Dit is een e-boek geschikte download. Ga voor de online versie met de illustraties en links naar:
http://vahini.org/nedramakatha2/ramakathaned2.html
- RAMAKATHA RASAVAHINI Deel 2
Het verhaal van Râma, een Stroom van heilige nectar
Over dit boek door N. Kasturi
De diepere betekenis door Sathya Sai BabaHoofdstuk 1: Het Woud van Danda
Hoofdstuk 2: Panchavati
Hoofdstuk 3: De Geslepen Booswicht
Hoofdstuk 4: Râma wordt Sugriva's Bondgenoot
Hoofdstuk 5: De Geslaagde Zoektocht
Hoofdstuk 6: Lankâ door Vuur Verwoest
Hoofdstuk 7: De Brug
Hoofdstuk 8: De Belegering
Hoofdstuk 9: De Onderwereld
Hoofdstuk 10: Râvana's tien Hoofden worden Afgehouwen
Hoofdstuk 11: Het Geluk Keert Weer in Ayodhyâ
Hoofdstuk 12: De Kroning
Hoofdstuk 13: Sîtâ in Ballingschap
Hoofdstuk 14: Het Einde van het Spel
Voorwoord door N. Kasturi - Over dit boek
Reeds eeuwenlang is de Ramayana een stroom van heilige nectar (Ramakatha Rasavahini) voor miljoenen mannen, vrouwen en kinderen, een nooit opdrogende bron van vertroosting bij verdriet, van bezieling als zij door weifeling werden overvallen, van klaarheid als zij in verwarring verkeerden en van inspiratie in ogenblikken van neerslachtigheid. Het was hun gids in benarde situaties. Het is een intens menselijk drama, waarin God de rol van mens op zich neemt en op het onmetelijke wereldtoneel ons om zich heen schaart, of wij nu volmaakt of onvolmaakt zijn, menselijk of minder dan menselijk, of wij beest zijn of demon, om ons door zijn leringen en zijn voorbeeld de gave van opperste wijsheid te schenken. Het is een verhaal dat met zijn zachte vingers de snaren van onze ziel beroert, de klare, vloeiende akkoorden oproepend van pathos, medelijden, verrukking, aanbidding, extase en overgave, die ons omvormen van het dierlijke en menselijke tot het Goddelijke, dat de kern van ons wezen is.
Er is niet één verhaal in de geschiedenis der mensheid dat zulke diepe sporen heeft nagelaten in de menselijke geest. Het reikt uit boven de mijlpalen van geschiedenis en de grenzen van aardrijkskunde. Het heeft de levenshouding en de gewoonten van generaties gevormd en op een hoger plan gebracht. De Ramayana, het verhaal van Rama, is in een groot deel van de wereld geworden als een geneeskrachtige cel in de bloedsomloop van de mensheid. Het heeft wortel geschoten in het geweten van volkeren en ze geprikkeld en voortgedreven langs het pad van waarheid, rechtschapenheid, vrede en liefde.
Door mythen en legenden, wiegeliederen en vertellingen, dans, toneel en muziek, door schilder- en beeldhouwkunst, en door rituelen, symbolen en gedichten, werd Rama de adem, de gelukzaligheid en de schat van talrijke zoekers en spirituele aspiranten. De figuren in het verhaal van Rama hebben hen genood tot navolging en tot hun eigen verheffing. Met hun roemrijke daden en hun avonturen zijn zij een schitterend voorbeeld geweest; zij hebben de wankelmoedigen gewaarschuwd tegen ondeugd en geweld, tegen hoogmoed en kleinzieligheid en hen aangemoedigd door hun voorbeeld van trouw en standvastigheid. Aan elke taal en elk dialect dat de menselijke tong heeft aangewend om aan zijn hogere verlangens uiting te geven, heeft het verhaal van Rama een unieke, verrijkende liefelijkheid toegevoegd.
Sai (Isa, God) wiens gedachte het universum is en wiens wil daarvan de geschiedenis bepaalt, is de auteur, regisseur, acteur, getuige en waardebepaler van het drama dat zich voortdurend ontvouwt in tijd en ruimte. Hij heeft zich nu verwaardigd om zelf het verhaal te vertellen van dit ene epische bedrijf uit het drama, waarin Hij de rol van Rama op zich heeft genomen. Als Rama heeft Sai zijn tijdgenoten in het treta-tijdperk onderwezen, geïnspireerd en kracht gegeven, gecorrigeerd, getroost en bemoedigd. Als Sai Rama werkt Hij nu aan diezelfde taak. Het merendeel van wat de lezers van Sanathana Sarathi de laatste jaren maandelijks met ijver en welgevallen hebben bestudeerd - als afleveringen van de Ramakatha Rasavahini - moet hun daarom zijn voorgekomen als 'gebeurtenissen en ervaringen van deze tijd' en 'tot henzelf gerichte goede raad die betrekking heeft op hun huidige vraagstukken en moeilijkheden'. Bij het lezen van deze bladzijden zullen de lezers dikwijls verrast zijn dat de Rama van dit verhaal identiek is aan de Sai Rama van wie zij nu getuige zijn.
De natuurwetenschappen hebben deze aarde gemaakt tot iets wat samengeperst is als de capsule van een ruimteschip waarin de mensheid haar lot moet ondergaan. De Sai-wetenschap (Sai-ence) is, zoals wij weten, dit ruimteschip met grote vaart aan het omvormen tot een gelukkig tehuis van liefde. Dit boek moet door Sai zijn gewild als een 'wondermiddel' van de hoogste orde, ter verwijdering van alle kwaad dat deze universele liefde in de weg staat. Het kwaad dat zich manifesteert als de morbide zucht naar sensueel genot, het stijgende gebrek aan eerbied voor ouders, onderwijzers, ouderen, geestelijke leiders en voorgangers, de rampzalige lichtzinnigheid en luchthartigheid in maatschappelijke, huwelijks- en familierelaties, het demonisch vertrouwen in geweld als middel tot het bereiken van een immoreel doel, het gemak waarmee men kiest voor terreur en marteling teneinde voordeel te behalen, als individu of groep, en zoveel meer vormen van kwaad.
In dit boek heeft Sai Rama, in zijn eigen eenvoudige, zoetvloeiende en bezielende bewoordingen, zijn goddelijke loopbaan samengevat, als Rama! Wat een groot geluk dat deze goddelijke vertelling ons in handen gegeven is, opdat zij haar stempel op onze gedachten zou drukken en haar in onze harten zou prenten! Moge de bestudering van dit boek ons tot doelmatige en enthousiaste werktuigen maken die zijn missie, het omvormen van de mensheid tot één grote familie, zullen voltooien; moge eenieder van ons tevens beseffen dat Sai Rama werkelijkheid is, de enige werkelijkheid die bestaat. Sai heeft verkondigd dat Hij dezelfde, wedergekomen Rama is, en dat Hij zoekt naar zijn vroegere metgezellen en werkers (bantu, zoals Hij ze noemde in Telugu), om hun een rol toe te wijzen in zijn huidige missie van wederopwekking tot rechtschapenheid en het leiden van de mens naar de veilige haven van vrede. Laat ons bidden, terwijl wij de eerste helft van dit verhaal overdenken, dat ook ons een rol toebedeeld zal worden en dat Hij ons ter beloning een visioen van die haven moge schenken.
N. Kasturi
Redacteur Sanathana Sarathi.
De diepere betekenis door Sathya Sai Baba
Râma is de inwoner van ieder lichaam. Hij is de Âtma-Râma, de bron van gelukzaligheid in elk individu. Zijn zegeningen kunnen, als zij opwellen uit die innerlijke bron, vrede en gelukzaligheid schenken. Hij is de waarachtige belichaming van de rechtschapenheid, van alle morele wetten die de mensheid in liefde samenbinden tot eenheid. De Ramâyana, het verhaal van Râma, leert ons twee lessen: de waarde van onthechting en de noodzaak tot bewustwording van het Goddelijke in ieder wezen. Geloof in God en onthechting van stoffelijk bezit zijn de sleutels tot de bevrijding der mensheid. Geef zintuiglijke gerichtheid op en je zult Râma gewinnen. Sîtâ gaf de wereld van Ayodhyâ op en kon daarom, in de jaren van Râma's ballingschap, bij Hem zijn. Toen zij verlangende blikken op het gouden hert wierp en zij er zich onweerstaanbaar toe aangetrokken voelde, verloor zij de aanwezigheid van Râma. Het afzien van wereldse verlangens brengt vreugde; gehechtheid doet lijden. Wees in, maar niet van de wereld. De broeders, kameraden, metgezellen en medewerkers van Râma, zij allen zijn een voorbeeld van mensen die vervuld zijn van dharma, de rechtschapenheid die van alle tijden is. Dasharatha vertegenwoordigt het louter lichamelijke, het gebied van de zintuigen. De drie guna's die het menselijk gedrag bepalen - harmonie (sattva), hartstocht (rajas) en passiviteit (tamas) - zijn de drie koninginnen. De vier levensdoelen - de purushartha's - zijn de vier zonen: Lakshmana is het intellect, Sugriva het onderscheidingsvermogen (viveka), Vali is de wanhoop en Hanumân de belichaming van moed. De brug is gebouwd over de oceaan van de zinsbegoocheling. De drie rakshasa-aanvoerders (demonen) zijn de verpersoonlijking van rajasische (Râvana), tamasische (Kumbhakarna) en sattvische eigenschappen (Vibhishana). Sîtâ is de Brahmajñana, of het bewustzijn van het universele Absolute, dat het individu moet verwerven en zich opnieuw eigen maken, terwijl hij de vuurproef van het leven ondergaat. Maak je hart zuiver en sterk door diep na te denken over de grootsheid van de Ramâyana. Wees onwankelbaar in het geloof dat Râma de werkelijkheid vertegenwoordigt van je bestaan.
-BABA-
Hoofdstuk 1: Het woud van Danda
Terwijl Bharata te Nandigrama zijn tijd in afzondering doorbracht in voortdurende beschouwing van Râma, prezen Sîtâ, Râma en Lakshmana, die zich op de Chitrakuta-berg daar ver vandaan in het woud bevonden, zijn toewijding en trouwe plichtsbetrachting. Zij voelden zich gelukkig in hun vredig onderkomen in het woud.
Op zekere dag ondernam een dwaas genaamd Jayantha een poging Râma's moed te testen. Dit was een absurde en hachelijke onderneming die gelijk staat aan de poging van een mier om de diepte van de oceaan te peilen! Een duivelse ingeving bracht hem ertoe zich in een kraai te veranderen. In die gedaante vloog hij op Sîtâ af die, naast Râma gezeten, verzonken was in de aanblik van het landschap dat zich voor hen uitstrekte. Met zijn scherpe snavel pikte hij naar de zool van haar zachte voet, waardoor hij haar tot bloedens toe verwondde. Toen Râma het bloed zag vloeien, trok Hij een droge grashalm uit de grond en wierp die naar de kraai. Râma zal nimmer iemand krenken die geen kwaad heeft gedaan, maar indien nodig en onvermijdelijk, zal zelfs Rahu de maan opslokken, nietwaar? Dit geldt ook voor Râma, die een onschuldige nimmer leed zal berokkenen. Door zijn wil veranderde de grashalm in een enorme vlam die op Jayantha afvloog. Toen deze poogde te ontkomen, werd hij overal waar hij ging meedogenloos door het vuur achtervolgd. De machteloze en angstige kraai nam zijn oorspronkelijke gedaante weer aan. Jayantha wierp zich aan Râma's voeten en smeekte om redding. Toen Indra, de koning der hemelbewoners, vernam wat er was geschied en hoorde dat de boosdoener zijn eigen zoon was, betuigde ook hij zijn berouw over diens vermetelheid en gebrek aan eerbied.
Jayantha wierp zich ter aarde voor Râma en smeekte om genade. Hij sprak: 'Ik ben een dwaas. Ik besefte niet hoe laaghartig ik handelde. Bewaar mij voor uw toorn en verlos mij van het vuur.' Râma had medelijden met de arme man nu hij zich zo deemoedig betoonde. Hij benam Jayantha het licht van één oog, doch liet hem in leven. Hij zond hem heen als een eenogig individu. Râma deed de werking teniet van het vlammende projectiel, waardoor de grashalm terugkeerde tot zijn natuurlijke staat. Jayantha was dankbaar dat hij, gezien de afschuwelijke misdaad die hij had begaan, er vanaf gekomen was met deze lichte straf. Hij verbleef lange tijd op de Chitrakuta-berg waar Sîtâ, Râma en Lakshmana woonden. Op zekere dag, de tiende dag van de wassende maan van de maand Mârgas'îrsha [november/december], beval Râma Jayantha zich naar het zuiden te begeven.
Ook Sîtâ, Râma en Lakshmana verlieten Chitrakuta en gingen op weg naar de âs'ram van Atri, de grote wijze [muni]. Atri had reeds van zijn leerlingen gehoord dat Râma voornemens was zijn kluizenaarsverblijf te bezoeken. Dus toen Râma de âs'ram naderde, liep Atri een eindweegs het bospad op om Râma, Sîtâ en Lakshmana te verwelkomen. Atri was zozeer door vreugde overmand door het bezoek dat hij het beschouwde als een teken van Gods genade, dat in zijn vervoering de tranen rijkelijk vloeiden. Hij verklaarde dat hierdoor het hoogste doel van zijn leven werkelijk was bereikt. Op deze dag wierp zijn ascese eindelijk haar vruchten af. 's Avonds riep de wijze Atri zijn leerlingen bijeen. Voor Râma plaatste hij een zetel op een verhoging, tegenover de aanwezigen. Zijn vrouw Anasûyâ had intussen gezorgd dat het Sîtâ aan niets ontbrak en had vervolgens ook haar naar de samenkomst geleid. Aan allen die daar bijeen waren, beschreef Atri omstandig dat deze plechtige ogenblikken heilig waren, welke vermogens Râma, Sîtâ en Lakshmana bezaten en welke goddelijke krachten er in hen belichaamd waren. Anasûyâ prees bovendien de deugden van Sîtâ, die zij heilige adviezen gaf aangaande de plichten van de vrouw en de idealen die zij te allen tijde moest hooghouden. Sîtâ zette uiteen dat elk individu, elk wezen en elk schepsel het vrouwelijke principe in zich draagt. Hoewel er mannelijke en vrouwelijke rollen zijn op het wereldtoneel, zijn zij allen van nature vrouwelijk wat hun kracht, emotie en geesteshouding betreft. Zij verklaarde dat haar Heer Râma de belichaming was van het enige zuiver mannelijke principe in het universum. 'Er is in Hem geen spoor van dualiteit, van mijn en dijn, van vreugde of verdriet. Hij is de verpersoonlijking van onverschrokkenheid en kracht. Purusha, het eeuwig-mannelijke, heeft zich verenigd met prakriti, de natuur ofwel het eeuwig-vrouwelijke. Hoewel de natuur zich in ontelbare, verschillende gedaanten vertoont, is zij in werkelijkheid een ondeelbare Eenheid.' Aldus onthulde Sîtâ de waarheid van het Râma-principe aan Anasûyâ, de vrouw van de wijze Atri. Râma, Sîtâ en Lakshmana brachten een zeer gelukkige tijd door in de âs'ram van de wijze Atri. Zij dienden de bewoners en leerlingen van goed advies over allerlei vraagstukken met betrekking tot zedelijk gedrag.
