha kneedt tot een verscheidenheid aan vormen. Het grofstoffelijke lichaam is het voertuig dat de levensenergie heeft geformeerd uit akasha. Het fijnstoffelijke lichaam is het centrum van gedachte, gevoel enzovoort. 

Wanneer wij uitstijgen boven het fijnstoffelijke lichaam, worden wij ons bewust van de werkelijkheid. De nagels aan onze vingers blijven doorgroeien, hoe dikwijls zij ook worden afgeknipt, omdat zij onderdeel zijn van ons grofstoffelijke lichaam. Zo is het fijnstoffelijke lichaam een onlosmakelijk deel van de totale mens. 

8. Gevangenschap - Iemand kan het grofstoffelijke lichaam waarin hij tijdelijk heeft gewoond, even vaak afwerpen als dat hij zijn nagels knipt. Zijn fijnstoffelijke lichaam kan hij echter niet verruilen; het blijft bestaan en leeft voort. Dat is de meest geheime leerstelling van de Indiase filosofie. 

Wanneer wij onze ontdekkingsreis in deze richting verder voortzetten, is onze volgende openbaring: 'mens' betekent een ingewikkeld geheel dat is samengesteld uit het grofstoffelijke lichaam, het fijnstoffelijke lichaam en de individuele Ziel (jivi). In de vedantische filosofie heet het dat deze Ziel (jivi) een deel is van de eeuwigdurende onveranderlijkheid (nitya). De stoffelijke wereld (prakriti) is eveneens eeuwig van karakter, maar er is een verschil. Hij ondergaat voortdurend veranderingen, is nooit dezelfde, en blijft toch altijd bestaan. De levenskracht (prana) en de ruimte of ether (akasha), die samen de basis vormen van deze objectieve wereld, zijn eeuwig, maar zij manifesteren zich in verscheidenheid en veelvuldigheid, omdat zij zonder ophouden werken en op elkaar inwerken. 

De individuele Ziel (jivatma) is niet voortgekomen uit akasha of prana; hij is niet stoffelijk van aard en is daarom eeuwig, onveranderlijk. Hij is niet tot stand gekomen door invloed van energie op materie of door de inwerking van materie op energie. Dingen die worden samengevoegd, vallen ook weer uiteen. De dingen echter die bij de aanvang reeds ab initio (vanaf het begin) 'zichzelf' waren, kunnen niet uiteenvallen. Desintegratie wil zeggen dat de afzonderlijke delen hun oorspronkelijke aard herkrijgen, dat zij weer worden wat zij oorspronkelijk waren, teruggebracht worden tot hun eigenlijke gedaante. Het grofstoffelijke lichaam is een combinatie van prana en akasha, daarom wordt het later weer opgelost in de samenstellende delen. Ook het fijnstoffelijke lichaam lost weer op, maar slechts na zeer lange tijd. De ziel wordt niet uit afzonderlijke delen opgebouwd en kan dus niet uiteenvallen. Hij wordt niet geboren en kan niet geboren worden. Iets dat de eenheid vertegenwoordigt en ondeelbaar is, kan niet op een specifiek ogenblik zijn ontstaan. 

De objectieve wereld (prakriti), die bestaat uit vele miljarden verschillende dingen, krachten en gebeurtenissen, wordt geregeerd door Gods wil. God weet alle dingen, doorziet en doordringt alle dingen. Hij activeert de materie (prakriti) en handelt via de materie. Die stoffelijke wereld omringt Hij ononderbroken met zorg. Zijn heerschappij heeft geen begin en geen einde. Zo geloven het de dualisten (dvaitins). 

Dit doet de vraag rijzen: wanneer de wereld door God wordt geregeerd, hoe kan Hij dan toelaten dat die wereld zo slecht is en gemeen? Het antwoord is: 

God is niet verantwoordelijk voor alle smart en pijn. De oorsprong van het leed dat wij dragen, ligt bij de zonden die wij begaan. Vreugde en verdriet zijn het gevolg van alle goede en alle slechte daden die de mens verricht. God is de getuige. Hij straft niet, en brengt geen leed toe. De individuele ziel (jivi) heeft geen begin, dat wil zeggen dat hij niet geboren is. Hij begeeft zich echter onophoudelijk in activiteiten, dus moet hij de onvermijdelijke gevolgen dragen van die activiteiten. Die ervaring geldt voor iedereen; het is een eigenschap van ieders geest. Het is de onschendbare wet van deze stoffelijke wereld (prakriti). 