Toen brak het ogenblik aan om afscheid te nemen en de tocht door het woud te hervatten. De âs'rambewoners stortten tranen van droefheid bij het afscheid. Ondanks hun vastberaden pogingen om Râma te volgen gedurende de daarna volgende fasen van zijn verblijf in het woud, moesten zij achterblijven en terugkeren tot het bestaan waaraan zij hun leven hadden gewijd. Hulpeloos moesten zij toezien hoe de goddelijke Meester van hun hart uit het oog verdween.
Het woud weergalmde van het gebrul van de verscheurende dieren die er rondzwierven op zoek naar prooi. Hoog in de bomen zongen allerlei bontgevederde vogels hun lied. Elk van de zangers had zijn eigen schoonheid en melodie. Hun roepen en koeren streelde het oor. Het was alsof het gezelschap terecht was gekomen in een nieuwe, opwindende wereld. Terwijl zij door dit gebied liepen, dat van een ontzagwekkende grootsheid was, ontwaarden zij plotseling een aantrekkelijk kluizenaarsverblijf met in het midden een pittoreske tempel. Lakshmana liep vooruit om een pad te banen en het struikgewas opzij te schuiven dat er overheen groeide. Hij brak de doornige klimplanten af die voor zijn hoofd hingen en de voetreizigers zouden kunnen verwonden. Hierna konden Râma en Sîtâ veilig het pad volgen dat Lakshmana had vrijgemaakt. Bij het naderen van de âs'ram zagen zij een prachtig aangelegde tuin voor zich liggen. De liefderijk verzorgde bomen met vruchten en bloesems rezen sierlijk uit de grond met hun bladerkroon vol schoonheid. De takken bogen zich onder het gewicht van de rijpe, sappige vruchten. Sîtâ was opgetogen en vergat haar moeheid, zo verzonken was zij in de sfeer van hemelse vrede en vreugde waarin zij terechtgekomen was. Zij liep achter Râma aan en dronk de schoonheid in van de haar omringende natuur.
Toen enkele bewoners van de âs'ram het drietal zagen naderen, repten zij zich naar hun goeroe. Deze spoedde zich naar de hoofdpoort om Râma, Sîtâ en Lakshmana te verwelkomen. Tranen van blijdschap stroomden over zijn wangen. De bezoekers werden met gepaste gastvrijheid ontvangen. Zij werden naar binnen geleid, waar hun een koele, verfrissende drank werd aangeboden en smakelijke vruchten en knolgewassen. De gasten aanvaardden hun goede zorgen met groot genoegen en namen deel aan de eenvoudige maaltijd. In de avond namen zij een bad en volvoerden zij de voorgeschreven rituelen. Râma sprak tot de bewoners over de ideale wijze van handelen en optreden. Hij stond hun toe vragen te stellen over onzekerheden die hen in verwarring brachten en over ingewikkelde onderwerpen met betrekking tot de verklaring der heilige geschriften. Men greep deze gelegenheid met beide handen aan. Râma gaf grondig en duidelijk tekst en uitleg in eenvoudige en overtuigende taal. Het lijdt geen twijfel dat de âs'rambewoners die dag de hemel op aarde beleefden. Zij spraken er opgetogen over met elkaar dat het ervaren van Râma' s tegenwoordigheid even verheffend was als het contact met God Zelf in de hemel.
Bij het aanbreken van de dag baadden Râma, Sîtâ en Lakshmana zich en volvoerden de ochtendrituelen. Hierna maakten zij zich gereed om te vertrekken, ondanks de smeekbeden van de âs'rambewoners om te blijven. Zij wierpen tegen dat geen mens hun beloften en voornemens in de weg mocht staan. Zij hadden besloten, zo zeiden zij, dat zij in geen enkele âs'ram of andere plaats langer dan een nacht zouden verblijven.
Toen zij eenmaal op weg waren en door het woud liepen, verscheen plotseling een afzichtelijke gedaante. Het was Viradha, de verschrikkelijke menseneter, die dreigend op hen afstormde. Sîtâ schrok natuurlijk van de onverwachte verschijning, doch weldra vatte zij moed, wetend dat zolang de 'Leeuw' Râma er was om haar te beschermen, zij geen reden had bevreesd te zijn voor de 'kreupele vos' die op hen afkwam. 'Laat hem maar brullen', sprak zij zichzelf geruststellend toe. Zij stond achter Râma en wachtte de verdere gebeurtenissen af. Intussen schoot Lakshmana de eerste scherpe pijl naar het monster, die weldra door vele andere werd gevolgd. Toen Viradha door de pijlen gewond raakte, veranderde hij in een laaiende furie die zich als de belichaming van dood en verderf op Lakshmana wilde storten. Râma merkte dat Zijn broer door de strijd de uitputting nabij was. Hij zette een pijl met een sikkelvormig uiteinde op zijn geduchte boog en schoot deze op het bloeddorstige monster af. Râma's pijl verbrijzelde de vervaarlijke drietandige speer waarmee de reus stond te zwaaien en hieuw toen het monster het hoofd van de romp. Op datzelfde ogenblik verrees een stralende, hemelse gestalte uit het dode lichaam!
Viradha was als mensenetende reus ter wereld gekomen ten gevolge van een aan zichzelf te wijten vervloeking, die zijn goddelijke meester Kubera [of Kuvera] over hem had uitgesproken. In zijn vorige leven had hij Kuvera gediend, als een van een schare hemelse engelen, de Gandharva's. Kuvera had later medelijden met Viradha gekregen en hem beloofd dat zijn leven als demon zou eindigen op hetzelfde ogenblik dat hij door een pijl uit Râma's boog zou worden gedood. Hij zou dan wederom in Kuvera's nabijheid mogen verkeren als Gandharva. Nu wierp hij zich aan de voeten van zijn verlosser. Hij prees en verheerlijkte Hem alvorens terug te keren naar zijn oorspronkelijke verblijfplaats. Râma begroef het reusachtige lichaam van de demon, dat nog op de grond was achtergebleven. Tevens voerde Hij de riten uit die bij een dergelijke teraardebestelling zijn voorgeschreven. Op dat ogenblik viel er een zachte regen op de groeve, alsof de hemelgoden tranen van vreugde schreiden om het door Râma getoonde mededogen.
Râma begaf zich vervolgens naar de vermaarde âs'ram van de wijze Sarabhanga. Juist toen Râma de âs'ram naderde, spraken de asceten en monniken met elkaar over de verwoesting die was aangericht door de vijandelijke aanvallen van Râvana, de koning der demonen. Zodra Râma, Sîtâ en Lakshmana midden in hun gesprek verschenen, wisten de âs'rambewoners wat de betekenis was van hun bezoek en beseften zij dat het met hun vrees voor Râvana spoedig gedaan zou zijn. Toen de wijze Sarabhanga Râma's gestalte zag, die van een goddelijke bekoorlijkheid was, kon hij zijn ogen nauwelijks geloven. Hij vroeg zich af of hij droomde, aan zinsbegoocheling leed, of een ongewone ervaring had ten gevolge van overijverige meditatie. Het duurde echter niet lang aleer hij besefte dat het werkelijk Râma was die hij voor zich zag en dat hij daarom zo gelukkig was. Hij was in opperste vervoering omdat zijn lang gekoesterde doel bereikt was. Hij wist dat zijn ascese eindelijk was gezegend met de verwezenlijking van zijn diepste verlangen.
Sarabhanga verwelkomde zijn gasten met gulle gastvrijheid. Hij prees en verheerlijkte Râma naar hartelust. 'Râma! U bent de hemelse zwaan (hamsa) die zich vol majesteit beweegt over de kalme meren van de geest der wijzen. O, op deze dag is het doel van mijn leven verwezenlijkt', sprak hij. 'Râma! Ik ben mij niet bewust enige spirituele discipline beoefend te hebben die deze naam verdient. Ik heb u mogen veroveren door slechts een pad te volgen: het pad van de liefde. Nu mijn ogen u hebben aanschouwd, hoeven zij niets anders meer te zien. U hebt uw woord gegeven dat u op een dag als deze de wensen van de wijzen zou vervullen. Welnu, vandaag moet u deze gelofte inlossen. Mijn wens is deze: blijf in deze bekoorlijke gedaante voor mij staan tot ik de laatste adem uitblaas. Sta mij toe dat ik mij van dit lichaam ontdoe terwijl mijn ogen op u gevestigd zijn', smeekte hij.
Binnen enkele minuten werd er een brandstapel in gereedheid gebracht. Sarabhanga besteeg de houtstapel en deze werd aangestoken. Hij zat er onbekommerd bovenop met ogen die straalden van vreugde en geestvervoering omdat zij rustten op Râma. Zijn oogleden knipperden niet en zijn blik bleef strak op Râma gericht. Met het beeld van Râma, Sîtâ en Lakshmana in het hart, gaf Sarabhanga zijn lichaam over aan de vlammen tot er een handvol as overbleef. De blauwe, kalme oceaan van zijn hart weerspiegelde de blauwe gestalte van Râma, die hij tot zijn laatste ogenblik had aanbeden. Sarabhanga's ziel verenigde zich met het Universele Absolute dat hem wachtte.
Ofschoon de âs'rambewoners aanvankelijk diep bedroefd waren over het heengaan van hun geestelijk leidsman en meester, beseften zij spoedig dat Sarabhanga buitengewoon bevoorrecht was, omdat hij was gezegend op een wijze die aan weinigen is vergund. God Zelf was in menselijke vorm voor hem verschenen en had hem de zegen geschonken van eenwording met zijn majesteit en heerlijkheid. Het was alsof ook zij hun deel hadden ontvangen van dit geschenk van goddelijke genade. Zij aanbaden Râma en verheerlijkten zijn naam in alle toonaarden. Zij riepen: 'Gegroet! Victorie!' en brachten met eerbiedige dankbaarheid wat as van hun meester op hun voorhoofd aan. Het nieuws van Sarabhanga's opoffering bracht weldra de bewoners van andere âs'rams naar de hermitage. Deze asceten en wijzen wierpen zich aan Râma's voeten en prezen Hem en zijn missie van mededogen. 'Heer! Hoe fortuinlijk was Sarabhanga!' riepen zij uit. 'Menige wijze is reeds ten prooi gevallen aan de nietsontziende gewelddadigheid van de Rakshasa-stam der demonen in dit gebied. Sarabhanga is echter gezegend door de Heer zelf. Hij offerde zijn lichaam en zijn leven aan Hem. Heer! Verlos ons van die roofzuchtige vijanden. Sta ons toe dat wij onze spirituele oefeningen en boetedoening voortzetten zonder de invallen van deze demonen. En uiteindelijk, o Heer, schenk ons de genade waarop wij hopen: de aanblik van uw tegenwoordigheid', zo smeekten zij.
Intussen was er een wijze genaamd Sutikshna naar voren gekomen en deze wierp zich thans voor Râma ter aarde. Hij was een leerling van de befaamde Âgastya. Zijn toewijding kende geen grenzen en zijn hart was vervuld van Râma. Hij geloofde stellig dat men God slechts kan bereiken door middel van liefde. Hij kon zich geen andere vorm van God voor de geest halen dan die van Râma. Hij hield zijn ogen op Râma gevestigd zonder met de oogleden te knipperen, opdat zelfs die fractie van tijd niet verloren zou gaan. De aanblik van Râma deed zijn hart smelten van liefde en verering. Hij sprak: 'Heer! Bent u helemaal naar hier gekomen om mij te zegenen? Kunt u mij niet doen opgaan in de liefde, die u zelf bent? Nu u in deze zichtbare vorm ter wereld bent gekomen, verlangt u nog steeds dat ik het vormloze Absolute blijf aanbidden, zoals ik tot nu toe heb gedaan? Neen. Ik heb deze vorm en naam lief. Ik ken geen enkele rite en geen ritueel voorschrift. Het enige wat ik weet is dat u, die de belichaming bent van liefde, door liefde verworven kunt worden. Mijn vurige verlangen is de enige verdienste die ik heb vergaard. Het is de enige ascese die ik mijzelf heb opgelegd. Zegt u mij: is dat niet genoeg? O, verlosser van de beproeving van geboorte en dood! Er is geen vorm van aanbidding zo doeltreffend als dienstbetoon aan de Heer door middel van liefde, nietwaar? Zingen van uw heerlijkheid en mediteren op uw glorie en daar al doende onuitsprekelijke gelukzaligheid aan ontlenen - is er ook maar iets dat grotere vreugde schenkt?' vroeg hij.
Sutikshna danste in het rond. Hij was zich niet langer bewust van zijn omgeving of zijn handelingen en er stroomden tranen over zijn wangen. Degenen die de innerlijke vreugde die hij ervoer niet konden peilen, moesten hem wel voor krankzinnig houden. Râma wist hoe groot het verlangen was dat de wijze bezielde. Hij trok Sutikshna naar zich toe en omhelsde hem vol liefde. Hij sprak zachte, zoete woorden om hem weer bewust te maken van zijn omgeving. Terwijl Râma zijn handen vasthield, geraakte de grote wijze in de hoogste bewustzijnstoestand (samâdhi). Hij stond daar als een standbeeld, roerloos en in volmaakt evenwicht. Râma bracht hem weer terug tot het alledaagse bewustzijn. Zodra hij was bijgekomen, wierp hij zich languit aan Râma's voeten.
Sutikshna hief de handen boven zijn hoofd en met de handpalmen tegen elkaar in aanbidding, uitte hij zijn vreugde in volle overgave. Hij sprak: 'Heer! U bent de vuurzee die het woud der illusie waarin de mens verdwaald is, met de grond gelijk maakt. U bent het zonlicht dat de lotus in het hart van goede mensen doet bloeien vol schoonheid en geur. U bent de koning der wilde dieren die gekomen is om de horden van demonische olifanten te verdelgen. U bent de adelaar die de vogel opjaagt en vernietigt die van het ene leven naar het andere fladdert, in een zich herhalende cyclus van geboorte en dood, van vreugde en verdriet. Heer! Uw ogen zijn liefelijk als lotusbloemen. Mijn eigen ogen kunnen onmogelijk alle schoonheid van uw stralende gedaante in zich opnemen. U bent de maan die haar verkoelend licht laat schijnen om de twee chakora-patrijzen, de ogen van Sîtâ, in verrukking te brengen. Als de hemelse zwaan laat u zich blij te moede drijven op de koele meren in de harten der wijzen. U bent de Garuda die aast op de slangen die kronkelen in de geest van twijfelaars en ongelovigen en deze verdelgt. Alle wreedheid, verwarring en rampspoed zullen verteerd worden door een enkele korte blik uit uw ogen.'
Aldus zong Sutikshna Râma's lof in alle toonaarden, zich verheugend dat hij daartoe de gelegenheid kreeg. Hij greep bovendien de kans om zijn blik zo vast op de Heer te vestigen dat diens beeld voor altijd in zijn ziel gegrift zou zijn. Hij was zich niet bewust van tijd of duur, noch van de behoeften van zijn lichaam. Zijn ogen knipperden niet eenmaal terwijl hij naar Râma keek en diep Râma's glorie indronk. Râma sloeg Sutikshna enige tijd gade, vatte hem toen bij de schouders en richtte hem op. Hij sprak: 'Sutikshna! U bent begiftigd met alle begeerlijke deugden. Vraag mij wat u wenst, want ik zal u zegenen met alles waarnaar u verlangt.' De wijze antwoordde: 'O, vriend en verwant van allen die bedroefd en bevreesd zijn! Dit is mijn wens: verblijf voor eeuwig diep in mijn hart, samen met Sîtâ en Lakshmana.' Râma sprak: 'Het zij zo.'
Toen begaf Râma zich in het gezelschap van Sutikshna en gevolgd door Sîtâ en Lakshmana naar de âs'ram van Âgastya. Al spoedig nadat zij op weg waren gegaan, hoorden zij het geruis van stromend water. Toen zij op het geluid afkwamen en de rivier naderden, werd nabij het water een berg zichtbaar. Op de voorgrond lagen prachtige bloementuinen en, als een lotus die ligt te pronken in het midden van een meer, lag daar de bekoorlijke hermitage van Âgastya op een tapijt van geurige bloemen. Er zijn geen woorden om de schoonheid van dat tafereel te beschrijven. Sîtâ, Râma en Lakshmana standen een ogenblik roerloos van bewondering bij bet zien van deze betoverende pracht. Er heerste een sfeer van wonderbaarlijke spiritualiteit. Dieren die van nature elkaars vijanden zijn, waterdieren, landdieren, wilde dieren en allerlei soorten vogels, speelden met elkaar en leefden hier bijeen zonder enige vrees of vijandschap. Aan de oever van de rivier zagen ze vele monniken en asceten zitten, in meditatie verzonken.
Toen het gezelschap de âs'ram naderde, snelde Sutikshna vooruit om zijn meester voor te bereiden op de komst van Sîtâ, Râma en Lakshmana. Hij wierp zich aan Âgastya's voeten en sprak: 'O, grote leermeester! O, belichaming van genade! De prins van Ayodhya, die de ware verdediger is van dit universum, is zojuist in onze âs'ram aangekomen samen met Sîtâ en Lakshmana. Diegene die u hoopte te mogen dienen en voor uw geestesoog te zien door middel van jarenlange spirituele oefeningen, ongeacht welk uur van de dag of nacht, die is naar u toegekomen en is nu nabij. O! Wat een grote, gelukkige dag is dit! Wat zijn wij fortuinlijk.' Sutikshna vergat zichzelf en raakte in extase.
Bij het horen van die woorden verhief Agastya zich plotseling van zijn zetel en liep snel naar buiten. Toen hij het drietal naar zich toe zag kamen, liet hij zijn tranen de vrije loop. Hij haastte zich naar hen toe, roepend: 'Heer! Heer!' Hij drukte Râma aan zijn boezem en dacht er niet over Hem los te laten. Hij stond met de armen om Râma heen en klampte zich aan Hem vast zoals een klimplant zich hecht aan een boomstam. Agastya kon de vreugde die in hem opwelde niet bedwingen toen hij Râma, Sîtâ en Lakshmana zijn kluizenaarsverblijf binnenleidde. Hij verzocht hun plaats te nemen op hoge zetels. Hij liet vruchten en zoete knolgewassen brengen en bood deze zijn gasten aan. Toen informeerde hij naar het verloop van hun reis en terwijl Râma zijn vragen beantwoordde, luisterde Agastya met de ogen gesloten van gelukzaligheid. De vreugdetranen stroomden over zijn wangen. Een gelukkige glimlach speelde over zijn gelaat. Tenslotte sprak hij: 'Heer! Ik ben ervan overtuigd dat er geen gezegender mens bestaat dan ik. Heer Nârâyana zelf is tot mij gekomen. Hij is te gast in mijn âs'ram! Kan dit waar zijn? Is het een droom? Neen. Ik verbeeld het mij niet, dit is de werkelijkheid.' Met woorden van dankbaarheid en overgave uitte hij zijn vreugd.
Râma sprak: 'O, vorst onder de monniken! Ik heb niets voor u te verbergen. U weet maar al te goed waarom ik naar dit woud gekomen ben. Zeg mij wat ik moet doen om dit demonengebroed, de Rakshasa's, te vernietigen, zij die de wijzen en monniken belemmeren in hun ascetische levenswijze. Zeg mij hoe ik Gods toegewijde dienaren kan beschermen en behoeden voor gevaar. Ik zal ernaar handelen en wacht op uw aanwijzingen. In het koude seizoen van Hemant verdorren en sterven de lotusbloemen. Thans breekt het seizoen aan dat de levenssappen van de Rakshasa's zullen uitdrogen.'
Râma's woorden deden Agastya glimlachen. Hij antwoordde: 'Heer! U bent alwetend. Waarom u mij vraagt wat u moet doen, weet ik niet. Ik weet niet zeker of u mij zegent of op de proef stelt. Dankzij uw genade, waardoor ik u heb mogen aanschouwen (darshan), aanraken (sparshan) en horen spreken (sambhashan), kan ik de betekenis van uw verzoek doorgronden. Ook dat is uw genade. Mâyâ, uw schepping en uw marionet, de slaaf aan uw voeten, is altijd waakzaam. Het lichte optrekken van uw wenkbrauwen is voor haar voldoende om uw bevelen uit te voeren. Met de door u verleende vermogens schept mâyâ alle wezens op aarde en in de hemel. Uw mâyâ is onoverwinnelijk. Alle schepselen worden eindeloos door haar gekweld, dat wil zeggen degenen die aan haar intriges ten prooi vallen. Dat is een feit. Iedereen weet dat uw mâyâ is als een wijdvertakte vijgenboom. De hemellichamen in de kosmos zijn als de vruchten aan die boom. De schepselen die in die kosmos leven, zijn als de wormen en larven die de vruchten binnendringen. De vrucht mag er aan de buitenkant prachtig uitzien, doch als men haar openmaakt, ziet men er honderden wormen in krioelen.
Degenen die gehecht zijn aan deze uiterlijke wereld en haar vergankelijke schatten vrezen u, aangezien u, die de Tijd zelf bent, onverbiddelijk hun plannen in duigen doet vallen. De gehele kosmos is een verschijningsvorm van uw werkelijkheid. Râma! Alle werelden aanbidden u. U vraagt mij om raad alsof u een gewone sterveling zou zijn en u prijst mij zoals de mensen dat doen. Dat vind ik zeer vermakelijk. Alle wereldse aangelegenheden laten mij volkomen koud. Mijn enige wens is dat u, met Sîtâ en Lakshmana, in onze âs'ram verblijft. Dat is alles wat ik van u vraag. Ik vereer liever uw vorm, met alle eigenschappen, dan uw principe, dat zonder vorm is. Daarin geloof ik en dat onderwijs ik. Dat is mijn ideaal, mijn diepstbegeerde doel en streven.
Verleen mij daarom deze gunst. Het is uw spel om uw dienaren te verheffen en zelf op de achtergrond te blijven, alsof u overal onschuldig aan bent en van niets weet! Verhef mij echter niet en vraag mij niet om u aanwijzingen te geven. Het is mijn plicht met uw wensen in te stemmen, ze te aanvaarden en u te volgen. Vader! Verlok mij niet tot uw mâyâ, waardoor ik tot egoïsme verleid word en het doelwit van uw spel.'
Hierop sprak Râma: 'O, vereerde wijze! U kent dit gebied goed, dus wat steekt er voor kwaad in als u mij vertelt welke plek ik als vestigingsplaats moet uitkiezen? Iedereen zou zoiets toch van u mogen verwachten, nietwaar?' Agastya antwoordde: 'Meester! Omdat u mij aldus hebt bevolen, zal ik onvoorwaardelijk gehoorzamen en u antwoord geven. Dicht bij deze plaats stroomt de heilige rivier de Godavari. Deze stroomt daar reeds eeuwenlang in volle glorie. Aangrenzend ligt het woud van Danda. Wanneer dit geheiligd zou worden doordat u er uw verblijfplaats kiest, dan zou u alle monniken en wijzen die er wonen ten volle geluk en tevredenheid schenken. Want dat gebied en zijn landvoogd worden geteisterd door een vloek die op hen rust.'
Hier onderbrak Râma de wijze met de woorden: 'Meester! Sîtâ zou gaarne de geschiedenis van die vervloeking horen. Wilt u ons alle bijzonderheden daarover vertellen?' Agastya doorzag dit verzoek en daarom sprak hij Râma aan met de benaming: 'O, Regisseur van dit eeuwigdurende toneelstuk! Eens brak er hongersnood uit in het Panchavati-gebied. Alle monniken en asceten die er woonden, zochten hun toevlucht bij de âs'ram van de wijze Gautama. Hij kon hun alles geven wat zij nodig hadden door de vermogens die hij had verworven tengevolge van zijn ascese! Toen de hongersnood voorbij was, besloten de monniken terug te keren naar hun oude hermitages. Er waren evenwel enkele pseudo-monniken die tegen Gautama samenspanden en plannen smeedden om zijn naam in opspraak te brengen. Zij kwamen met een koe die de dood nabij was en leidden het dier de tuin van de âs'ram binnen, naar een bijzonder groen en aantrekkelijk plekje. Gautama zag dat zij op het punt stond een prachtige bloem af te bijten en trachtte haar te verdrijven. Doch bij de eerste zachte duw viel de koe neer en blies de laatste adem uit! De samenzwerende monniken beschuldigden Gautama prompt van koemoord (go hathya), een afschuwelijke zonde. Zij veroordeelden hem als een verworpene en een heiden. Gautama wilde weten of de koe stierf als gevolg van de duw, of omdat haar toegemeten spanne tijds ten einde was. Hij verzonk in diepe meditatie om een antwoord te vinden op die vitale kwestie. Weldra werd hem geopenbaard dat het slechts een list betrof die vijandige monniken tegen hem hadden gebruikt. Hun verachtelijke aard vervulde hem met afschuw. Hij sprak: "Moge dit woud, dat verontreinigd is door dergelijke laaghartige individuen, verboden terrein worden voor alle goede en heilige mensen. Moge het de verblijfplaats worden van demonische yaksha's."
Er vond verder nog iets plaats dat de uitwerking van deze vloek verergerde. De heerser van dit gebied, Danda genaamd, schond de maagdelijkheid van de dochter van zijn eigen geestelijk leidsman Bhrigu. Toen deze het deerniswekkende verhaal van zijn dochter had aangehoord, bedolf hij in opperste woede het gehele gebied onder een regen van stuifaarde. Zo werd deze streek een grote modderpoel. Na verloop van tijd veranderde deze in een ondoordringbaar oerwoud. De streek heet nu: het woud van Danda (Dandakaranya), naar deze beruchte heerser. Râma! Kroonjuweel der Raghu-dynastie! Ik ben ervan overtuigd dat wanneer u in dat woud gaat wonen, de rakshasa's in groten getale zullen verdwijnen en de vloek zal worden opgeheven. De monniken en asceten (sadhaks) kunnen zich daar dan wederom terugtrekken om hun ascetische levenswijze voort te zetten. Deze reiniging zal tevens de afsluiting vormen van een periode en zal de gehele mensheid ten goede komen. Ik kan u zeggen dat u de wijze die de vervloeking destijds uitsprak, ook gelukkig zult maken, want de gevolgen van zijn toorn bedroeven hem zeer.'
Nadat Agastya de geschiedenis van het woud had verteld, sprak Râma: 'Welnu, het zij zo. Ik zal mij daar vestigen.' Hij nam afscheid van Agastya en maakte zich gereed om samen met Sîtâ en Lakshmana naar het Danda-woud te vertrekken. Aleer zij de âs'ram verlieten, haalde Agastya enkele wapens tevoorschijn die hij door ascese had verworven uit goddelijke bronnen. Hij overhandigde deze aan Râma en zei dat hij deze zelf niet wenste te hanteren. Zij behoorden nu toe aan iemand die de wapens verdiende en ze voor een heilig doel kon gebruiken. 'Râma!' sprak hij, 'U bent mijn schild, mijn sterkte en de bron van mijn vermogens. Deze wapens kunnen mij niet beschermen. U kunt dat wel. Uw genade is het krachtigste wapen dat ik bezit. U bent mijn toevlucht, mijn vesting, mijn ondoordringbaar schild.'
Op hetzelfde ogenblik dat Sîtâ, Râma en Lakshmana de dichtbegroeide wildernis van Danda betraden, vulden de uitgedroogde bomen zich opnieuw met levenssappen en werden zij overdekt met fris, groen gebladerte dat ritselde in de wind. Verwelkte en slaphangende klimplanten werden weer springlevend en brachten trossen zoetgeurende bloemen voort. Het woud hulde zich al snel in weelderig groen en overal verschenen stipjes van bloesems in vele kleuren. Het drietal ging op zoek naar een plek om te wonen en bereikte weldra de plaats die Agastya had aangewezen en die bekend staat als Panchavati. Daar ontmoetten zij de oude Jatayu, het hoofd der arenden. Hij was een grote vriend van Dasharatha en vergezelde hem op zijn expeditie in de ruimte, om hemelbewoners te hulp te komen. Râma vertelde Jatayu het droeve nieuws van Dasharatha's dood en verzachtte zijn gevoel van verlies en treurnis. Râma sprak over zichzelf en Sîtâ, over Lakshmana en de andere broers en deelde hem mee dat zij van plan waren een strohut te bouwen aan de oever van de Godavari. Jatayu werd een goede vriend en door hem kregen zij een beter beeld van hun omgeving. Die nacht brachten zij door onder een grote boom, verzonken in een diepe en verkwikkende slaap.
Het was Râma's wens om langere tijd in het Panchavati-gebied aan de Godavari te blijven. Dus toen Hij lag te rusten in de koele schaduw van een breedgetakte boom, riep Râma zijn broer bij zich en sprak: 'Lakshmana! Broer! Kies ergens in deze omgeving een mooie, geriefelijke plek uit en bouw daar een aardige, kleine hut, zo mooi als je maar wilt.' Deze opdracht trof Lakshmana als een dolkstoot! Hij kon de pijn niet verdragen. Hij wierp zich aan Râma's voeten en riep vertwijfeld uit: 'Zeg me wat ik heb misdaan om dit wrede bevel te verdienen!' Sîtâ en Râma waren zeer verbaasd over deze reactie van Lakshmana. Râma sprak: 'Lakshmana! Ik begrijp niet waarom je zo bedroefd bent. Heb Ik je ooit hardvochtig bejegend? Heb Ik misschien mijn verstand verloren dat Ik in scherpe, onaangename bewoordingen tegen jou of iemand anders spreek? Jij zorgt voor alles wat Ik nodig heb en vervult al mijn wensen. Je dient mij met hart en ziel. Hoe zou Ik je dan wreed kunnen bejegenen? Je verdriet is zinloos en ongegrond. Wat heb Ik zojuist eigenlijk tegen je gezegd? Slechts dit: zoek een plek uit die je bevalt en bouw daar een hut waarin wij kunnen wonen. Dat is alles, nietwaar?'
Hierbij hield Lakshmana met de handen zijn oren dicht en protesteerde verdrietig: 'Râma! Râma! Ik kan Uw woorden niet verdragen.' Râma was verwonderd over zoveel vertoon van droefheid. Doch toen stond Lakshmana met de handen tegen elkaar vóór Hem en zei smekend: 'Heer! Er is niemand in mij die zegt 'ik'. Sîtâ en Râma zijn mijn enige bezit, mijn enige schat. Ik heb geen eigen wensen en geen eigen wil. Mijn wens, mijn wil is Râma's wens, Râma's wil en Râma's bevel. Die te gehoorzamen, is mijn verlangen, mijn wil. Ik ben een slaaf die zich om niets en niemand anders bekommert. Hoe zou ik dan woorden kunnen aanhoren die zeggen dat ik degene ben die naar eigen wens een plaats voor de hut moet uitkiezen? Alsof ik het vermogen of de neiging zou hebben om te kiezen! Als ik een eigen voorkeur had, hoe zou ik dan een goede dienaar van Râma kunnen zijn? Hoe zou ik het voorrecht en het genoegen Hem te dienen waardig moeten zijn? Het zou betekenen dat ik ongeschikt ben om op aarde te leven en dat mijn leven slechts een last is en een schande.' Lakshmana stond luid te snikken en was niet bij machte zijn verdriet te onderdrukken.