Onze vreugde en smart zijn de afspiegelingen van de bezigheden die ons in beslag nemen. Zij vormen de echo, de weerkaatsing, de reactie. Het individu is echter in staat om afstand te nemen, om niet betrokken te raken bij de goede of de slechte elementen in een activiteit. Wanneer hij zich daarmee wel inlaat, zal hij positieve ervaringen hebben wanneer hij juist handelt, en slechte ervaringen wanneer hij slechte dingen doet. 

De leer van de Veda's zegt dat de individuele ziel (jivi) van nature rein is en onbesmet. Dat is in de Indiase filosofie de algemeen aanvaarde stelling. Deze waarheid is echter door onwetendheid en verwaarlozing geleidelijk in nevels gehuld. Op deze wijze brengt de 'oerillusie' (mâyâ) de verontreiniging tot stand en in de schaduw van die onwetendheid wordt het kwaad geboren. Wanneer mensen zich echter bezighouden met goede werkzaamheden (satkarma), worden de wolken der illusie uiteengejaagd en beseft men de waarheid van het zelf. Elke individuele ziel (jivi) is in wezen rein. Goede handelingen kunnen alle sporen verwijderen van slechte daden; zij zullen de wezenlijke reinheid helpen bewaren. Dan gaat de ziel het pad bewandelen dat naar God voert (devayana). Die gerichtheid zal alle woorden, gedachten en daden van de mens transformeren.

Zonder woorden kunnen wij niet denken. Woorden vormen het onmisbare materiaal voor de gedachten. Wanneer een individu het lichaam verlaat, gaan de woorden op in zijn denkende geest. Zijn denkende geest wordt opgenomen in de levenskracht (prana) en de levenskracht wordt èèn met het Atma. Wanneer het individuele Atma zich uit de lichamelijke woning bevrijdt, haast het zich naar het rijk van het zonneprincipe (sûrya-loka), naar de zon. Van daaruit bereikt het de sfeer van Brahmâ (brahmaloka). Eenmaal daar aangekomen, heeft het persoonlijke Atma (jivatma) geen band meer met de materiële wereld (prakriti). Daar verblijft het tot het eind der tijden en leeft in grenzeloze verrukking. Dan bezit het alle vermogens, behalve de scheppingskracht. 

Alleen God heeft het gezag de kosmos te regeren. God is vrij van elke vorm van begeerte. De mens heeft slechts de plicht Hem met heel zijn hart lief te hebben en Hem met die liefde te aanbidden. Daarmee verheft de mens zich tot het hoogste niveau dat voor een schepsel mogelijk is. Wezens die zich niet bewust zijn van die status en niet in staat zijn haar verantwoordelijkheden te dragen, behoren tot andere categorieën. Weliswaar offeren en bidden ook zij en verrichten ook zij goede en heilzame handelingen. Maar hun verlangens en verwachtingen zijn gericht op de vruchten van al die activiteiten; hun handelingen worden gedreven door de begeerte te kunnen profiteren van de resultaten die eruit voortkomen. [BG 2:47,48] 
'Wij hebben hen geholpen die hulpeloos waren; daarom zal ons leven veilig verlopen en kunnen wij zonder zorgen voortgaan. Wij hebben de vertrapten overeind geholpen, dus zullen moeilijkheden op het levenspad ons bespaard blijven. Wij hebben gezamenlijk met veel energie Gods glorie bezongen, dus komen wij vast en zeker in de hemel.' [BG 3:6,9]

Zo berekenend denken dergelijke mensen bij het verrichten van 'goede daden'. Wanneer zij het lichaam verlaten, dat wil zeggen wanneer zulke mensen sterven, worden die gedachten opgenomen in hun denkende geest. Hun denkende geest gaat op in hun levenskracht (prana) en vervolgens wordt deze levenskracht èèn met de ziel van het individu (jivi). De jivatma reist naar de sfeer van het maanprincipe (chandra-loka), het rijk dat bestuurd wordt door de Godheid van de denkende geest. Dat betekent dat zij het rijk van de denkende geest nogmaals moeten binnengaan, met alle onrust en opwinding die wensen en verlangens altijd meebrengen. 

Zulke zielen zullen in het maanrijk enige voldoening smaken en enige verrukking ervaren totdat de gevolgen van hun goede daden zijn uitgewerkt. Daarom zeggen de Geschriften: 'Wanneer de verworven verdienste is opgebruikt, gaan zij weer het rijk der stervelingen binnen (kshina punya, martyaloka vishanti). De jivatma sluit zich op in een lichaam dat is u