Râma zag hoe droevig het Lakshmana te moede was en troostte hem op vriendelijke wijze. 'Broer! Je hebt een zeer zuiver hart. Ik heb die woorden in de gewone, wereldse betekenis gebezigd. Laten zij je echter niet de indruk geven dat je broer zich niet bewust is van je innige toewijding. Wees niet bedroefd.' Râma glimlachte stralend naar Lakshmana en vervolgde: 'Broer! Je toewijding is zo zuiver en je dienstbetoon zo waarachtig, dat zij Mij grote vreugde schenken. Je bedoelingen zijn onschuldig en edel. Ik zal je van nu af aan niet meer kwetsen met dergelijke bewoordingen. Ik sprak tegen je in gewone omgangstaal, dat is alles. Trek het je niet zo aan. Komaan! Laat ons samen een plek uitzoeken!' Aldus sprekend nam Hij Sîtâ en Lakshmana met Zich mee. Nadat zij enige tijd gelopen hadden, hield Râma stil en sprak: 'Zo, ga hier de hut maar bouwen!'
Toen hij dat hoorde, riep Lakshmana vol blijdschap uit: 'O! Ik ben waarlijk gezegend! Het is mijn taak dergelijke bevelen uit te voeren zonder mijn wens of wil te laten gelden of iets op eigen gelegenheid te doen.' Hij wierp zich aan de voeten van zijn oudste broer. Toen hij gelukkig en tevreden weer was opgestaan, begon hij aan zijn taak: het verzamelen van takken en twijgen voor de hut die hun tot woning zou dienen. Sîtâ en Râma beseften dat Lakshmana zeer fijngevoelig was en een scherpzinnig verstand bezat. Steeds als zij herinnerd werden aan de kracht van zijn geloof, vervulde hen dat met diepe, innerlijke vreugde. Menigmaal bekende Sîtâ aan Râma dat voor haar het leven in het woud nog heerlijker was dan dat in Ayodhyâ, omdat een broer als Lakshmana Râma vergezelde en Hem diende.
Toen Sîtâ en Râma de hermitage zagen die Lakshmana had gebouwd, waren zij verrukt over haar schoonheid, haar bekoorlijke eenvoud, de geriefelijkheid en over de omgeving waarin de hut zo fraai uitkwam. Sîtâ betrad de hut en werd onmiddellijk getroffen door de kundigheid en artistieke smaak waarmee haar zwager de woning had ingericht. Zij prees hem omdat hij de hut zo snel had voltooid en zo praktisch had ingedeeld. Het drietal bracht een gelukkige tijd door in het huisje.
Het nieuws dat Râma zich in de Panchavati-streek had gevestigd en daar evenals de andere bewoners in een loofhut woonde, had zich wijd en zijd verspreid. Dus maakten groepen asceten elke dag de tocht daarheen om Râma eer te bewijzen. Zij brachten hun leerlingen mee en allen laafden zich aan de aanblik van Râma. Bovendien waren zij zo fortuinlijk met Hem te kunnen spreken. Als zij naderhand tegen hun zin vertrokken om terug te keren naar hun eigen âs'rams, zongen zij de hele terugweg Râma's lot. Vele anderen volgden met de bedoeling een einde te maken aan de twijfel die hen kwelde bij hun pogingen de heilige geschriften te begrijpen en de morele wetten of de rituele voorschriften te preciseren en te verklaren. Weer anderen baden Râma om een antwoord op de vraag of de ascetische leefregels waaraan zij zich hielden juist en heilzaam waren. Aangezien Râma alle principes van dharma beheerste en de geschriften zeer goed kende, waren Zijn antwoorden en aanwijzingen volkomen bevredigend. Eenieder was vervuld van blijde voldoening.
Nu wij spreken over vragen en antwoorden, is het heilzaam de vier soorten vragen die zich voordoen goed te begrijpen. Gewoonlijk worden vragen onderverdeeld in de vier volgende groepen:
1. vragen zonder wezenlijke betekenis;
2. vragen van laag niveau;
3. vragen op redelijk niveau;
4. loffelijke, verheven vragen.
Vragen die gesteld worden om de ander in een controverse te betrekken om hem dan later een smadelijke nederlaag toe te brengen, zijn zonder wezenlijke betekenis.
Vragen die slechts dienen om de eigen slimheid en kunde te demonstreren, zijn minderwaardig en van laag niveau.
Vragen die wijzen op intellectuele vermogens en de gave tot logisch denken, zijn redelijk en behoren daarom tot de derde categorie.
Vragen die gesteld worden met de oprechte wens twijfel weg te nemen, zijn prijzenswaardig en behoren tot de hoogste categorie.
Het spreekt vanzelf dat de wijzen, monniken en asceten uitsluitend met vragen van de vierde soort tot Râma kwamen.
Râma en Lakshmana waren zeer verheugd over de komst van de asceten. Velen van hen werden overmand door gevoelens van bewondering en dankbaarheid bij het luisteren naar Râma's uiteenzetting van zijn idealen. Zo simpel waren zij, zo eenvoudig te begrijpen en te verwezenlijken, zo geheel in overeenstemming met de voorschriften van de s'âstra's en de heilige geschriften en zo vrij van elke dubbelzinnigheid. Zij barstten uit in lofzang om uiting te geven aan hun verering en aanbidding. 'O, Allerhoogste!' riepen zij uit. 'O, Alwetende, die verleden, heden en toekomst kent! Wie anders zou onze Heer en Verlosser kunnen zijn? U woont in de harten der wijzen. Wij danken het aan onze ascetische leefwijze dat wij U in ons midden mogen hebben. O, wat een geluk valt ons ten deel dat wij onze wensen op deze wijze in vervulling zien gaan!'
Zij namen met tegenzin afscheid van Râma. Tranen van blijdschap mengden zich met tranen van verdriet en stroomden over hun wangen. Sommigen legden zich terneer in de schaduw van de bomen die dichtbij Râma's hut stonden. Ze waren vastbesloten niet terug te keren naar hun eigen hermitages. Zij voedden zich met vruchten en knolgewassen die ze in de omgeving vonden en wachtten met vurig verlangen op de gelegenheid om Râma nogmaals te aanschouwen. Als zij, verborgen achter een boom of struik, Râma af en toe de woning uit zagen komen om rond te wandelen, verzadigden hun ogen zich aan dit onvergetelijke beeld. Aldus brachten zij hun dagen in volle tevredenheid door. Râma stal de harten van allen die in Zijn nabijheid kwamen. Zij verloren hun zinnen in hun volkomen overgave aan Hem alleen. Zij hadden het gevoel dat de innerlijke beschouwing van Zijn gelaat en het herhalen van Zijn naam nu nog de enige vorm van ascese was die zij hoefden te betrachten. Voor degenen die zich rond Hem schaarden, hield Râma verhandelingen over dharma en spirituele oefeningen voor zowel 's nachts als overdag.
Menigmaal riep Râma Lakshmana bij zich en zei tot hem: 'Broer! Hoe had ik ooit in Ayodhyâ kunnen blijven als je bedenkt voor welke heilige taak Ik gekomen ben? Hoe had ik daar de volgende bedrijven van de Ramâyana kunnen opvoeren? Mijn komst op aarde heeft tot doel de goede en goddelijke mens aan te moedigen en te beschermen, de zonde en het kwaad te vernietigen die de vrede en het welzijn in deze wereld bedreigen en rechtschapen gedrag en verrichtingen te bevorderen. Dit alles zal van nu af aan gaan plaatsvinden.' Aldus deelde Hij zijn broer mee wat Hij had besloten en wat de bedoeling en betekenis was van zijn incarnatie als mens op aarde.
Van tijd tot tijd verhief Râma Lakshmana tot instrument voor de verspreiding van Zijn leringen die tot doel hadden de mensheid spiritueel te verheffen. Regelmatig onderrichtte Hij zijn broer in de idealen van de zedenleer en geestelijke ontwikkeling. 'Lakshmana', zei Hij eens, 'liefde voor het lichaam, gehechtheid aan bezittingen van elke soort, egoïsme dat de tegenstelling 'ik' en 'jij' veroorzaakt, de banden die ontstaan tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen, tussen het individu en zijn bezit - zij alle zijn het gevolg van mâyâ, de oerillusie. Deze illusie is fundamenteel, geheimzinnig en wonderbaarlijk. Mâyâ's invloedssfeer strekt zich uit over alle wezens en alle materie, over elk levend schepsel. De tien indriya's (de vijf zintuigen en de vijf zintuiglijke organen) hebben elk hun eigen godheid. Mâyâ neemt de objectieve wereld waar en ontleent daaraan haar genoegen, door middel van deze godheden. Elk onderdeel van dat genoegen wordt door mâyâ teweeggebracht en is derhalve denkbeeldig; voorbijgaand en oppervlakkig. Mâyâ heeft twee vormen: de ene is kennis (vidyamâyâ), de ander heet onwetendheid (avidya-mâyâ). De laatste is zeer kwaadaardig en veroorzaakt de grootst mogelijke ellende. Degenen die erdoor worden aangetrokken, worden door de stroom meegesleurd en raken verstrikt in de netten van vreugde en verdriet, die elkaar afwisselen tot in het oneindige. De Mâyâ die vidya genoemd wordt, heeft de kosmos geschapen. Zij is daartoe aangedreven door de Heer (Brahmâ), want zij heeft van zichzelf geen aangeboren kracht. Slechts in de tegenwoordigheid van de Heer is zij in staat de kosmos te scheppen, die is samengesteld uit de vijf elementen (prapancha - de kosmos, de geschapen wereld bestaande uit aarde, water, vuur, lucht en ether). Deze worden verbonden met de drie snoeren van de guna's: sattva, rajas en tamas, die ieder afzonderlijk of in een bepaalde combinatie alle wezens kenmerken. Sattva is de harmonische, evenwichtige natuur, rajas de hartstochtelijke en dynamische geaardheid en tamas de passieve aard.
Hij die waarlijk wijs is, de jñânî, die God in zichzelf verwerkelijkt heeft, is degene die afstand heeft gedaan van alle rechten en plichten van kaste en maatschappij, van leeftijd en status en die voortdurend leeft in het bewustzijn dat alles God (Brahman) is. Hij heeft begrepen dat er geen veelvuldigheid of verscheidenheid bestaat. Alles is één. (Sarvam khalu idam Brahma; na iha nana asthi kinchana). De jñânî weet dat de ganse kosmos uit dezelfde Brahman bestaat en dat er geen tweede entiteit naast Brahman kan zijn. O, Lakshmana! Je moet weten dat de Drie-eenheid (Brahmâ, Vishnu en Rudra (S'iva)) slechts weerspiegelingen zijn van de ene Brahman, in elk van de drie aspecten sattva, rajas en tamas. Het rajas-aspect wordt verpersoonlijkt door Brahmâ (de Schepper), het sattva-aspect door Vishnu (de Instandhouder) en het tamas-aspect door Rudra, S'iva of Îs'vara (de Vernietiger). De hele kosmos, met inbegrip van de wereld, is de manifestatie van de ene Brahman door een van deze drie kenmerken of een combinatie ervan. Waarlijk wijze mensen zullen zich derhalve niet laten ketenen door de drie guna's, en de oorsprong zoeken in de ene Absolute. Slechts zij verdienen de naam vairâgi, omdat zij volkomen onthecht zijn en geen begeerte meer hebben of gevoelens van voorkeur of afkeer.
Van tijd tot tijd liet Râma Lakshmana en Sîtâ bij zich komen en zette Hij uiteen dat, zolang het individu met het ego-aspect (jîvi) de verwantschap tussen hemzelf en mâyâ, en tussen hemzelf en het universele Absolute (Brahman) niet goed begrijpt, bevrijding en eenwording met de Allerhoogste onmogelijk is. Hij moet dan een afgescheiden individu blijven, door de begoocheling gebonden aan de begrenzingen van naam en vorm. Op hetzelfde ogenblik evenwel dat het individu beseft dat hij slechts een afspiegeling is van de Allerhoogste, en dat het onderscheid tussen het Absolute en hemzelf niet op waarheid berust, zal mâyâ verdwijnen als ochtendnevel voor de opgaande zon. Dat is de ware kennis van het hogere zelf (âtmâjñâna) want God is het allerhoogste Zelf (paramâtmâ) en het individu is diezelfde paramâtmâ, weerspiegeld in het lichaam-met-naam-en-vorm (upadhi).
'Handel in overeenstemming met de gedragsregels die passen bij het spirituele niveau dat je hebt bereikt en bij de roeping die je hebt ontvangen (sva-dharma). Je zult daardoor onthechting verwerven. Bekwaam je in yoga, zelfbeheersing, spirituele discipline, of het zoeken naar eenheid met het Opperwezen. Dan zul je de hoogste wijsheid (jñâna) verwerven. Die wijsheid is het allerlaatste stadium in de spirituele ontwikkeling en leidt tot eenwording. Het aanbidden van God met de grootst mogelijke liefde heet toewijding (bhakti). De toegewijde mens (bhakta) ontvangt overvloedig Gods zegen en genade. Zijn toewijding zal hem alle voorspoed schenken. Bhakti welt spontaan op uit het hart en is niet afhankelijk van zaken of personen in de buitenwereld. Deze toewijding kan bovendien de goddelijke wijsheid verlenen aan degene die zich vol overgave aan de Heer heeft gewijd. De vreugde die bhakti schenkt, is onvergelijkelijk en onmeetbaar. Wat doet een mens het pad van bhakti kiezen? Hij wordt daartoe geïnspireerd door het mededogen van een goede, godvruchtige wijze of door een ziel die zelfverwerkelijking heeft bereikt. Dit pad leidt de mens snel tot Mij.'
Luisterend naar dergelijke verhandelingen, vergaten Sîtâ en Lakshmana waar zij waren en in welke omstandigheden zij verkeerden. Ook Râma zelf scheen zich niet bewust van Zijn omgeving, zo enthousiast weidde Hij uit over de aantrekkelijkheid van het spirituele leven. Urenlang waren zij verzonken in zelfbeschouwing en het doorvorsen van innerlijke gelukzaligheid.
Op een dag overpeinsde Lakshmana deze diepe waarheden en waardevolle richtlijnen en terwijl hij bij de hut de wacht hield, viel zijn oog op een kleine, jonge linde die zich naar boven worstelde in de schaduw van een reusachtig grote boom. Hij wilde het boompje dichter bij de hut planten in de hoop dat het door zijn goede zorgen flink zou groeien. Hij groef het zeer liefdevol en omzichtig uit. Plotseling verscheen de verdorven en kwaadaardige zuster van Râvana, Surpanakha geheten, op het toneel! Zodra zij Lakshmana ontwaarde, werd zij betoverd door het aureool van goedheid en luister dat zijn gestalte omgaf. Zij werd met stomheid geslagen door die onverwachte aanblik. Snel veranderde zij zich in een lieftallig, mooi schepsel en naderde Lakshmana met verliefde gebaren. Lakshmana sloeg evenwel geen acht op haar. Hij ging voort met zijn bezigheden en liet zich door deze verschijning niet van de wijs brengen. Surpanakha kon niet langer verdragen dat zij zo genegeerd werd. Zij kwam dicht bij Lakshmana staan en smeekte op meelijwekkende toon: "Heer! Waarom drijft u mij tot wanhoop? Temper de hartstocht die in mij is opgelaaid en laat uw liefdevolle, gelukschenkende blik op mij rusten." Lakshmana reageerde niet op haar kreten. Hij hoorde de woorden wel, doch glimlachte slechts bij zichzelf om haar vrijpostigheid en zette zijn pogingen voort om het boompje over te planten. Surpanakha verloor haar geduld. Ze maakte aanstalten om hem te omarmen. Doch Lakshmana deinsde terug en zei als inleiding tot de goede raad die hij haar wilde geven: 'Moeder! Ik ben de slaaf van Heer Râma. Ik ben geen vrij man. Wat ik ook doe, hoe nederig mijn taak ook is, ik volg slechts Râma's bevelen.'
Sîtâ en Râma, die Lakshmana's stem hoorden en zich afvroegen met wie hij sprak, kwamen naar buiten, de tuin in. Râma zag Surpanakha en besefte dat zij het was die zich in de jonge vrouw had veranderd en daar voor hem stond. Hij bereidde zich voor op alle mogelijke gebeurtenissen. Surpanakha vuurde intussen beledigingen af op Lakshmana als 'lafaard' en 'booswicht' en lachte smalend om zijn ontoeschietelijke houding. Zij had Râma nog niet opgemerkt, want in haar woede was al haar aandacht op Lakshmana gericht. Zij smeekte: 'O, allerbekoorlijkst wezen! Huw mij en ik maak u gelukkig. Ik zal u in verrukking brengen en u trouw dienen.' Lakshmana trachtte haar van zich af te houden door te zeggen: 'Schone vrouw! Ik ben een slaaf. Zou ik u huwen, dan zou u eveneens als een slavin moeten leven.' Hij vervolgde gekscherend: 'Welnu, daar is mijn Meester, Râma. Als u Hem huwt, zal ik uw slaaf zijn.'
Surpanakha vatte zijn woorden letterlijk op. Het idee stond haar wel aan. Zij liep naar de hut die Lakshmana haar had gewezen en zag daar in de deuropening een buitengewoon mooie vrouw staan, met naast haar de belichaming van mannelijke charme. Samen lachten zij om haar. Surpanakha ontbrandde in vurige liefde, snelde naar Râma en bracht snikkend uit: 'God van liefde, God van schoonheid, aanvaard mij als de Uwe.' Ook Râma besloot haar een les te leren en de draak te steken met de belachelijke situatie die was ontstaan. Hij sprak met lichte spot: 'O, wonderschone vrouw! Ik kan u niet huwen, want ik heb plechtig beloofd monogaam te blijven. Mijn echtgenote is hier. Mijn broer Lakshmana die daar staat, heeft weliswaar een vrouw doch zij is niet hier. Trouw dus maar met hem en wees tevreden. Hij is de juiste man voor u, ga naar hem toe.'
Hierop snelde Surpanakha naar Lakshmana en hervatte haar smeekbeden. Zij sprak: 'Uw broer heeft ingestemd met een huwelijk tussen u en mij, dus talm niet langer en aanvaard mij.' Zij had nu een zeer nederige en vriendelijke houding aangenomen. Lakshmana begreep hoe absurd haar situatie was en wilde de vermakelijkheden nog wat opvoeren. Hij stuurde haar naar Râma, die haar weer terugzond naar Lakshmana. Dit heen en weer sturen gebeurde enkele malen, tot Surpanakha zo wanhopig werd en dermate verblind was door hartstocht, dat zij weer verviel tot haar demonische aard! Haar misvormde verstand fluisterde haar in dat het Sîtâ was die haar succes in de weg stond bij dit avontuur der lusten. Omdat Hij Sîtâ aan Zijn zijde had, kon Râma haar immers niet huwen. Was Sîtâ eenmaal uit de weg geruimd, dan zou Râma zeker bezwijken voor haar smeekbeden. Dus viel zij Sîtâ aan, met de bedoeling haar te doden en te verslinden, want zij was een demon in heel haar wezen.
Lakshmana stond gereed om in te grijpen, maar hij wachtte op een teken van Râma. Râma besefte dat de vrouw ver heen was en tegengehouden moest worden. Daar Râma van mening was dat het niet nodig was haar te doden doch dat zij wel bestraft diende te worden, hief Hij zijn hand op en telde op Zijn vingers tot vier terwijl Hij Lakshmana aankeek. Deze begreep onmiddellijk de betekenis van dit gebaar! Door tot vier te tellen, duidde Râma op de vier Veda's die tezamen s'ruti genoemd worden, hetgeen wil zeggen 'dat wat gehoord wordt; het gesproken woord; heeft betrekking op de mondelinge overlevering van vedische kennis' oftewel 'het oor'. Lakshmana had een scherp en wakker verstand. Daarom kon hij het kleinste gebaar van Râma juist interpreteren. Râma had zijn hand geheven naar de hemel. De hemel, of akasha is een van de vijf basiselementen [tanmâtra's], gekenmerkt door het geluid. Geluid is het symbool voor Brahman en staat bekend als S'abda Brahman, of God. God woont in de hemel en de opgestoken hand verwees daarnaar. In het Sanskriet wordt de hemel ook nâka ['waar geen pijn is'] genoemd, hetgeen nog een andere betekenis heeft, namelijk 'neus'. Nauwelijks had Râma die twee gebaren gemaakt of Lakshmana stormde met getrokken zwaard af op de demonische vrouw. Hij wierp haar tegen de grond en roepend dat haar onbeschaamdheid bestraft moest worden, sneed hij haar oren en neus af! Surpanakha begon zo luid te jammeren dat zij het woud deed schudden en beven. Zij nam haar ware gedaante van menseneetster weer aan en gilde: 'Noemt u dit rechtvaardig? Hoe kunt u een vrouw die u benadert zo afschuwelijk mismaken? Ik zal mijn broer Râvana hierheen halen en u deze wrede daad betaald zetten.' Hierop verdween zij schielijk in het woud.
Zij ging rechtstreeks naar het Danda-woud waar de twee aanvoerders der demonen, Khara en Dushana, zich bevonden en riep weeklagend uit: 'Hoe kunnen jullie deze belediging en de verwondingen die je zuster zijn toegebracht stilzwijgend dulden? Met welk doel hebben jullie zoveel moed en macht verzameld? Het ware beter dat zij in rook opgingen. Zijn jullie echte kerels? Durf je jezelf zo te noemen? Schaam je, met je grootspraak over je heldhaftigheden.' Khara en Dushana begrepen niet wat er met haar gebeurd was en wie haar zo deerniswekkend verminkt had. Zij vroegen haar: 'Zuster! Wie heeft u zo verwond? Zeg het ons en wij zullen ons uit alle macht op hem wreken.'
Hierop deed Surpanakha haar relaas van de gebeurtenissen. Zij ving aan met een gedetailleerde beschrijving van de charme en de innemende schoonheid van Râma en Lakshmana. Het maakte de broers razend. Zij vroegen haar waarom zij haar tijd en die van hen verdeed met die overbodige inleiding. 'Zeg ons liever wie je aangezicht zo heeft geschonden.' Toen vertelde Surpanakha de hele geschiedenis.
Khara en Dushana waren hevig verbolgen over het wrede lot van hun zuster wier oren en neus waren afgesneden. Zij brachten een leger bijeen van veertienduizend mensenetende reuzen en marcheerden in alle haast richting Râma en Lakshmana, de broers die haar zo hadden bestraft. De reusachtige krijgers waren dermate onbedwingbaar dat men ze zelfs in dromen niet kon verslaan. Zij wisten van geen aftocht of nederlaag en waren onoverwinnelijk in de strijd. Als een gevleugelde bergketen bewogen zij zich met grote snelheid voort langs de valleien in angstaanjagende horden terwijl de aarde beefde onder hun voeten. Elk der reuzen was tot de tanden toe uitgerust met een verscheidenheid aan dodelijke wapens. De van haar oren en neus beroofde weduwe, Surpanakha, liep met haar bloedend hoofd voor de gehele krijgsmacht uit, belust op wraak. Zij leidde het leger naar het veld waar zij Râma en Lakshmana had ontmoet.
Surpanakha zelf vertegenwoordigde echter een ongunstig begin van de veldtocht. Zij toonde alle voortekenen van de komende strijd. Zij was weduwe, zij was mismaakt en had een bloedend gezicht. Surpanakha bezat al deze ongelukbrengende kenmerken. De Râkshasa's sloegen geen acht op deze voorboden van onheil bij hun opmars naar het slagveld. Zij vertrouwden op hun fysieke en materiële sterkte en op hun snode krijgslisten. Juist daarom zijn zij nimmer opgewassen tegen de macht van goddelijke en rechtschapen legerscharen. Wie zou immers de krachten kunnen weerstaan die ontleend worden aan de eerbiediging van dharma en aan Gods genade? Zij bekommerden zich om God noch gebod. Al hun energie en vaardigheden waren erop gericht hun gelederen te versterken en aan macht en kracht te winnen. Trots op hun wapens, hun spierkracht en goddeloze geslepenheid, marcheerden zij het woud in, blazend op hun trompetten, brullend als leeuwen, trompettend als wilde olifanten, luid snoevend op hun heldendaden en ronddansend als wilden. Het kwam niet in hun hoofd op dat de verwoestende kracht van hun aanval niets meer te beduiden had dan de aanval van een mus op een adelaar!
Reeds van verre wees Surpanakha haar broers het kluizenaarsverblijf aan waar Râma zich bevond. Om de menseneters op te zwepen tot uiterste bloeddorstigheid, riepen de manschappen in koor: 'Vang ze, dood ze, maak ze af', en stormden naar voren. Toen zij de hut naderden, daagden de broers Râma uit, schreeuwend zo luid ze konden: 'O booswicht, 0 ongelukkige! Je hebt het gewaagd onze zuster te verminken, nietwaar? Wel, zie nu maar je eigen hachje te redden!' Râma had hen reeds zien naderen. Hij gaf Lakshmana opdracht Sîtâ in een grot te verbergen en de wacht te houden. 'Maak je over mij geen zorgen. Er kan mij nimmer enig kwaad geschieden', sprak Râma. Lakshmana wist hoe machtig Râma was en gehoorzaamde Hem stilzwijgend. Hij twijfelde geenszins aan de overwinning. Hij leidde Sîtâ de grot binnen en bleef bij haar met zijn pijl en boog gereed voor het geval hij die nodig mocht hebben.
Râma stond voor het kluizenaarsverblijf en een glimlach verhelderde Zijn gelaat. Hij hield Zijn Kodanda-boog strak gespannen, gereed voor de strijd. Râma beroerde licht met beide handen het haar op Zijn hoofd. Toen Hij dit deed, zagen Zijn bloeddorstige vijanden hoe Zijn haardos miljoenen lichtflitsen uitzond. In hun ogen schenen Râma's armen enorme, veelkoppige slangen. Zoals een leeuw dreigend naar een olifant kijkt en zijn tanden laat zien in het vooruitzicht van een zekere overwinning, zo stond Râma de Leeuw uitdagend en ontzagwekkend voor de olifanten. Kreten als 'dit is de man die haar verminkt heeft, grijp Hem' en 'dood Hem' overstemden het tumult. Niemand waagde het evenwel ook maar een stap naar voren te doen en zijn woorden in daden om te zetten. Hoezeer daartoe ook aangespoord, niemand had de euvele moed om Râma te naderen. Het woud vulde zich met de verwensingen en woeste kreten van de mensenetende reuzen. De wilde dieren renden in paniek alle kanten op, zoekend naar een schuilplaats. Enkele dieren vluchtten de grot in waar Sîtâ zich bevond. Lakshmana had begrip voor hun angst en liet hen binnen, zodat zij zich niet langer bedreigd zouden voelen. Hij bood hun een veilige schuilplaats en heette hen welkom, wel wetend dat zij in grote nood verkeerden.
De woeste reuzen die Râma omsingeld hadden, werden zo overmand door diens schoonheid en charme dat zij slechts konden staren naar zoveel heerlijkheid en pracht. Velen schepten er een genoegen in Zijn aanvallige verschijning te beschrijven en menigeen was verzonken in bewondering. Allen werden zij met Râma verbonden door banden van liefde en eerbied. Niemand kon of wilde zijn wapen tegen Râma opheffen of zelfs maar een boze blik op Hem werpen!
Ook Surpanakha sloot zich aan bij de verheerlijking van Râma. Tegen Khara en Dushana, die met stomheid geslagen naast haar stonden, sprak zij: 'Broers! Welk een ongeëvenaarde schoonheid zien wij hier voor ons! Nog nooit in mijn leven heb ik zoveel gratie en charme aanschouwd, zulk een zuivere, harmonische gestalte. Dood Hem niet, doch vang Hem en breng Hem mij.' De broers waren niet minder verrukt van Râma dan Surpanakha zelf. Zij antwoordden: 'Zuster! Ook wij hebben nimmer een dergelijke belichaming van schoonheid aanschouwd. Hoe dichter wij Hem naderen, hoe sneller Hij onze harten verovert en hoe meer wij geboeid worden door Zijn charme. Wij gevoelen niet de minste boosheid of haat jegens Hem. Hoe langer wij Hem gadeslaan, hoe groter de vreugde die in ons hart opwelt. Dit is misschien wel het gevoel dat de wijzen die hier wonen ânanda (opperste gelukzaligheid) noemen.'
Khara wilde niet zelf met Râma spreken, dus zond hij een boodschapper om te weten te komen wie deze persoon was, hoe Hij heette, waar Hij vandaan kwam, waarom Hij in het woud was komen wonen en zo meer. De boodschapper liep op Râma toe en stelde Hem al deze vragen zoals hem was opgedragen. Râma glimlachte om het gedrag van de man. Hij sprak: 'Luister eens, vriend! Ik ben een kshatriya en ben naar dit woud gekomen om te jagen op wilde dieren zoals jouw meester. Ik ken geen vrees, zelfs niet voor Kali [zie ook S.B. 1:17, S.B. 4.8-3 & 5.9], de godin des doods. Als je denkt dat je daartoe in staat bent, ga dan de strijd met mij aan en overwin mij. Keren jullie anders allemaal naar huis terug en voorkom daarmee een gewisse ondergang. Ik zal niemand doden die het slagveld wil ontvluchten.'
De boodschapper bracht Râma's verklaring woordelijk over aan Khara en Dushana. Hierop grepen de broers naar hun wapens: speren, bijlen, knotsen, pijlen en bogen. Hun luid gebrul weerklonk als het rollen van de donder. Zij lieten een regen van wapens op Râma neerdalen, doch Râma hakte ze in stukken met een enkele pijl uit Zijn boog. Andere pijlen die Râma op hen afschoot, richtten evenveel schade aan als vuur of bliksem zou hebben gedaan. De reuzen trokken zich terug na deze aanval, en van pijn schreeuwden zij uit louter doodsangst en wanhoop: 'O moeder', 'O vader', 'Ach, red ons.'
Toen zij hun krijgers zagen vluchten, riepen Khara, Dushana en hun jongste broer Thrisira: 'Râkshasa's! Verlaat het slagveld niet. Degene die tracht te vluchten, zal ter plekke door onze eigen soldaten worden gedood.' Bij deze waarschuwing overlegden de krijgers bij zichzelf wat te doen en zeiden: 'Welnu! Liever val ik door Râma's hand dan gedood te worden door een ander, of ergens te sterven waar Râma niet is.' Zij sloten zich weer bij de gelederen aan en bewogen zich voort in de richting van Râma. Zij waren evenwel niet van zins Hem aan te vallen. Zij werden zozeer geboeid door Râma's bekoorlijkheid en grootsheid, dat zij als aan de grond genageld bleven staren naar deze goddelijke schoonheid. Râma schoot intussen de pijl af genaamd sammohana, die een begoochelende en verwarrende uitwerking op de vijand had. Dientengevolge zag elke soldaat de kameraad naast zich als de man die hij volgens zijn opdracht moest doden. Khara en Dushana hadden hen aangezet tot het doden van Râma, dus vielen zij elkaar aan, schreeuwend: 'Râma is hier', 'Dit is Râma', en maakten elkaar met het grootste genoegen af.
Het hele slagveld lag bezaaid met de afgehouwen ledematen van mensenetende monsters. Hun bloed vloeide in grote stromen door het woud. Aasgieren en zwarte kraaien verzamelden zich alom, erop belust zich tegoed te doen aan de kadavers. Veertienduizend Râkshasa's zagen die dag op het strijdtoneel een en hetzelfde gelaat! Allen stierven zij met de kreet 'Râma, Râma' op de lippen. Ook Khara en Dushana kwamen om, samen met hun trouwe trawanten.
De asceten en wijzen die getuige waren geweest van dit afschuwelijke tafereel, waren zich bewust van Râma's ongeëvenaarde moed. Zij waren gelukkig omdat zij wisten dat door toedoen van deze held ook Râvana's einde verzekerd was. Zij zagen hun geloof bevestigd dat Râma de Almachtige Voorzienigheid was, die gekomen was om het hele ras van de Râkshasa's van de aardbodem weg te vagen en zodoende de vrede en voorspoed van de mensheid veilig te stellen.
Zodra de hevige strijd ten einde was, kwamen Sîtâ en Lakshmana naar Râma toe en wierpen zich voor Hem ter aarde. Râma richtte Lakshmana met zachte hand op en beschreef hem het lot dat de veertienduizend reuzen en hun aanvoerders hadden ondergaan tijdens de veldslag die nauwelijks een half uur geduurd had. Râma deed gedetailleerd verslag en had duidelijk plezier, menigmaal glimlachend en grinnikend tijdens zijn relaas. Sîtâ liet intussen haar blik gaan over Râma's gestalte, om zich ervan te overtuigen dat Hij ongedeerd was en zelfs geen schrammetje had opgelopen.
De volgende dag bezochten groepen asceten en wijzen met hun volgelingen en leerlingen Râma's Panchavati-âs'ram, want zij hadden vernomen dat het leger der Râkshasa's was vrnietigd door de Prins van Ayodhyâ in eigen persoon, zonder steun van anderen. Zij verheerlijkten Râma om Zijn dapperheid en zijn grote vaardigheid in het boogschieten. Enkelen van hen die het vermogen hadden verworven in de toekomst te schouwen, naderden Râma vol nederigheid en spraken: 'O, Meester! De komende dagen zult u zeer waakzaam en alert moeten zijn. De Râkshasa's zijn fel gekant tegen alle beperkingen die gerechtigheid en oprechtheid de mens opleggen. Hun dagelijkse bezigheden bestaan daarin dat zij zoveel mogelijk schade berokkenen aan alles en iedereen. Hun hoogste doel is het vervullen van zelfzuchtige verlangens. Het is hun om het even op welke wijze en met welke middelen zij hun doel bereiken. Zij hebben een oudere broer genaamd Râvana, die oneindig veel machtiger is dan zij. Zijn leger is vele miljoenen manschappen sterk. Deze feeks Surpanakha zal zich ongetwijfeld tot hem wenden en haar lot beklagen. Râvana zal zijn zuster beslist steunen en trachten wraak te nemen op degenen die haar verminkt hebben.'
Aldus waarschuwden zij Râma en Lakshmana en gaven hun alle kennis door waarover zijzelf beschikten. Râma hoorde hen glimlachend aan en sprak: 'Ja, ja. Deze situatie is mij bekend. Het heeft te maken met de speciale missie waarvoor Ik gekomen ben.' Hij knikte alsof Hij vurig verlangde naar het gelukkige moment waarop Hij Râvana persoonlijk zou ontmoeten. Meer zei Râma echter niet. Niets aan zijn houding verried dat Hij wist wat de toekomst brengen zou. Râma richtte zich tot Lakshmana met een blik van verstandhouding en sprak: 'Je hebt het gehoord, nietwaar?' Zich wendend tot de wijzen sprak Râma: 'Wat Ik u bidden mag, maakt u zich geen zorgen. Ik ben op alles voorbereid, wat er ook gebeuren mag.' Zij werden bemoedigd en getroost door deze stellige belofte. Râma gaf hun geloof en nieuwe moed en liet hen terugkeren naar hun âs'rams in het volle vertrouwen dat zij hun studies en spirituele oefeningen in alle rust en vrede konden hervatten, zonder te worden gestoord door de Râkshasa-horden.
Zoals de wijzen voorspeld hadden, begaf Surpanakha zich ijlings naar haar broer Râvana. Haar luid gejammer doorkliefde de lucht en de Râkshasa's van Lankâ die het hoorden, waren bevreesd dat een ramp hun land had getroffen. Zij liepen de straat op, stonden in groepjes bijeen en vroegen zich af wat er gaande kon zijn. Surpanakha viel luid scheldend de audiëntiezaal van Râvana, de keizer der Râkshasa's, binnen tot verbijstering en vrees van alle aanwezigen. Zij bood een monsterlijke aanblik. Haar lichaam was overdekt met bloed, en woede vergiftigde haar woorden. Râvana begreep dat iemand haar zwaar verwond moest hebben en hij was geschokt toen hij zag hoe slecht zij eraan toe was. Zittend op zijn troon brulde hij: 'Zuster! Vertel ons precies wat er gebeurd is.'
Surpanakha antwoordde: 'Broer! Als je een echte Râkshasa bent en waarlijk bovenmenselijke vermogens hebt verworven door je jarenlange ascese, komaan, dan is nu het ogenblik daar om je onverschrokkenheid, je koelbloedigheid en je heldenmoed in de strijd te werpen. Sta op! Wees niet blind voor de rampspoed die je te wachten staat en verzaak je plicht niet doordat de drank je beneveld heeft. Je hebt geen aandacht geschonken aan de gebeurtenissen die in Panchavati plaatsvinden, weet niet wie daarheen gekomen is, met welk doel en met welke opdracht. Er zijn prinsen het Danda-woud binnengetrokken die vastbesloten zijn de Râkshasa's te vernietigen. Honderdduizenden Râkshasa-soldaten zijn reeds gevallen. Onze broers Khara en Dushana hebben zij aan stukken gehakt. Duizenden soldaten die hen wilden aanvallen, hebben zij in een oogwenk van de aardbodem weggevaagd. De heldenmoed van de prinsen tart elke beschrijving, evenals hun schoonheid van gestalte. Ah!' Hier zweeg Surpanakha en bleef roerloos staan. Zij liet haar gedachten gaan over de schoonheid die haar zo verrukt had.
Râvana hoorde haar relaas aan en werd uitzinnig van woede. Hij knarsetandde en gedroeg zich als iemand die tot het uiterste getergd wordt. 'Wat! Hebben die ellendelingen Khara en Dushana gedood? Zij hadden waarschijnlijk nog nooit van mij gehoord en wisten niet dat ik volledig achter mijn broers sta. Zij wisten wellicht evenmin hoe machtig en wraakzuchtig ik ben.' Râvana zette zijn grootspraak voort en weidde uit over zijn heldendaden totdat Surpanakha hem onderbrak met de woorden: 'O, jij toppunt van verdorvenheid! Al danst er een aartsvijand op je hoofd, dan nog zit je hier jezelf en je onoverwinnelijkheid op te hemelen! Dat is een keizer onwaardig. Misschien weet je niet dat sannyâsîns in het verderf gestort worden doordat zij zich in slecht gezelschap begeven, dat keizers ten val komen door de ministers die zij in dienst hebben, dat wijsheid teloorgaat door de zucht naar waardering en dat elk schaamtegevoel verdwijnt door het drinken van sterke drank. Welnu broer, veronachtzaam nooit een brand, een ziekte, een vijand, een slang of een zonde, omdat zij klein of onbetekenend zouden zijn. Als zij zich ontwikkelen of verergeren, zullen zij zeker grote schade aanrichten. Aarzel daarom niet en haast je.'
Surpanakha's woorden druppelden het vergif van de haat in Râvana's oren. Kumbhakarna, een andere broer die daar aanwezig was, vroeg hierop met een glimlach om de lippen aan Surpanakha: 'Wie hebben je neus en je oren afgesneden?' Luid jammerend antwoordde zij: 'Ach, dit kwaad is mij juist door diezelfde prinsen aangedaan.' Râvana trachtte haar enigszins te troosten en vroeg toen: 'Zuster! De neus zit aan de voorkant en de oren zitten aan de zijkanten van het gezicht. Het is onmogelijk ze met één houw af te snijden. Dus zeg me: was je in diepe slaap toen zij je van neus en oren beroofden? Het is werkelijk onverklaarbaar.' De andere aanwezigen vroegen zich eveneens af hoe het had kunnen gebeuren.
Surpanakha antwoordde: 'Broer! Ik had elk lichamelijk bewustzijn verloren en wist zelfs niet meer waar ik was toen die tedere, zachte handen mij aanraakten. Terwijl mijn ogen zich laafden aan de innemende schoonheid van hun gelaat, drong het niet tot mij door wat zij deden. Alleen al de aanblik van die prinsen bracht mij zo in verrukking, dat ik alle besef verloor van mijn aanwezigheid en omgeving. Ach, en wat te zeggen van de vervoering waarin ik geraakte toen ik met hen sprak! Men ziet hen altijd glimlachen en stralen van vreugde; een andere houding of reactie kennen zij niet. Zelfs een mannenhart zal zeker worden bekoord door hun charme. Zij zijn een waarlijk onweerstaanbare vertegenwoordiging van de god van liefde. Nog nimmer heb ik een dergelijke schoonheid aanschouwd. Wij, Râkshasa's moesten ons schamen voor onze trotse vechtlust, onze verachtelijke krijgslisten, onze abnormale gestalte, ons afzichtelijke uiterlijk. Wij zijn werkelijk weerzinwekkend. Eén blik op de prinsen is genoeg. Je zult moeten toegeven dat ik gelijk heb. Waarom? Khara en Dushana, die in de strijd het leven lieten, bevochten hen met grote tegenzin. Zij maakten hevig bezwaar en zeiden tegen mij: 'Hoe kunnen wij haatgevoelens koesteren en deze belichamingen van voorspoed en toonbeelden van schoonheid aanvallen?'
De hovelingen en ministers die in de zaal bijeen waren, luisterden met ontzag en verrukking naar Surpanakha's beschrijving. Haar woorden brachten zelfs Râvana in verwarring. Het beeld dat zij van Râma schetste, bracht hem bij nadere beschouwing grote vreugde en vrede. Diep in zijn hart verlangde hij er vurig naar een blik te werpen op deze inspirerende verpersoonlijking van goddelijke bekoorlijkheid. Terwijl hij naar zijn zuster luisterde, ebde de woede weg die hem daareven nog vervuld had. Hij besloot rustig te onderzoeken wat er werkelijk in Panchavati was voorgevallen.
Râvana richtte zich tot Surpanakha met de volgende woorden: 'Zuster, vertel mij: wonen die twee broers geheel alleen in Panchavati? Of zijn er nog anderen? Hebben zij geen volgelingen, hovelingen of ander gezelschap?' Surpanakha antwoordde: 'Neen, zij hebben geen lijfwachten, krijgers of verwanten om zich heen. De oudste van de twee, Râma, heeft echter een vrouw bij zich die gezegend is met een ongeëvenaarde schoonheid. Zij is zelfs nog schoner en bekoorlijker dan de prinsen. Zij is de godin der liefde in menselijke gedaante. De twee broers wonen samen met deze vrouw in Panchavati. Zij dwalen er onbekommerd rond op de open plekken van het woud en door de valleien. Ik heb feitelijk nog nimmer een dergelijke volmaakte vrouwelijke schoonheid aanschouwd. Zij heeft haars gelijke niet, in de hemel noch op de aarde.'
Hoofdstuk 3: De Geslepen Booswicht
De woorden van Surpanakha wekten Râvana's wellustige passie en hij werd tot slaaf van zijn eigen rampzalige dwaasheid. Hij wist zich te ontdoen van zijn haatgevoelens jegens Râma en Lakshmana, en begon plannen te smeden om Sîtâ te ontvoeren. Hij verzonk in gedachten en werd overmand door begeerte en rusteloosheid. Geen enkele poging deed hij om zijn honger of dorst te stillen, zo groot was de noodlottige betovering waaraan hij ten prooi was. Terwijl Surpanakha de schoonheid en grootsheid van de broers Râma en Lakshmana schetste, was er een persoon in de audiëntiezaal, Vibhishana, die het verhaal aanhoorde met vreugde in het hart en tranen in de ogen. Hij bereidde die goddelijke en bekoorlijke gestalten een plaats in de tempel van zijn hart en smachtte naar een kans om bij hen te zijn en zich aan hun voeten te werpen. 'Zullen zij mij willen ontvangen? Is er verlossing voor mij? Verdien ik hun zegen?' vroeg hij zich af. Hij hield zich voor: 'Zij zijn goddelijk, daaraan is geen twijfel. Zij zijn in menselijke vorm op aarde gekomen om het verdorven Râkshasa-gebroed te verdelgen.' In gedachten gaf hij zich aan hen over met alles wat hij bezat en met zijn gehele wezen. Vanaf dat ogenblik wijdde hij zijn leven aan de voortdurende meditatie op hun goddelijke heerlijkheid.
Nadat Râvana in vorige levens een verheven yoga-staat had bereikt, was hij ten val gekomen. Hij moest daarom nu als Râkshasa ronddolen, maar in werkelijkheid was hij God zeer toegewijd. Diep in zijn hart was hij zich bewust van het universele Absolute, genaamd Nârâyana. Hij besefte wel degelijk dat Râma Nârâyana zelf was die in menselijke gedaante was verschenen om de goden vreugde en vrede te schenken en elk spoor van demonische heerschappij op aarde uit te wissen. Aangezien hij echter geen andere weg zag om Nârâyana te bereiken, moest hij een wrede boosaardigheid en intense haat aankweken om Râma ertoe te bewegen hem te doden. Men zou dit soort toewijding natuurlijk dwaas en verfoeilijk kunnen noemen. Het was evenwel zijn geestelijk doel om door die daad van zelfverloochening en overgave aan Nârâyana de oceaan van geboorte en dood over te steken.
Omdat zijn lichaam en geest zich hadden ontwikkeld uit Râkshasa-neigingen, die werden gestimuleerd door demonisch voedsel, verwaarloosde hij intussen het goddelijke in zichzelf, dat erom vroeg om op te mogen gaan in de goddelijke Râma. Hij vertrouwde op zijn Râkshasa-natuur met haar duistere mogelijkheden en krachten. De goddelijke en demonische facetten in zijn persoonlijkheid streden voortdurend om voorrang. Uiteindelijk dwong hij zichzelf te geloven dat de twee broers slechts prinsen waren en niet meer dan dat. Hij nam zich voor hen beiden te doden en de jonge vrouw op wie hij zo verliefd was, te ontvoeren. Hij beloofde zijn zuster dat hij op deze wijze wraak zou nemen voor het leed haar aangedaan. Hij verklaarde de vergadering voor geschorst en beval zijn adjudanten de keizerlijke strijdwagen te laten voorrijden bij de ingang van de audiëntiezaal. Hij nam als enige plaats in de wagen en spoedde zich naar Maricha's [zie ook RRV-6a & RRV-6b] verblijfplaats aan de zeekust.
Daar aangekomen ging hij naast Maricha zitten en deed hem uitvoerig verslag van al wat geschied was. Hij beval Maricha ook zijn rol te vervullen in de uitvoering van zijn plan. Deze wierp echter tegen dat hij het reeds eenmaal zwaar te verduren had gehad door toedoen van Râma en Lakshmana. Hij zei Râvana te bedenken dat hij niet met gewone prinsen te doen had en raadde hem af zich aan een dergelijke roekeloze onderneming te wagen. Hij sprak langdurig en liefdevol met Râvana om hem van zijn voornemen af te brengen. Doch zijn hartstocht had Râvana doof en blind gemaakt voor wat plicht en moraal hem geboden. Dus dreigde hij Maricha te straffen als deze zich niet aan zijn wil onderwierp. Maricha besloot heimelijk dat het beter was door Râma te worden gedood, dan door de Râkshasa Râvana. Hij stemde toe in Râvana's voorstel en bereidde zich voor op zijn rol in de samenzwering.
Râvana liet Maricha naast zich plaatsnemen in de wagen en begaf zich naar het Danda-woud. Onderweg legde Râvana aan zijn metgezel uit welk plan hij had uitgebroed. Hij gaf Maricha opdracht zich door middel van zijn demonische krachten te veranderen in een bekoorlijk, goudkleurig hert. In die verleidelijke vorm zou hij wat moeten ronddartelen in de buurt van de hermitage waar Sîtâ, Râma en Lakshmana verbleven. Maricha kon niet weigeren, want dan zou er aan Râvana's gramschap niet te ontkomen zijn. Râvana sprak tot hem: 'Râma zal trachten je te vangen en je daarom volgen. Je moet Hem dan naar een verre plek voeren, vanwaar je angstig en alsof je in nood verkeert, moet roepen om Sîtâ en Lakshmana. Doe dat met een stem die Râma's geluid nauwkeurig nabootst.' Râvana liet de wagen achter op veilige afstand van de hermitage, waarheen hij zich vervolgens te voet begaf, samen met Maricha.
Terwijl dit web werd gesponnen, voelden Sîtâ en Râma in hun hut in Panchavati plotseling dat het ogenblik was gekomen waarop hun taak vervuld moest worden. Râma stuurde Lakshmana eropuit om knollen en vruchten te verzamelen voor die dag. Râma wist dat het uur van de waarheid had geslagen en sprak tot Sîtâ: 'Gezellin! Jij weet alles. Wij beseffen beiden waartoe wij op aarde gekomen zijn en wat onze missie is. Nu roept de taak waar wij ons in alle ernst aan moeten wijden. Jij bent edel en buitengewoon heilig van aard. Wij hebben beiden deze menselijke gedaante aangenomen door riten die verbonden zijn met het 'vuurprincipe'. Mijn lichaam vindt zijn oorsprong in de offerande die door de god Agni zelf uit de vlammen van het vuur tevoorschijn werd gebracht [RRV-3]. Jij verrees uit een voor in de aarde die door de heilige ploeg was bewerkt om de grond te wijden voor een vuuraltaar waarop een offerritueel (yajña) zou worden uitgevoerd [RRV-7c]. Onze lichamen komen voort uit het vuur en worden gevoed door de warmte van het vuur. Sîtâ, vertrouw daarom al je goddelijke eigenschappen en je goddelijke glorie toe aan het vuur en gedraag je vanaf dit ogenblik als een gewoon menselijk wezen. Ook ik zal mij gedragen als een gewone sterveling en mij verdrietig en angstig om jou tonen en laten zien hoe het mij bedroeft van jou gescheiden te zijn en hoe ik gekweld word door eenzaamheid. Dan zal de wereld ons als menselijke wezens beschouwen omdat zij deze gedragingen in gedachten houdt die zij zal zien als werelds en als natuurlijke reacties. Vergeet niet dat elke daad, hoe gering ook, als ideaal moet dienen voor alle gezinshoofden ter wereld. Wij moeten een voorbeeld geven van de verhouding tussen man en vrouw, die geheel in harmonie is met principes van waarheid en rechtschapenheid. Al onze handelingen moeten worden verricht volgens de richtlijnen die zijn vastgelegd in de shastra's, de heilige geschriften. Wij dienen ons leven op voorbeeldige wijze vorm te geven, opdat de gewone sterveling geïnspireerd wordt en aangemoedigd die idealen na te volgen. Wij moeten dit toneelstuk blijven opvoeren tot het einddoel bereikt is: tot Râvana en de Râkshasa's zijn verslagen en gedood.
Vertrouw daarom je goddelijke glorie toe aan Agni, de god van het vuur, en gedraag je als een gewone vrouw die in de netten van mâyâ, de illusie, verstrikt is. Want elk gevolg heeft een oorzaak. Het is aan ons om het resultaatl, de vernietiging van Râvana en het Râkshasa-gebroed, te bewerkstelligen. Wij zullen daarom een oorzaak moeten voorwenden die zo'n gevolg zowel rechtvaardigt als teweegbrengt. Râvana heeft één fundamenteel gebrek, namelijk zijn zinnelijke begeerte. Dit moeten wij de wereld tonen en we moeten daarom een situatie scheppen waarin het zal lijken alsof hij jou ontvoert in een opwelling van hartstocht. De wereld moet beseffen dat Râvana's toewijding en overgave aan God niet van het hoogste gehalte zijn, want wat heeft dat gevoel van overgave voor nut als het wordt aangetast door de zucht naar zinnelijk genot en immorele begeerten? De daden en het gedrag die voortkomen uit een bewustzijn dat niet zuiver is, zijn bezoedeld. De toewijding aan God die verontreinigd wordt door zinnelijke begeerte, is vuil als modder. Op deze waarheden moet thans, ten voordele van de mensheid grote nadruk worden gelegd.
Het is tevens noodzakelijk de mens erop te wijzen dat elke spirituele oefening of ascese, en alle godsdienstige riten of rituelen die hij onderneemt met de bedoeling bovenmenselijke vermogens te verwerven, minderwaardig en schadelijk zijn. In de persoon van Râvana moeten wij de mensheid waarschuwen dat, hoeveel goddelijke riten en handelingen men ook verricht, dit slechts tot eenzelfde slecht resultaat leiden zolang men zijn demonische begeerten en drijfveren niet laat varen. Zij worden daardoor namelijk goddeloos en dienen tot niets. Doch naast alles, Sîtâ, is er een allesoverheersende beweegreden waarvan wij ons terdege bewust moeten zijn. Eens is er een vloek 0ver Râvana uitgesproken. Er is hem toen tevens een middel toegezegd waarmee hij een einde kon maken aan de gevolgen van die vervloeking. Wij moeten erop toezien dat hem die uitweg wordt geboden. Het begin van zijn einde is nu gekomen. Vandaag of morgen zullen wij van elkaar moeten scheiden. Wij zijn natuurlijk entiteiten die niet te scheiden zijn en niets kan ons van elkaar verwijderd houden. Toch moeten wij doen alsof dit wel het geval is, om deze schijnvertoning zo effectief mogelijk te laten zijn. Ga nu en vertrouw je goddelijke vorm toe aan Agni. Lakshmana kan ieder ogenblik terug zijn met de vruchten en knollen. Bovendien staat Râvana gereed om te handelen zoals zijn perverse intelligentie hem ingeeft.
Ik moet je nog een ander geheim vertellen. Ook jij hebt een rol te vervullen in de vernietiging van de Râkshasa's. Ogenschijnlijk sta je onder Râvana's bewaking, doch aangezien je macht immanent is in vuur, zul je Lankâ in de as moeten leggen terwijl je uit het vuur tevoorschijn komt waarin jouw zelf van nu af aan verborgen is. Lankâ zal tot de grond worden afgebrand, niet door vuur, doch door jou in de hoedanigheid van vuur. Râma zal Râvana moeten doden; zo luidt de goddelijke beschikking. Deze waarheid moet duidelijk worden verkondigd. Voor Lakshmana dient dit mysterie vooralsnog verborgen te blijven. Hij zal bij deze onderneming ons instrument zijn. Als deze taak is volbracht en wij in Ayodhyâ teruggekeerd zijn, zal ik je weer aanvaarden als je uit het vuur treedt waarin je verblijft. Ook deze handeling zal ik omzetten in een les voor de wereld. Het spel gaat beginnen', sprak Râma. Zowel Sîtâ als Râma beraadden zich op hun plan de campagne en wachtten het ogenblik af waarop Râvana's strategie zich zou ontvouwen.
Van toen af aan waren alle daden en gedragingen van Sîtâ en Râma niet meer dan gebaren en reacties die hoorden bij het toneelstuk dat zij hadden besloten op te voeren: de kwellingen van de scheiding, het snikken van angst en bezorgdheid, het zuchten van pijn, het gekreun van smart: zij waren slechts geveinsd. Want hoe kunnen Sîtâ en Râma ooit gescheiden worden? Door hun gedrag wilden zij de mensheid enkele waardevolle lessen leren, dat was alles.
Toen trad Lakshmana de hut binnen, met handenvol vruchten en andere eetwaar. Zij namen gedrieën deel aan de eenvoudige maaltijd en dronken het koele, kristalheldere water van de nabije rivier. Zij bleven daarna nog enige tijd zitten om het liefelijke landschap te bewonderen. Zij dachten eraan hoezeer die vredige sfeer van de wouden verstoord werd door de gruweldaden van de Râkshasa's. Zij spraken opgetogen over de zoetheid en de heiligheid van het landelijke leven.
Niet ver van hen vandaan waren Râvana en Maricha aan het redetwisten over de beste manier om de hermitage binnen te dringen, opdat zij hun snode plannen ten uitvoer konden brengen. Râvana's begeerte en verdorvenheid boezemden Maricha grote afkeer in. Niettemin ontbrak hem de moed alle medewerking te weigeren. Hij voelde er niets voor te sterven door toedoen van iemand die zo slecht was als Râvana, dus aanvaardde hij de rol die deze hem toebedeelde en zei dat hij zou doen wat er van hem verlangd werd. Maricha nam de gedaante aan van een gouden hert van een zo betoverende schoonheid dat het beslist de bewondering van Sîtâ en Râma zou wekken. Hij dacht bij zichzelf: 'O, welk een gelukkige dag is er zojuist voor mij aangebroken! Over enkele ogenblikken zal ik worden gezegend met de aanblik van de drie schoonste en bekoorlijkste wezens op aarde! Sîtâ's blik zal op mij rusten. En dan, ah, zal Râma mij achtervolgen, gewapend met pijl en boog. O, hoe fortuinlijk ben ik! Ik ben de dienaar die Râma op de voet zou moeten volgen, doch nu is het mijn Meester die mij volgt. Ik weet natuurlijk dat ik mij schuldig maak aan een afschuwelijke misdaad. Ik word daar evenwel toe gedwongen en handel niet uit eigen vrije wil, dus kleeft mij geen zonde aan. Welke zonde ik ook heb begaan, als Râma's pijl mij treft, door Hem eigenhandig afgeschoten, dan zal deze schijngedaante verdwijnen. Dat gelukkige lot zal mij beschoren zijn. Hoevelen verlangen niet naar een dergelijk levenseinde en hoevelen bereiken het? En dan is er nog iets waarom ik mij gelukkig mag prijzen. Bij mijn laatste ademtocht zullen mijn ogen op Râma gevestigd zijn! Die goddelijke schoonheid zal voor mij staan en zijn naam zal op mijn lippen zijn! O, wat draagt mijn leven nu rijke vrucht! Naar mijn mening is er niemand fortuinlijker dan ik!'
Terwijl Maricha langzaam naar de hermitage liep, was hij verzonken in deze gelukzalige gedachten. De alwetende Râma en de alwetende Sîtâ waren beiden in afwachting van zijn komst. Het hert kwam aarzelend nader en betrad met zichtbare schroom het terrein van de hut. Het vestigde zijn blik op Râma en Sîtâ en bleef even staan. Toen maakte het enkele dartele sprongetjes, tuurde in het kreupelhout en uit louter nieuwsgierigheid liep het erin en in een oogwenk ook weer uit. Sîtâ, Râma en Lakshmana sloegen zijn capriolen gade en bewonderden het fraaie dier. Toen zij de gouden vacht opmerkten, kwamen zij tot de slotsom dat het hert van een vreemde soort was. Zij werden getroffen door zijn ongewone kenmerken en waren gefascineerd door zijn bekoorlijkheid. Sîtâ sprak: 'Mocht ik dit hert maar bij mij houden, dan zou ik mij aangenaam kunnen verpozen in zijn gezelschap. Als jullie beiden bezig zijn met zaken die alleen jullie aangaan, zou ik heerlijk kunnen spelen met dit bijzondere dier. Wil je dit aardige beestje niet voor mij vangen? Kun je deze bescheiden wens niet vervullen, zodat ik mij kan vermaken als ik alleen ben, door het te aaien en te zien ronddartelen?' Zo smeekte Sîtâ in een schijnbaar diepe gehechtheid aan het geheimzinnige hert. Toen Lakshmana dit opmerkte, stond hij meteen op en sprak: 'Moeder! Laat mij hem voor u vangen.' Râma weerhield hem, wetend dat het hert slechts Hemzelf in handen zou vallen.
Lakshmana wist niet wat voor spel er werd opgevoerd, een spel waarvan dit de proloog was. Râma sprak: 'Lakshmana! Het hert moet gevangen worden zonder dat het enig letsel wordt toegebracht. Daarom moet ik het zelf achtervolgen en vangen. Ikzelf moet deze wens van Sîtâ vervullen.' Deze woorden deden Lakshmana zwijgen en gehoorzamend aan Râma's bevel, zette hij zich terneer.
Aangezien de volgende bedrijven van het drama aan Sîtâ en Râma bekend waren, doch Râma deze wetenschap voor zich wilde houden, zei Hij bovendien: 'Lakshmana! Dit woud is de verblijfplaats van de Râkshasa's. Vergeet niet wat er twee dagen geleden is gebeurd toen hun leiders Khara en Dushana ons overvielen. Hun verwanten en kameraden zouden wel eens met een grote krijgsmacht hierheen kunnen komen en ons aanvallen. Het is daarom noodzakelijk te allen tijde pijl en boog gereed te houden en uiterst waakzaam naar alle richtingen uit te blijven kijken. Bewaak Sîtâ met grote oplettendheid. Laat haar onder geen beding alleen. Het hert zou kunnen ontsnappen en ver weg vluchten. Ik moet het levend vangen, dus het kan wel enige tijd duren aleer ik die taak heb volbracht. Gebruik je gezonde verstand en je lichamelijke vaardigheden zoals de omstandigheden eisen en behoed Sîtâ voor elk gevaar dat haar tijdens mijn afwezigheid mocht bedreigen.'
Daarop ging Râma op jacht naar het vreemde hert en verdween uit het zicht. Het hert keek niet vooruit, doch rende voort met de kop omgedraaid, zodat het de ogen op Râma, zijn achtervolger, gericht kon houden. Toen Râma dit zag, was Hij zeer verheugd. Râma wist dat het hert Maricha was, zijn grote toegewijde, die het Râma-principe en de macht van Râma had ervaren en verwezenlijkt. Dus hield Râma op zijn beurt zijn blik op het hert gericht en bleef Hij zijn gang zeer aandachtig volgen. Het ene ogenblik kwam het dier binnen zijn bereik, dan weer nam het een geweldige sprong om Râma iets verder weg te lokken. Deze leek genoegen te scheppen in de spannende achtervolging. Maar toen Hij dit spel enige tijd had meegespeeld, spande Râma zijn boog en schoot een pijl af op het hert, die onmiddellijk doel trof. Toen de dodelijke pijl hem trof, riep Maricha gekweld uit: 'Ach, Sîtâ! 0, Lakshmana!' en viel ter aarde. Sîtâ en Lakshmana hoorden zijn kreten. Nog voordat het geluid hen bereikt had, vroeg Sîtâ: 'Lakshmana, hoorde jij dat? Dat is de stem van je broer. Hij roept je te hulp. Ga onmiddellijk naar Hem toe, snel! Die Râkshasa's zijn meesters in magische gedaanteveranderingen en andere listen. Door die verwisselingen van vorm en voorkomen veroorzaken zij de grootst mogelijke rampspoeden.' Het was Sîtâ's bedoeling dat Lakshmana zich haastig naar de plek zou begeven waar de kreten vandaan kwamen.
Lakshmana was een intelligent persoon, die gewend was zijn onderscheidingsvermogen te gebruiken en de juiste conclusies te trekken. Tevens volgde hij immer trouw de aanwijzingen van zijn broer op. Hij had ontzag voor diens bevelen, die hem even dierbaar waren als zijn eigen adem. Dus sprak hij: 'Moeder! Er kan Râma nimmer enig onheil geschieden. Geen Râkshasa, hoe geslepen ook, kan Râma deren. U hebt toch met uw eigen ogen gezien hoe Hij in een oogwenk duizenden Râkshasa's heeft gedood? Maakt u geen zorgen, doch vat moed en bewaar uw kalmte. Râma zal spoedig gezond en wel in deze hermitage terugkeren.' Juist op dat ogenblik klonk nogmaals de kreet uit de verte: 'Ach Sîtâ! Ach Lakshmana!' Hierop werd Sîtâ nog meer verontrust en verward. Zij sprak: 'Lakshmana! Waarom gedraag je je zo harteloos? Ik begrijp je bedoelingen niet. Ga snel. Ga toch en help Râma om een eind te maken aan de gevaarlijke situatie waarin Hij geraakt is. Ga nu!' Op allerlei wijzen liet zij haar vrees en bezorgdheid blijken en deed haar uiterste best om Lakshmana ertoe te bewegen haar alleen te laten. Vanzelfsprekend wist Sîtâ maar al te goed dat Râma van niets of niemand iets te duchten had. Doch bepaalde gebeurtenissen moesten plaatsvinden om de grondslag te leggen voor toekomstige ontwikkelingen. Zij deed het voorkomen alsof zij een onwetende vrouw was, die getroffen was door het geroep.
Lakshmana sprak haar geruststellend toe zo goed hij kon. Op deerniswekkende toon smeekte hij Sîtâ te begrijpen dat hij zijn broer niet ongehoorzaam kon zijn. Toen hij inzag dat Sîtâ al zijn argumenten en smeekbeden terzijde wierp, zei Lakshmana tenslotte: 'Moeder! Râma's bevel is als mijn eigen leven. Ik acht het even kostbaar als mijn adem. Hebt u niet gehoord hoe Râma mij beval u nimmer onbewaakt achter te laten, doch u te allen tijde te beschermen? Ik zal derhalve geen stap van u wijken, wat er ook gebeurt.'
Sîtâ wilde dat Lakshmana ver weg werd gelokt, want Râvana moest de hermitage kunnen naderen. Zo was het plan dat Râma had beraamd om de vernietiging van Râvana en de Râkshasa's te bewerkstelIigen. Zij moest Râma's wil vervullen. Dus hield ook zij voet bij stuk en sprak in bewoordingen die nog scherper en pijnlijker waren, opdat Lakshmana wel zou moeten toegeven. Lakshmana hield met de handen zijn oren dicht. Hij kon de verwijten en beschuldigingen niet verdragen. Hij sprak: 'Moeder! Ik zal alle toorn die u over mij uitstort geduldig dragen.' Toen Sîtâ evenwel haar toon verscherpte en dreigde zelf Râma te hulp te zullen schieten als hij dat niet deed, bleef Lakshmana geen andere keus. Hij kon het niet langer aanhoren. Hij kon niet toelaten dat Sîtâ in het woud ronddoolde om Râma te zoeken en Hem te helpen. Dus verliet hij de hut met een bezwaard gemoed en ging op zoek naar Râma.
Aleer Lakshmana Sîtâ verliet, smeekte hij haar binnen te blijven en zich in geen geval buiten te wagen. Hij drukte haar op het hart voorzichtig en waakzaam te zijn. Tegen zijn zin en met lome schreden begaf hij zich tenslotte op weg. Hij wendde zich om en richtte zich tot de woudgeesten, hen smekend om over Sîtâ te waken. Hij trok vier lijnen om de hut heen die hij door bezweringen onder een geheimzinnige en machtige mantrische kracht stelde. Hij bezwoer Sîtâ onder geen enkele voorwaarde over deze lijnen heen te stappen, onder welk voorwendsel of welke pressie dan ook. Lakshmana was begiftigd met alle mogelijke deugden. Hij zat gevangen tussen zijn loyaliteit aan twee tegengestelde bevelen en kon aan geen van beide ongehoorzaam zijn. Daardoor werd hij overmand door zielenpijn. Hij moest noodgedwongen handelen tegen Râma's bevelen in en moest Sîtâ alleen en onbeschermd achterlaten. Zijn hart beefde van angst en vrees. Hij begon te lopen, ofschoon zijn benen het welhaast begaven. Bij iedere stap voorwaarts keek hij om naar de hut.
Op datzelfde ogenblik veranderde Râvana zijn uiterlijk en zijn kleding, want op deze gelegenheid had hij gewacht. Hij had alle uiterlijke kenmerken van een rishi, maar het was zijn bedoeling - hoewel hij van nature de macht bezat door zijn naam alleen al goden en demonen angst aan te jagen - naderbij te sluipen als een sluwe vos. Overal om zich heen kijkend, trad hij heimelijk en met bonzend hart de hermitage binnen. Toen hij poogde de hut aan de voorkant binnen te gaan, leken de geheimzinnige strepen die Lakshmana had getrokken, met vurige tongen aan hem te likken. Hij vreesde dat zijn plan zou mislukken en dat hem zelfs erger te wachten stond. Dus bleef hij buiten de scheidslijn staan en riep: 'Vrouw des huizes! Geef mij een aalmoes!'
Sîtâ hoorde hem roepen en wist dat het Râvana was. Zij trad door de deur naar buiten met in haar handen enkele vruchten en knollen. Toen bleef zij staan. Râvana durfde echter niet naderbij te komen om het voedsel aan te nemen. Hij sprak: 'Ik mag niet dichtbij een kluizenaarsverblijf komen, dat verbiedt mijn gelofte mij.' Hij wilde dat Sîtâ hem de aalmoes in handen zou geven. Sîtâ antwoordde: 'Neen, ik kan niet over de scheidslijn gaan die mijn zwager heeft getrokken. Komt u toch zelf naar voren, vereerde gast! Ontvang de aalmoes op deze plaats van mij.' Nogmaals drong de zogenaamde bedelaar aan: 'Mevrouw! Ik zal niet over de streep stappen om uw terrein te betreden. Ik kan evenmin aalmoezen accepteren die mij van de andere zijde van een scheidslijn worden aangereikt. Dat betaamt asceten zoals ik niet. Kom, geef mij nu uw goede gaven, ik heb honger, erge honger.' Hij speelde zijn rol zo overtuigend, met veel zuchten en smekende gebaren, dat Sîtâ besloot hem de aalmoes te geven die zij in haar handen hield, dus stapte zij over de streep en was in Râvana's nabijheid.
Het gehele voorval duurde luttele seconden. Sîtâ had nauwelijks de scheidslijn overschreden of Râvana trok haar aan de hand mee en tilde haar in een gereedstaande wagen. Hij sloeg geen acht op haar geweeklaag, maar joeg de wagen voort met grote vaart. Sîtâ schreeuwde luid: 'O, Râma, Lakshmana! Kom mij redden uit de handen van dit boosaardige monster.' De kluizenaars en woudbewoners in de omgeving van Panchavati hoorden de kreten, maar waren onmachtig het klagende slachtoffer te helpen. In het hele woud veranderde het frisse groen in dor bruin toen de stem vol angst en zielenpijn erdoorheen klonk. 'O, Râma! O, Meester! Red mij. O, kom mij te hulp. Bescherm mij tegen dit monster!' Het was deze kreet die in het woud weerklonk en alles wat zich daarin bewoog of onbewegelijk was met grote droefheid vervulde. In de wagen sprak Sîtâ intussen Râvana vermanend toe: 'Râvana! U bent bezig een koninklijke weg te plaveien naar uw eigen ondergang. Door uw toedoen zullen uw keizerrijk, uw onderdanen en uw dynastie worden weggevaagd, zodat er geen spoor van zal overblijven. U begaat deze verachtelijke daad met een lach op uw gezicht, doch de dag zal zeker komen dat u ervoor moet boeten met tranen in de ogen. Gemene ellendeling! Deze wrede daad is iemand als u onwaardig, gezien de ascese die u hebt betracht.' Zij waarschuwde hem en gaf hem menige goede raad. Ondertussen bleef zij Râma en Lakshmana aanroepen om haar te redden.
De koning der arenden, Jatâyu, hoorde de klaaglijke kreten die uit de voortsnellende wagen kwamen. Hij herkende Sîtâ's stem en besefte dat die uit Râvana's wagen moest komen. Hij betreurde het dat hij zo oud was en daardoor te zwak om het op te nemen tegen Râvana, de schurk die haar wegvoerde. Hij moest in ieder geval alles doen om Râvana tegen te houden. Hij wist dat er geen edeler daad van dienstbetoon is dan een vrouw te redden uit de klauwen van een ontvoerder die haar heeft ontstolen aan haar heer en meester. Hij besloot om zo nodig zijn leven te geven voor het heilige doel Sîtâ aan Râvana's duivelse greep te ontrukken en voor dit hulpbetoon al zijn energie en kunde aan te wenden. Terwijl hij boven de wagen cirkelde, riep Jatâyu: 'O, Sîtâ! Wees niet bevreesd. Ik zal deze wrede schurk vernietigen en u bevrijden. Ik zal u bij Râma terugbrengen.'
Hij vloog voor de wagen langs en trof Râvana verscheidene malen met zijn scherpe snavel, zodat deze hevig bloedde. Hij sloeg tegen de wagen met zijn vleugels en poogde hem te stoppen door zware windstoten te veroorzaken die het voertuig moesten vertragen. Zelfs in volle vlucht gaf Jatâyu Râvana het goede advies zijn leven te beteren eer het te laat was. 'Râvana! Deze stap zal je geen heil brengen. Laat Sîtâ gaan en ga veilig naar huis. Anders zullen jij en je gebroed als motten die aan de vlammen ten prooi vallen, in het vuur van Râma's gramschap verbranden. Je hoogmoed zal tot je algehele vernietiging leiden. Het ontvoeren van andermans vrouw is een gruwelijke zonde. Slechts een zondig hart zal de vrouw van een ander begeren en naar haar op zoek gaan. Slechts een minderwaardige bruut, die minder is dan een hond of een vos, kan zo diep zinken. Je gedraagt je als iemand die zo bezeten is dat hij geen acht slaat op de gevolgen van zijn daden. Denk eens goed na. Bestaat er een wredere misdaad dan deze? O, wat voor zonde hebben je ouders begaan om jou als zoon te moeten erkennen? Omdat jij je verlaat op je lichaamskracht, je rijkdom en op de onderdanen die je in je macht hebt, ben je hoogmoedig geworden. Doch luister goed: dat alles zal in vlammen opgaan en in de as gelegd worden. Zelfs de vermogens die je door je ascese hebt verworven, zullen je in een oogwenk worden ontnomen. Zou jij lijdzaam toezien wanneer jouw vrouwen begeerd en ontvoerd werden door andere Râkshasa's? Bovendien zullen degenen die respect koesteren voor vrouwen, of het hun eigen vrouw is of die van een ander, zich nimmer zulk een vreselijk lot op de hals halen.' Terwijl hij deze uitmuntende raad gaf, vloog Jatâyu een eindweegs met de wagen mee. Sîtâ werd door Jatâyu's woorden zeer getroost. Het bemoedigde haar dat deze gedachten zo duidelijk werden uitgesproken [zie ook S.B. 4.19:16].
Jatâyu slaagde erin de wagen te laten stilhouden en Râvana te dwingen de strijd met hem aan te gaan nadat deze Sîtâ uit de wagen had laten stappen en haar naar een plaats onder een boom had geleid. Maar zijn hoge leeftijd eiste zijn tol. Hij kon niet langdurig vechten en weldra was hij overwonnen. Tijdens het gevecht wist hij echter de kroon van Râvana's hoofd te stoten en hem enige plukken haar uit te trekken. Hij pikte zo fel naar Râvana's lichaam en op zoveel plaatsen, dat deze veranderde in een bloedende vleesmassa. Jatâyu's snavel en zijn wijd uitgespreide vleugels verwondden Râvana deerlijk en krenkten zijn trots. Als laatste redmiddel trok Râvana zijn scherpe cirkelvormige zwaard en sneed daarmee Jatâyu's vleugels af, zodat deze hulpeloos ter aarde stortte. Het leven van een arend hangt af van zijn vleugels. Dus riep Jatâyu terwijl hij viel, in zijn ondragelijke pijn de naam van Râma aan.
'Ik heb zonder enige bedenkingen gevochten voor mijn Meester, maar mijn strijd was vergeefs. Ook dat is Râma's wil. Râma moet dit alles zo bestierd hebben om de wereld tot heil te strekken. Hoe zou Sîtâ anders met geweld meegevoerd kunnen worden zonder dat Râma's wil het zo heeft beschikt? Ik heb nu nog slechts een bede aan Hem. Ik moet tenminste zo lang leven dat ik Hem kan zien en Hem dit nieuws kan overbrengen. Er staat mij in dit leven niets belangrijkers meer te doen.' Zo sprekend sloot Jatâyu de ogen en verzonk in gebed.
Râvana had intussen Sîtâ weer in de wagen gezet en ging er haastig en met veel tumult vandoor. Jatâyu zag hem langskomen en hoorde Sîtâ luid om hulp roepen. Jatâyu was vervuld van smart omdat hij geen tegenstand meer kon bieden. Hij lag in een plas van zijn eigen tranen, met een diep verlangen naar Râma en Zijn naam op de lippen. Hij dacht: 'Als de dood nadert en rampspoed ophanden is, dan gedraagt de natuur zich op onverwachte wijze, ter lering en waarschuwing. Alles raakt in grote verwarring. Ook Râvana hier doet nu zo vreemd omdat zijn einde nabij is en zijn vrienden en verwanten aanstonds van de aardbodem zullen worden weggevaagd.' Jatâyu was zich van deze waarheid bewust en lag stil terneer. Slechts zijn wilskracht hield hem in leven terwijl hij wachtte op Râma's komst.
Râma keerde terug naar Panchavati vanuit het diepste woud, nadat Hij Maricha in de gedaante van het gouden hert had gedood. Hij nam aan dat de intrige van zijn verhaal zich nu wel ontwikkeld zou hebben in de